Joodse tempel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De joodse tempel stond in Jeruzalem en was het middelpunt van de ceremoniële joodse eredienst. De naam die in de Tenach gegeven wordt voor het tempelgebouw is Beit Adonai vertaald 'Huis van Adonai'. Om de naam van God niet onnodig uit te spreken, is de gebruikelijke Hebreeuwse naam voor de tempel Beit Hamikdash, 'Huis van het Heiligdom' (alleen de tempel te Jeruzalem wordt zo genoemd). Volgens de joodse overlevering zouden er vóór de gangbare jaartelling twee tempels zijn geweest, waarvan de respectievelijke verwoestingen als de belangrijkste keerpunten in de Joodse geschiedenis worden gezien:

Beide verwoestingen worden herdacht op Tisja be'Aaw. Het enige restant, de Westmuur, is van de archeologisch bewezen tweede tempel. Er is tot op heden geen sluitend archeologisch bewijs gevonden dat er ook een 'eerste' tempel heeft bestaan. Dit komt voornamelijk doordat op de Tempelberg geen opgravingen mogen worden verricht omdat de islamitische geestelijke autoriteit, de zogeheten Waqf, die de Tempelberg beheert, dit verbiedt.

Eerste tempel[bewerken]

De Westmuur of Klaagmuur (de beschaduwde muur vanaf het centrum van de foto naar rechts) is het enige wat nog overgebleven is van de tweede tempel
Boog van Titus, Rome. Voorwerpen uit de Tempel van Jeruzalem worden als krijgsbuit meegevoerd.
1rightarrow blue.svg Zie Tempel van Salomo voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Bouw[bewerken]

Hebreeuws-Bijbelse visie[bewerken]

De eerste tempel werd na de dood van David gebouwd door koning Salomo met behulp van zijn bondgenoot koning Hiram I van de Fenicische stad Tyrus. Deze tempel verving de tabernakel, de tent die gebruikt werd als centrum voor de offerdienst aan God, ingesteld door Mozes tijdens de uittocht uit Egypte ongeveer 400 jaar eerder. De precieze regels en voorschriften hiervoor staan beschreven in Sjemot (Exodus), Wajikra (Leviticus) en Devariem (Deuteronomium). De tabernakel was dus een tijdelijke tempel waarin de Ark van het Verbond werd geplaatst. Waarschijnlijk werd de tabernakel opgevouwen en in de tempel bewaard nadat deze gereed was. De Ark werd in het Heilige der Heiligen geplaatst. De plannen voor een vaste tempel in Jeruzalem waren al geopenbaard door God aan koning David (zie Sefer Melachim (I Koningen)), de vader van Salomo, maar David mocht hier zelf niet aan beginnen omdat hij veel oorlogen had gevoerd. Alleen een vredesvorst zoals Salomo, zonder bloed aan zijn handen, mocht de tempel bouwen.

Wetenschappelijke visie[bewerken]

Archeologisch bekeken zijn er weinig directe bewijzen voor Salomo's tempel; de islamitische autoriteit die de Tempelberg beheert verbiedt opgravingen. Het wordt mogelijk geacht dat een eerste tempel in Jeruzalem heeft bestaan, maar het wordt zeer onwaarschijnlijk geacht dat deze gebouwd zou zijn door een heerser (Salomo) van een krachtig verenigd Hebreeuws rijk zoals verhaald volgens de Bijbel. Wel wordt er volop gespeculeerd over een tempel. Zo is er de eveneens onbewezen theorie dat zich geleidelijk een tempeldienst ontwikkelde uit de vermenging van de nomadisch georiënteerde Israëlitische godsdienst met eerder in het land aanwezige polytheïstische vruchtbaarheidsgodsdiensten. Pas in de zevende eeuw v.Chr. zouden de Israëlieten onder het sterk centraliserende bestuur van koning Josia volledig monotheïstisch zijn geworden. Volgens sommige andere wetenschappers werd er ook een tempel gebouwd door koning Omri van het noordelijke koninkrijk Israël op de berg Gerizim[1]

Ballingschap[bewerken]

Volgens de joodse traditie zou de eerste tempel ongeveer 400 jaar dienst hebben gedaan tot de Babyloniërs hem tegelijk met Jeruzalem in 586/585 v.Chr. verwoestten en de voornaamste joden deporteerden naar Babylonië.

