Keltisch christendom

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search

Het Keltische christendom (ook wel Iers christendom, Insulair Christendom, Eilandchristendom of Iro-Schotse Kerk) is een religieuze praktijk die in de eerste eeuwen na Christus ontstaan is op de Britse eilanden en Ierland. Deze geïsoleerde of insulaire vorm van christendom is, met vele van zijn gebruiken, blijven bestaan tot in de 12e eeuw. In 1172, bij de synode van Cashel (County Tipperary), werd de Romeinse ritus aan de Keltische gebieden opgelegd door koning Hendrik II van Engeland.

Moderne historici wijzen op het feit, dat er geen inhoudelijk theologische tegenstelling bestond tussen de Keltische christenen en de Heilige Stoel, maar dat de gewoonten, liturgische gebruiken en kerkstructuur wel degelijk verschillend waren. Desondanks behoorde het insulaire Keltische christendom wel degelijk tot de Westerse of Latijnse Kerk en erkende de paus van Rome. Mogelijk is in de Late Oudheid en vanaf de Vroege Middeleeuwen onder de heiligen Columba van Iona en Patricius (Saint Patrick) de eigen identiteit van het Keltisch christendom gegroeid. Gekerstende Noormannen en Angelsaksen legden in de Hoge Middeleeuwen steeds vaker de Romeinse ritus en continentale kerkelijke gebruiken op zoals deze in het Frankische Rijk en Normandië gebruikelijk waren geweest.

De legende[bewerken]

Jozef van Arimathea zou, reeds ten tijde van Jezus Christus, handelscontacten gehad hebben met Cornwall, vanwaar hij tin importeerde in Palestina. Na de dood van Christus zou hij, met een aantal getrouwen, geëmigreerd zijn naar Glastonbury in Engeland, waar hij een kerk bouwde. Hieruit zou een christendom zijn ontstaan, met een eigen structuur. Abten, rondtrekkende bisschoppen en pastoors vormden een Keltisch monnikendom dat in de vroege Middeleeuwen grotendeels zonder doorlopende contacten met de Romeinse Stoel de gelovigen op de eilanden van de sacramenten bediende.

De Keltische monniken namen de tonsuur van de vroegere Keltische druïden over. Hierbij werd de voorkant van het haar van oor tot oor kaal geschoren, terwijl de haren op het achterhoofd lang werden gelaten.

De geschiedenis[bewerken]

Er zijn op dit ogenblik geen historische bronnen gevonden over het ontstaan van een christendom in Ierland en Britannia tijdens de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling. Nochtans vermeldt Tertullianus in zijn geschrift Adversus Iudaeos: "Cui etenim crediderunt gentes, (--) et Galliarum diversae nationes et Britannorum inaccessa Romanis loca Christo vero subdita etc" (In wie de volken hebben geloofd, (--)en verscheidene volkeren van Gallië en de Britse contreien, onbereikbaar voor de Romeinen, maar waarachtig onderworpen aan Christus enz).[1] Origenes spreekt in zijn Homilies verschillende malen over Christenen in Britannia. Zie: Hugh Williams "Christianity in early Britain", Oxford 1912.

Vroeg-Britse kerk[bewerken]

De Vroeg-Britse kerk ontstond eind 2e en begin 3e eeuw onder de Keltische bevolking van Brittannië binnen het Romeinse Rijk. De noordgrens lag bij de muur van Hadrianus. Uit het gebied van Strathclyde, ten noorden van de Hadriaanse Muur, kwam Ninian, die in 398 een klooster stichtte met de naam Candida Casa in Whithorn. Ninian droeg zijn klooster op aan Martinus van Tours, die zelf in 360 in Liguge in Gallië het eerste klooster van West-Europa had gesticht. Candida Casa werd een belangrijk opleidingscentrum, waar ook veel Ierse monniken naar toe kwamen. Toen het christendom staatsgodsdienst werd in het Romeinse Rijk, ontstond een Vroeg-Britse kerk met een organisatie naar Romeins voorbeeld. Begin 5e eeuw vluchtten Gallische monniken voor vervolging naar de Britse eilanden en brachten principes van het kloosterleven mee. Monniken uit Tours zouden het eerste klooster in Wales hebben gesticht. Mogelijk kwam ook Illtyd, een belangrijke heilige van Wales en stichter van het klooster Llantwit Major aan de Glamorgische kust, uit Gallië.

