Kapucijnapen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kapucijnapen
Witschouderkapucijnaap (Cebus capucinus)
Witschouderkapucijnaap (Cebus capucinus)
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Primates (Primaten)
Familie: Cebidae (Kapucijnapen, doodshoofdaapjes en klauwaapjes)
Onderfamilie: Cebinae (Kapucijnapen)
Geslacht
Cebus
Erxleben, 1777
Typesoort
Simia capucina Linnaeus, 1758
Afbeeldingen Kapucijnapen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Kapucijnapen op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren

De kapucijnapen (Cebus) vormen een geslacht van dagactieve breedneusapen. Ze zijn vernoemd naar de kloosterorde van de kapucijnen, omdat hun gezichtstekening doet denken aan de kappen van deze monniken. De kapucijnapen zijn nauw verwant aan de doodshoofdaapjes (Saimiriinae) en de klauwaapjes (Callithrichinae).

Kenmerken[bewerken]

Kapucijnapen zijn 305 tot 565 millimeter lang, met een staart van 300 tot 560 millimeter. Ze wegen 1100 tot 4300 gram. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. Ook hebben ze grotere hoektanden. Het topje van de staart van de kapucijnaap kan dienen als grijpstaart, en kan het gehele lichaamsgewicht dragen.

Leefwijze[bewerken]

Het zijn boombewonende dagdieren, die zich het liefst laag in de bomen ophouden. Kapucijnapen komen ook regelmatig op de grond om daar voedsel te zoeken. Kapucijnapen eten voornamelijk rijpe vruchten, bessen en insecten, maar kunnen hun dieet aanvullen met allerhande voedsel. Veelvoorkomende aanvullingen op het dieet zijn bloemen, zaden, groene plantendelen, onrijpe vruchten, wortelen, knoppen, scheuten, schors, gom, landbouwgewassen, slakken, spinnen, eieren en jonge vogeltjes. Dieren die meer aan de kust wonen, eten ook oesters en krabben. Sommige kapucijnapen kunnen harde voorwerpen gebruiken om noten open te breken.

Kapucijnapen kunnen in twee groepsvormen voorkomen: kleine harems van één mannetje en één tot drie vrouwtjes, of in grotere groepen bestaande uit zeven tot twintig dieren, waaronder meerdere mannetjes. Eén mannetje is het dominante mannetje, dat het meest met de vrouwtjes in de groep paart. De laatste groepsvorm komt voornamelijk voor in gebieden met hoge bevolkingsdichtheden. Kapucijnapen kunnen bijzonder agressief worden tegen dieren van een andere groep. Soms komen kapucijnapen ook voor in gemengde groepen met doodshoofdaapjes en zelfs slingerapen.

Kapucijnapen worden veelvuldig gehouden als huisdier, ook in Europa en Noord-Amerika. De import van deze dieren is echter tegenwoordig verboden.

Verspreiding[bewerken]

Kapucijnapen komen voor in een groot gedeelte van Latijns-Amerika, van Noord-Argentinië tot Belize en Honduras, van zeeniveau tot een hoogte van 2500 meter. Vooral de bruine kapucijnaap, die voorkomt in bijna geheel Zuid-Amerika ten oosten van de Andes, heeft een groot leefgebied. In sommige gebieden leven meerdere soorten naast elkaar. Kapucijnapen zijn minder kieskeurig over hun leefgebied dan de meeste andere apen van de Nieuwe Wereld, en komen zowel in droge bossen als in regenwoud voor, in mangroves, moerassen, rivierbossen, galerijbossen en in boomsavannes.

Voortplanting[bewerken]

Na een draagtijd van 150 dagen wordt één, bij hoge uitzondering twee jongen geboren. De meeste jongen worden vroeg in het regenseizoen geboren, maar de meeste soorten planten zich het gehele jaar door voort. Kapucijnapen planten zich vrij traag voort, ongeveer één keer in de twee jaar. Vrouwtjes planten zich meestal ook pas voor het eerst voort als ze vijf à zes jaar oud zijn.

Leeftijd[bewerken]

Kapucijnapen worden behoorlijk oud in vergelijking met andere zoogdieren van dezelfde grootte, ongeveer 44 jaar in gevangenschap maar in het wild ongeveer 40 jaar oud. Een witschouderkapucijnaap is 55 jaar oud geworden.

Taxonomie[bewerken]

De leden van de ondergeslacht apella hebben rechtopstaande haren bovenop het hoofd en zijn meestal grijsachtig bruin gekleurd. De leden van de ondergeslacht capucinus hebben deze haren niet, en hebben een donkere vacht met een wit gezicht, keel en/of borst.

Sommige bronnen onderscheiden slechts vier soorten. Cebus libidinosus, C. nigritus en C. xanthosternos worden dan beschouwd als ondersoorten van C. apella, en C. kaapori als een ondersoort van C. olivaceus.