Joseph Alberdingk Thijm

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Joseph Alberdingk Thijm
Joseph Alberdingk Thijm, door A. J. Ehnle[1]
Joseph Alberdingk Thijm, door A. J. Ehnle[1]
Algemene informatie
Volledige naam Josephus Albertus Alberdingk Thijm
Geboren 10 aug 1820
Overleden 17 mrt 1889
Beroep dichter, schrijver, hoogleraar, politicus, literatuurcriticus
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur
Buste van Alberdingk Thijm door Hein Maessen in de Statenpassage

Josephus Albertus (Joseph of Jozef) Alberdingk Thijm (Amsterdam, 13 augustus 1820 – aldaar, 17 maart 1889) was een Nederlands katholiek schrijver van gedichten en historische novellen.

Levensloop[bewerken]

Alberdingk Thijm was de oudste zoon van een Amsterdamse zakenman. Toen hij veertien werd, plaatste zijn vader hem in een zaak van koloniale voedingswaren. In 1863 nam hij de drukkerij Van Langenhoven over, wat hem de mogelijkheid bood om op grotere schaal zijn ideeën en overtuigingen te verspreiden.

Hij was gehuwd met Wilhelmina Anna Sophia Kerst. Zij hadden vijf kinderen: Jan, Catharina, Frank, Karel (Lodewijk van Deyssel) en de jong overleden Maria. Historicus Paul Alberdingk Thijm was de broer van Joseph.

Alberdingk Thijm werd in 1876 hoogleraar aan de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten te Amsterdam in esthetiek en kunstgeschiedenis. Zijn artikelen over de gotiek waren van grote invloed op de jonge architect Pierre Cuypers (die in 1859 met Thijms zuster Antoinette trouwde) en op de opkomst van de neogotiek in Nederland. In 1860 adviseerde Thijm bij de restauratie van het Praalgraf van Engelbrecht I van Nassau in Breda.

Hij nam een prominente positie in het katholieke leven van zijn dagen in.

Thijm en België en Vlaanderen[bewerken]

Thijm had eigenlijk geen hoge pet op met België en de Belgen. Toch hield hij vele contacten met onder meer de Franstaligen Joseph Kervyn de Lettenhove en Prosper de Hauleville en met de actieve Vlamingen Jan-Baptist David, Ferdinand Snellaert, Prudens Van Duyse en Karel Stallaert.[2]

Hij onderhield ook goede contacten met James Weale en met Guido Gezelle. Hij werd, samen met Gezelle, in 1887 uitgeroepen tot eredoctor aan de Katholieke Universiteit Leuven.

Zijn belangstelling voor Vlaanderen kwam onder meer tot uiting in de Dietsche Warande, het tijdschrift dat Thijm in 1855 oprichtte, en in de Volks-Almanak voor Nederlandsche Katholieken, die hij vanaf 1852 samen met Herman van Nouhuys (1821-1853) uitgaf.

Werken[bewerken]

Zijn belangrijkste werken zijn:

  • Portretten van Joost van den Vondel
  • De Heilige Linie
  • Kerstliederen
  • Palet en Harp
  • Karolingsche Verhalen
  • De organist van de Dom

Vernoemingen[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • L. VAN DEN BROEKE, Jos. A. Alberdingk Thijm Bij Het Eeuwfeest Zijner Geboorte Herdacht in Zijn Sterfhuis, [Amsterdam], 1920. (Rede uitgesproken te Amsterdam 31 maart 1920 in het sterfhuis, het gebouw der Gonzaga-vereeniging, N.Z. Voorburgwal 161.)
  • Michel VAN DER PLAS, Mijnheer Gezelle, Tielt, 1991.
  • P. A. M. GEURTS e.a., J. A. Alberdingk Thijm. Erflater van de negentiende eeuw, 1992.
  • Michel VAN DER PLAS, Vader Thijm. Biografie van een koopman-schrijver, Baarn, 1995.
  • Jan DE MAEYER, Jozef Albderdingk Thijm, in: Nieuwe encyclopedie van de Vlaamse Beweging, Tielt, 1998.