Deze Babylonische ballingschap duurde 46 jaar totdat de Perzen Babylon in 539 v.Chr. veroverden en de joden van de Perzische koning Cyrus mochten terugkeren.De volledige duur in Babylonië, gerekend vanaf Daniël 1-2 (605 v.Chr.), zou dan 66 jaar zijn.

Een andere versie over de duur van deze tijd luidt dat met de, in de Bijbelboeken Daniël en Ezra genoemde, 'Kores de Pers' die de ballingschap beëindigde (Ezra 1:1-4) niet Cyrus de Grote maar mogelijk zijn kleinzoon (en waarschijnlijk ook naamgenoot) Xerxes (485-465 v.Chr.) bedoeld wordt. In dat geval zou het 100 jaar geduurd hebben voor de joden terugkeerden en in Jeruzalem de inwijding van een nieuw altaar plaatsvond (Ezra 3:2-3). De lengte van de ballingschap in haar geheel zou dan precies 120 jaar zijn.

Gedurende die tijd kwamen joden bijeen in gemeenschappelijke ruimtes als vervanging voor de verdwenen tempel. Later ontwikkelde zich dit tot het instituut van de synagoge om de joodse feesten en riten uit te voeren. De offerdienst kon niet meer uitgeoefend worden tot de bouw van een nieuwe tempel in Jeruzalem.

Tweede tempel[bewerken]

Alexander de Grote in de tempel van Jeruzalem door Sebastiano Conca (1680-1764)

De tweede tempel zou voltooid zijn op 12 maart 515 v.Chr. (alternatief: 418 v. Chr. bij voltooiing tijdens de regering van Darius II), waarna ook de tempeldienst met zijn offerandes hervat kon worden. In het boek van Ezra wordt vermeld dat deze tempel veel bescheidener was dan die van Salomo en er werd zelfs gehuild als men dacht aan de prachtige tempel van weleer. Er zouden echter nog andere belangrijker verschillen zijn met de voorgaande tempel:

  • Een minder belicht maar essentieel verschil met de eerste tempel was dat hier geen Ark van het Verbond meer aanwezig was. De Ark was bij de Babylonische verwoesting verloren gegaan. Hierdoor kon het jaarlijkse ritueel door de hogepriester van het verzoenen van de zonden van het volk tijdens Grote Verzoendag niet meer voltrokken worden.
  • Er was geen onafhankelijk joods bestuur onder een lid van het Huis van David meer over Jeruzalem en soms bemoeiden de verschillende vreemde heersers zich met de tempeldienst. Achtereenvolgens maakten de Perzen, de Grieken (na de veroveringen door Alexander de Grote, die volgens Flavius Josephus zelf de tempel bezocht heeft) en de Romeinen er de dienst uit.
  • De hogepriester was niet altijd meer iemand uit het huis van Aäron, hoewel dat volgens de Thora verplicht is.

Door de herhaaldelijke inmenging van de vreemde overheersers in de joodse godsdienst waren er dikwijls opstanden in de volgende eeuwen. Antiochus IV Epiphanes, de koning van de hellenistische Seleuciden, eiste na zo'n opstand in 168 v.Chr. de tempel op voor de dienst aan Zeus en liet er varkens slachten. Een grotere belediging voor de joodse godsdienst is haast niet denkbaar en dit vormde de aanleiding voor de Makkabeese opstand (167 v.Chr.), die uiteindelijk leidde tot een korte periode van onafhankelijkheid onder het huis der Hasmoneeën. Reeds in de eerste jaren van deze opstand veroverde Judas de Makkabeeër de tempel op de Seleuciden. De tempel werd gereinigd en opnieuw ingewijd (164 v.Chr.). Vandaag de dag wordt deze gebeurtenis onder joden nog herdacht op het chanoekafeest.

