Kamp Overbroek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kamp Overbroek
Kamp Overbroek
Kamp Overbroek
Ingebruikname 1941
Locatie Kesteren
Coördinaten 51° 55′ NB, 05° 34′ OL
Beheerder Rijksdienst voor de Werkverruiming; NAD
Stationswachterswoning en de kopgevel van het stationsgebouw
Stationswachterswoning en de kopgevel van het stationsgebouw

Kamp Overbroek, gelegen aan de Nieuwe Dijk tussen Ochten en Kesteren, was vanaf 1941 een werkkamp gebouwd in het kader van de Rijksdienst voor de Werkverruiming.

Naam[bewerken]

Kamp Overbroek was gelegen aan de Nieuwe Dijk en de Burgemeester Houtkoperlaan, op een stuk grond dat kadastraal bekend is als gemeente Ochten sectie A 125. Het lag op de grens met de gemeente Kesteren, in een terrein dat Het Overbroek werd genoemd. Tijdens de oorlog viel Ochten onder de gemeente Echteld. Door de bestuurders werd het kamp kamp Ochten[1] genoemd, de bevolking sprak van kamp Overbroek en de bewoners noemden het kamp kamp Kesteren[2][3].

Opbouw[bewerken]

Voor Kamp Overbroek werd op 26 juni 1941 een gedeeltelijke bouwvergunning verleend aan de Rijksdienst voor de Werkverruiming[4]. Het betrof de bouw van een gebouw voor de watervoorziening, een wasgebouw met douches, een toiletgebouw en een berging. Voor de (tijdelijke) houten woongebouwen was gezien de woningwet 1901 geen bouwvergunning nodig. Totaal konden er 192 werklozen in het kamp verblijven. Albertus Sanders uit Ochten werd januari 1942 als nachtwaker aangesteld[5]. Enige maanden later volgde de aanstelling van Johannus Kalfsbeek als kok/beheerder [6]. Aanvankelijk werden er werklozen in het kamp gehuisvest. Waarschijnlijk kwamen de eersten na de komst van Kalfsbeek aan. De bewoners van het kamp moesten helpen bij het slopen van een deel van de Grebbelinie; de Linie Ochten-Spees, Kesteren. Verder werden zij ingezet om de oorlogsschade van 1940 te herstellen.

1rightarrow blue.svg Zie ook: Lijst van rijksmonumenten in Kesteren

Joodse periode[bewerken]

Wachtkamer[bewerken]

Oorspronkelijk zou het kamp na de sloop van de Linie zelf ook gesloopt worden. Maar al vrij snel na ingebruikname bevonden er zich in het kamp nog enkel 127, later 143, Joden, die er zes weken verbleven. Het kamp was toen eigenlijk in gebruik als wachtkamer voor Kamp Westerbork. De Joodse mannen werden in die periode als arbeider ingezet bij graafwerkzaamheden aan de Linie. Op 9 september 1942 werd er gepoogd een kantinebeheerder in het kamp aan te stellen[7]. Deze werd echter niet gevonden. In de nacht van 2 op 3 oktober 1942 (Jom Kipoer) werden alle Joodse mannen uit de werkkampen, zo ook die uit Kamp Overbroek, naar Kamp Westerbork afgevoerd. Hun was wijsgemaakt dat daar gezinshereniging zou plaatsvinden. Het werk wordt beschreven als extreem zwaar en het verblijf als een soort gevangenschap. Het redelijke rantsoen werd na enige tijd aanmerkelijk kleiner, omdat de bezetter het niet nodig vond om voldoende voedsel aan Joden te verstrekken. Het lijkt erg waarschijnlijk dat de gevangenen via Station Kesteren[8] kwamen en gingen.

Joodse arbeiders[bewerken]

In het kamp verbleven Salomon Jonas Heiman Frankenhuis (Haaksbergen, 12 augustus 1887 - Auschwitz, 12 oktober 1942)[9] en Siegfried Franken (Herbern Dld. 1899 - nabij Auschwitz eind 1942) en diens zoon Levie[10]. Verder Erich (1904-1944) en Siegfried (1910-1944) Roozendaal[10] en Wolf Leib Israel Engländer(Hamburg ,1893–werkkamp nabij Auschwitz, 1943).[10] Alsmede Frits Hartz en Hartwich Lievendag (1915))[3] en Iwan Zilversmid.[11]

Van de overige Joodse bewoners is niets bekend.

NAD kamp[bewerken]

Na het vertrek van de joden werd het kamp gebruikt voor het huisvesten van leden van de Nederlandse Arbeidsdienst[12]. Vanaf 1944 werden (gedwongen) arbeiders ingezet om de verdedigingsdijk van de Grebbelinie weer in de oorspronkelijke staat te herstellen[13]. Mogelijk woonden er ook enige Duitse bezetters in die periode. Eind 1944 werd het gebied geïnundeerd.

Na de oorlog[bewerken]

Na de oorlog werd kamp Overbroek onderkomen voor personen die door het oorlogsgeweld hun huis waren kwijtgeraakt. In het begin woonden er ook gezinnen in bijgeplaatste tenten[14]. Vervolgens kwamen er driehonderd vaak Friese arbeiders terecht die werden ingezet voor de wederopbouw van Ochten. In die tijd, 1947, werd het kamp onder toezicht van de Rijksgebouwendienst gerenoveerd en omgebouwd naar 22 woningen met een keuken, een woon- en een slaapkamer. Bekende Nederlandse artiesten traden in die periode in het kamp (vaak gratis) op voor deze groep arbeiders[15]. In 1950 werden Indische Nederlanders, spijtoptanten, in het kamp opgevangen. Vanaf februari 1951[16] verbleven er Molukkers, Ambonezen, in het kamp. Deze 22 gezinnen[17][18] bleven er tot het einde van de jaren zestig wonen. In die periode heette het kamp woonoord Het Overbroek. In 1970 werd het kamp gesloopt. Nu loopt de Betuwelijn door het gebied van het vroegere kamp heen. In het gedeelte tegen de Nieuwe Dijk aan is een tuin.

Literatuur[bewerken]

  • Pinkas, ISBN 9025495133 D 1999/0108/604 NUG 1 641;
  • Besneden en begraven ISBN 90-9005261-5
  • In Betuwse Ballingschap, Arend Datema, Kesteren 2002, ISBN 90-806357-7-4
  • Oord, N. van der Jodenkampen. Uitg. Kok, Kampen, 2003. Blz. 365, ill., lit. opgave, fotoverantwoording.
  • Tabula Batavorum, jaargang 12, nr 3, 1994.
  • J.Presser, Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945, 2 dln, Den Haag 1965, blz 175-202 en 298-304.
  • De Spees, Osenvorenreeks 66, Gemeente en Arend Datema, Kesteren 2000.

Zie ook[bewerken]