Kasteel van Gellicum

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Kasteel van Gellicum
Kasteel te Gellicum, door Caspar Jacobsz. Philips (eind 18e eeuw)
Locatie Gellicum
Gebouwd in vóór 1326
Gesloopt in 1802
Kasteel en dorp Gellicum, door Hermanus Petrus Schouten (1762 - 1822)

Het kasteel van Gellicum stond in het gelijknamige Nederlandse dorp Gellicum, provincie Gelderland. Afbeeldingen uit de 18e eeuw tonen een omgracht, versterkt kasteel met een voorgevel in renaissancestijl. Van het kasteel is niets bewaard gebleven.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

De oudste vermelding van het kasteel dateert uit 1326: Gellies van Gellinchem werd toen in het Gelderse leenboek genoemd als heer van Gellinchem. Mogelijk was deze Gellies afkomstig uit het geslacht Van Arkel. In 1356 maakte de heer van Gellinchem zijn kasteel tot open huis voor de Gelderse hertog. Het geslacht Van Gellinchem bleef tot 1444 eigenaar van het kasteel.

In 1482 werd kasteel Gellicum gekocht door Johan van Waardenburg. Zijn echtgenote Aleid van Heukelum was al in bezit van het nabijgelegen Huis te Rumpt en zo kwamen door vererving in 1550 de twee kastelen en bijbehorende heerlijkheden in handen van Thomas van Scherpenzeel.

Het kasteel van Gellicum was in 1527 overigens nog betrokken geraakt bij de strijd tussen de bisschop van Utrecht en de hertog van Gelre. Utrechtse troepen trokken plunderend door Gelderland en bedreigden de burcht van Rhenoy. Hertog Karel van Gelre stuurde extra manschappen naar het kasteel Gellicum. Aanvankelijk had het optreden tegen de plunderaars succes, maar toen de Gelderse soldaten de lichamen van de gesneuvelde vijanden verminkten en aan muren en kerktorens opknoopten, namen de Utrechtse troepen wraak door het dorp Gellicum uit te moorden. Ook het kasteel werd belegerd. Een van de verdedigers van het kasteel was Otto van Scherpenzeel, die tijdens de belegering sneuvelde. Uiteindelijk werd het kasteel ingenomen en de volledige bezetting werd door de Utrechters omgebracht. Otto's broer Thomas richtte in 1555 een herdenkingskruis voor hem op nabij het Huis te Rumpt.

In 1553 verkocht Thomas het kasteel van Gellicum aan Johanna Scheiffart van Merode. In 1626 werd Alexander Tengnagell beleend met het huis, waarna deze familie het tot eind 18e eeuw in bezit hield. Rond 1750 vond nog een verbouwing van het kasteel plaats.

Eind 18e eeuw werd het kasteel door de Tengnagells verhuurd. Het bouwwerk was in slechte staat en uiteindelijk werd het in 1800 geveild en voor afbraak verkocht. In 1802 werd het kasteel daadwerkelijk gesloopt en de bijbehorende gronden verdeeld over diverse eigenaren.

In 1898 werd op de voormalige kasteellocatie de pastorie van de katholieke kerk gebouwd.