Pelagius[bewerken]

De eerste en bekendste 'Keltische theoloog' was Pelagius (ca. 350 - ca. 418), die 'ongelukkigerwijs en vrijwel zeker ook onterecht' bekend geworden is als grondlegger van een 'dwaalleer'.[2] Pelagius kwam in conflict met Augustinus van Hippo, werd door paus Innocentius I in de ban gedaan en door Hiëronymus beschreven als 'een bijzonder stompzinnig iemand, die zich heeft volgegeten met Ierse pap'.[3]

Pelagius geloofde in de 'vrije wil' van de mens, terwijl Augustinus uitging van 'determinisme', de gedachte van 'predestinatie', waarbij God al vastgesteld had dat sommige mensen gered zouden worden en anderen niet. Pelagius vond dat verwerpelijk en onaanvaardbaar. Bovendien legde Augustinus de nadruk op de 'zondeval', waarbij de 'erfzonde' als 'een of andere universele erfelijke ziekte doorgegeven wordt'. Een doop van een pasgeboren baby moest er zorg voor dragen dat het kind bij overlijden niet naar de hel zou gaan. Pelagius zag de doop liever als 'teken en zegel' van Gods genadige liefde. De gedachte van de verdorvenheid van de mensheid vond Pelagius niet te rijmen met het hele begrip van God als liefhebbende Schepper. Volgens Augustinus was 'Gods genade' niet voor iedereen weggelegd, terwijl Pelagius stelde dat het tot de vrije beschikking van allen stond en door iedereen kon worden aangenomen. Kortom, Pelagius had een positievere en gunstiger kijk op de menselijke natuur.

In Rome heeft Pelagius gepreekt tegen het kwaad, dat uit toegenomen luxe en genotzuchtige levensstijl voortkwam en voor de hervorming van morele normen. Mogelijk voelden de autoriteiten zich niet door zijn theologie, maar door deze activiteiten ongemakkelijk.[4] In 431 werd Palladius door Rome gestuurd om de Keltische christenen van 'pelagiaanse invloeden' te zuiveren, met weinig succes. Op het Britse hoofdeiland waren enthousiaste pelagianen. Germanus van Auxerre werd tot tweemaal toe door de paus naar hen toe gestuurd, maar ook hij boekte weinig resultaat. Volgens Gildas leefde in de 6e eeuw het pelagianisme nog sterk onder het volk van Wales.[5]

Na het jaar 410[bewerken]

De Vroeg-Britse kerk werd uitgebouwd tot 410, toen het Romeinse leger zich uit Britannia terugtrok. De leegte, die de legioenen achterlieten werd opgevuld door onbekeerde, Germaanse volkeren: Angelen en Jutten uit Zuid-Scandinavië en Frisii en Saksen uit kustgebieden langs de Noordzee. De gekerstende Kelten werden door hen naar Wales en Cornwall verdreven, waar ze geen directe verbanden met Rome meer hadden en hun eigen weg gingen.

Tussen eind 2e en eind 6e eeuw zijn er zestien bisschoppen van Londen geweest. De dertiende bisschop, Guidelinus, speelt een belangrijke rol in de Historia regum Britanniae (ca. 1135) van Geoffrey van Monmouth:[6] Aartsbisschop Guidelinus vroeg Constantijn, de broer van de koning van Bretagne, om koning van de Britten te worden. Een van Constantijns drie zonen was, volgens Monmouth, Uther Pendragon en zijn kleinzoon de legendarische koning Arthur. Constantijns oudere zonen waren Constans en Aurelius Ambrosius. Bede (672/3-735) had Constans eerder een monnik genoemd, die door Constantijn tot Caesar werd verheven.[7]. Constans, volgens Monmouth, monnik in de Kerk van Amphybalus in Winchester, volgde zijn vader Constantijn als Britse koning op, maar werd door Picten op aandringen van Vortigern vermoord. Vortigern haalde vervolgens de Germaanse aanvoerders Hengest en Horsa binnen.

Missionarissen van de Vroeg-Britse kerk gingen in Schotland en Ierland prediken. Patrick (ca. 390 - 461) is de bekendste onder hen. Hij was van Romeins-Britse komaf. Zijn vader was deken in de katholieke kerk en landeigenaar. Gevangengenomen op zestien-jarige leeftijd bracht hij zes jaar door als slaaf in Noordwest-Ierland. Hij ontsnapte en trok later als missiebisschop, na omzwervingen door Europa, rond 431 naar Ierland. Hij wist er in de laatste dertig jaar van zijn leven een nationale kerk te stichten, bestaande uit bisdommen met een centrum in Armagh. Toch was binnen een generatie na zijn dood de Ierse kerk anders georganiseerd, met kloosters in plaats van parochies en abten die belangrijker waren dan bisschoppen.[8]