Restauratie door Herodes de Grote[bewerken]

Maquette van de Tempel te Jeruzalem zoals die er in het jaar 66 uitzag, ook wel de Tempel van Herodes genoemd (in het Israëlmuseum te Jeruzalem).

Nadat de Romeinen in 63 v.Chr. een definitief einde gemaakt hadden aan het Hasmonese rijk werd Herodes de Grote in 63 v.Chr. vazalkoning van Judea. Aan het begin van zijn regering bouwde hij direct naast de tempel de burcht Antonia. In zijn negentiende regeringsjaar (20-19 v.Chr.) startte hij een ambitieuze herbouw van de tempel, waarbij het tempelcomplex flink werd uitgebreid, gerestaureerd en verfraaid. In 10/9 v.Chr. werd de tempel opnieuw in gebruik genomen, maar de bouwactiviteiten duurden nog voort tot ver in de eerste eeuw na Chr. Volgens Johannes 2:20 was er in de tijd van Jezus al 46 jaar aan gewerkt. De tempel en z'n voorhoven waren namelijk pas geheel af in het jaar 64. Toen de tempel eindelijk voltooid was, gold hij als een van de schitterendste architectuurcomplexen van het Romeinse Rijk en trok van heinde en verre bewonderaars. Ook in het Nieuwe Testament wordt aan de pracht van de tempel gerefereerd.

Beschrijving[bewerken]

Als men de trappen van het tempelplein opliep kwam men eerst op een groot plein, waar iedereen mocht komen. Dit plein heette 'Voorhof der heidenen'. Om verder te mogen gaan, moest je joods zijn. Als je geen jood was en men kwam erachter dat je toch in de tempel was geweest, volgde de doodstraf. Er stond op een steen geschreven: Geen vreemdeling mag binnengaan binnen de balustrade rond de tempel en omheining, wie daar wordt betrapt is zelf verantwoordelijk voor zijn dood, die het gevolg zal zijn. In de voorste voorhof mochten alle joden komen. Deze voorhof wordt ook wel 'Voorhof der vrouwen' genoemd. Als men verder doorliep ging je door de Nicanorpoort en dan kwam je in de 'Voorhof der priesters'. Daar mochten geen vrouwen komen. Daar stonden het brandofferaltaar en het koperen wasvat. Als men de trappen naar de tempel zelf opliep kwam je eerst in een voorhal. In de tempel zelf mochten alleen de priesters komen. Als men doorliep kwam je in het 'Heilige', waar tien gouden kandelaars met zeven armen, het reukofferaltaar en de tafel der toonbroden stonden. In deze ruimte hing ook het voorhangsel voor het 'Heilige der heiligen' (de achterste ruimte) die leeg was, want de Ark van het verbond was al tijdens de Babylonische wegvoering verdwenen. Op een Joodse sjekel uit de jaren 132-135 na Chr. is een afbeelding te zien van de voorgevel van de tempel met twee pilaren, Jachin en Boaz.

Verwoesting[bewerken]

Slechts zes jaar na de voltooiing ervan, in het jaar 64, werd in 70 de tempel door de Romeinen onder leiding van Titus verwoest. In Rome staat nog de triomfboog van Titus als herinnering hieraan. De Westmuur, die oorspronkelijk onderdeel was van de gigantische muur die het plateau waarop de tempel stond omringde en ondersteunde, bleef staan en is het enige wat nog aan de tempel herinnert. Deze werd een traditionele plaats om de verwoesting van de tempel te betreuren en te bidden voor de wederopbouw ervan evenals voor persoonlijke gebeden, en wordt tegenwoordig daarom ook wel de Klaagmuur genoemd. Men denkt dat er nog meer overblijfselen zijn, die dan onder het tempelplein met de Rotskoepel en de Al-Aqsamoskee zouden moeten liggen. De offerdienst kon ook niet meer uitgevoerd worden, en de belangrijkste overige religieuze taken werden overgenomen door de synagogen. Maar toch hebben ze waarschijnlijk van 132 tot 135 een fundering van de tempel gelegd [bron?]. Na de opstand van Sjimon bar Kochba in 135 lieten de Romeinen geen enkele Jood Jeruzalem meer binnengaan. Keizer Julianus Apostata 361-363 wilde de Romeinse godenverering herstellen, de door zijn voorgangers ingestelde voorrechten voor christenen terugdringen en stond toe de joodse tempel in Jeruzalem te herbouwen. Door zijn dood in 363 kwam de bouw er niet meer.

