Joseph Süß Oppenheimer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Joseph Süß Oppenheimer

Joseph Ben Issachar Süßkind (Süsskind) Oppenheimer (verkorte vorm Joseph Süß (Süss) Oppenheimer; Heidelberg, 12 februari 1698Stuttgart, 5 februari 1738), bijgenaamd Jud Süß (of Jud Süss), was een Joods bankier in Stuttgart en financieel raadgever van hertog Karel Alexander van Württemberg. Hij was de neef en stiefzoon van van de bankier Samuel Oppenheimer die diplomaat en shtadlan was van keizer Leopold I.

Veroordeling van Joseph Süß Oppenheimer, 1738

Als financieel raadgever van Karel Alexander van Württemberg verwierf Oppenheimer een belangrijke positie aan het hof. Hij stelde een hertogelijk monopolie in op de handel in zout, leder, tabak en likeur en richtte een bank en een porseleinfabriek op. Hierbij maakte hij zich vele vijanden, die hem ervan beschuldigden betrokken te zijn bij plaatselijke speelhuizen. Na de dood van zijn beschermheer Karel Alexander in 1737 werd Oppenheimer gearresteerd en beschuldigd van verschillende zaken, waaronder fraude, verraad, onzedelijke betrekkingen met de hofdames, omkoping en pogingen om het katholicisme weer in te voeren. Tevergeefs poogde de Joodse gemeenschap hem vrij te kopen. Onder marteling bekende Oppenheimer de hem ten laste gelegde misdrijven. Hij weigerde echter om zich te bekeren tot het christendom. Joseph Süß Oppenheimer werd naar de galg gebracht in 1738, kreeg daar een laatste kans om zich te bekeren, maar weigerde opnieuw en werd opgehangen.

Oppenheimers verhaal was, onder de titel Jud Süß of Jew Süß, het onderwerp van achtereenvolgens een roman uit 1827 van Wilhelm Hauff, een historische roman uit 1925 van Lion Feuchtwanger, een Engelse film uit 1934 met Conrad Veidt en de nazipropaganda-film Jud Süß uit 1940 waarin hij werd gespeeld door Ferdinand Marian.