Een toekomstige tempel?[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie derde tempel voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Perspectief van de door Ezechiël voorgestelde tempel, als beschreven in Ezechiël 40-42, zo letterlijk mogelijk getekend door architect Bartelmeüs Reinders (1893-1979)
Poortgebouwen van de door Ezechiël voorgestelde tempel (Bartelmeüs Reinders)

Vele - zowel liberale als conservatieve, maar religieuze - joden en evangelisch-protestantse christenen verwachten op grond van profetieën in de Hebreeuwse Bijbel dat eens een derde tempel in Jeruzalem komt die dan wordt opgericht door de Messias als deze verschijnt. In het Bijbelboek van Jechezkel (Ezechiël) wordt een beschrijving gegeven van de definitieve tempel die eens in het door de toekomstige messias bestuurde Jeruzalem zal staan. Tevens wordt een beschrijving gegeven van de eredienst en offerandes die er worden gebracht. In details verschillen deze met de voorschriften die in de Thora staan.

Sommige fundamentalistische joodse en protestants-christelijke groeperingen streven er echter naar zelf een derde tempel te bouwen, al dan niet met verwijdering van de islamitische Al-Aqsamoskee en de Rotskoepel. De Israëlische regering en rechtbanken blokkeren, met het oog op de rechten van de verschillende bevolkingsgroepen in Israël en de staatsveiligheid, regelmatig protestacties van organisaties die zich inzetten voor het oprichten van een tempel.

Binnen het orthodox jodendom zijn stromingen die het bouwen van een derde tempel als taak zien van de Messias die het huis van David zal laten herleven, en niet van een zelfbenoemde bouwcommissie. Anderzijds zijn er joden binnen het orthodox Jodendom -zelfs onder de Charediem die volgens de letter van de Thora leven- die van mening zijn dat de derde tempel al vóór de komst van de Messias gebouwd dient te worden. Beide meningen zijn gebaseerd op de halacha, de joodse wet en inherent aan het Moderne Sanhedrin. Het Chassidisch jodendom over het algemeen ziet degenen die de derde tempel met hun eigen handen willen bouwen als afvalligen en ketters.

De Rooms-Katholieke Kerk leert wel dat de heropbouw van de derde tempel een gebeurtenis van de eindtijd zou zijn, maar duidt aan dat de Messias in de persoon van Jezus als Christus reeds is gekomen, en dat de ware tempel van God gevonden wordt in de Kerk der christenen, het nieuwe Israël, en dat daarin het waar en voortdurend en wereldwijd offer, namelijk de eucharistie, wordt opgedragen aan God, in eenheid en identiciteit met het kruisoffer op Golgotha. Daarom ziet men de herbouw van de derde tempel als een streven van de onbekeerde joden aan, en sommige katholieke theologen hebben zelfs geleerd, dat in een herbouwde tempel de persoon van de antichrist zitting zal nemen (een gedachte die men ook bij evangelische protestanten kan aantreffen). Evenwel zijn er vele moderne katholieken die de staat Israël een warm hart toedragen, ofschoon onder hen over de herbouw van de tempel van mening verschild wordt. Voor christenen is immers met het ene offer van Jezus elke tempelcultus voor het heil overbodig geworden. Ook is men afgestapt van de joods-etnocentrische gedachte.[bron?]

In de oosters-orthodoxe kerken wordt zelfs vaak met afschuw op het zionisme en de initiatieven tot herbouw van de tempel neergekeken.[bron?]

Zie ook[bewerken]