Iers-Schotse kerk[bewerken]

Er ontstond een 'Iers-Schotse kerk', die zich duidelijk onderscheidde van de Vroeg-Britse kerk, die, in het begin, op Rome was georiënteerd. In Ierland en Schotland kwam geen kerkelijke organisatie naar Rooms voorbeeld, er kwamen geen kerkprovincies en bisschoppen, die het Roomse gezag vertegenwoordigden. Kloosters namen er een centrale rol in. De abt was het hoofd van het klooster. Naast missiepost groeide het klooster uit tot centrum van cultuur en wetenschap. Gedurende de 6e en 7e eeuw ontstond het ene na het andere Ierse klooster: Monasterboice bij Drogheda, ca. 500 door Buite gesticht; Clonard, ca. 520 door Finnian; Derry, in 521 door Columba; Clonfert in Galway door Brandaan; Lismore door Carthach; Clonmacnoise door Ciaran; Bangor door Comgall en Kildare door abdis Brigid.

Ook deze kerk sloeg een eigen weg in, gekenmerkt door een streng, ascetisch bestaan van de kloosterlingen. Daar vloeide de peregrinatio pro Christo uit voort, 'de zwerftocht voor Christus': kiezen voor een leven tussen 'vreemdelingen' (vreemdelingschap). Ze kenden het 'rode martelaarschap' (martelaarsdood) en 'witte martelaarschap' (levenslange ascese binnen kloostermuren).

Sint Brandaan reisde naar Iona, West-Schotland, Zuidwest-Brittannië, Bretagne en volgens een epos uit de 9e eeuw naar Groenland, de Azoren of het Noord-Amerikaanse vasteland. Columbanus trok met twaalf monniken naar het Frankrijk van de Merovingers en stichtte zijn eerste klooster in Annegray in de Vogezen, waar hij een tempelruïne van Diana tot een kerk herbouwde. Hij zette kloosters op bij Luxeuil, Fontaine en in Metz en Bregenz. In Noord-Italië stichtte Columbanus in 614 een klooster in Bobbio, dat een van de grootste in Italië zou worden. Ierse monniken drongen door tot in Wenen, Polen (Ierse manuscripten zijn opgedoken in Warschau), Roemenië in het oosten, Hamburg in het noorden en Taranto in het zuiden van Italië.

De reis van Columba bracht hem op het kleine eiland Iona, wat een van de grootste zendingsgemeenschappen van de Keltische kerk zou worden en een van de belangrijkste centra van cultuur en wetenschap. Het klooster werd gebouwd op de plaats van een oude druïde-tempel, na de Pictische koning Brude om toestemming te hebben gevraagd. Hiervandaan brachten missionarissen het evangelie in het grootste deel van Schotland en Noord-Engeland. In die tijd, toen Columba op Iona aankwam, immigreerden Ierse kolonisten naar West-Schotland, dat ze Dalriada noemden.

In 632 stuurde de abt van Iona de missionaris Aidan naar het hof van Oswald, de nieuwe koning van Northumbria, om op diens verzoek zijn volk te bekeren. Tijdens zijn verbanningstijd was prins Oswald op Iona gastvrij ontvangen, christen geworden en gedoopt, nadat zijn vader in 617 van de troon was gestoten. Aidan koos het eiland Lindisfarne als basis voor zijn zendingspost. Van hieruit kerstende Chad een groot deel van het koninkrijk Mercia in Engeland van de Sassenachs, zoals de heidense Angelen en Saksen door de Kelten werden genoemd. Zijn broer Cedd stichtte kloosters in Tilbury en Bradwell-on-Sea. Ook in het noorden van Engeland, in Lastingham en Whitby werden dochterkloosters van Lindisfarne gesticht.

Samson en Gildas waren leerlingen van Illtyd. Gildas was de belangrijkste kroniekschrijver van de Keltische kerk in Wales. Hij stichtte een klooster in Rhuys in Brittannië.

De afstand tot de kerk van Rome werd groter. De Iers-Schotse- of Keltische kerk berekende haar eigen Paas-data en wees de tonsuur (kruinschering) af. Soms was er een verschil van vier weken tussen beide Paasfeesten. De kloosterlingen van de Iers-Schotse kerk hadden een 'voorhoofdsschering' en lange haardracht, naar het voorbeeld van de druïden.[9] De Keltische kerk kende vrouwelijke eucharistiedienaren, die de kelk rondbrachten en gehuwde geestelijken.

Tussen Keltische en Rooms-katholieke missionarissen deden zich in de 7e eeuw in Engeland ook spanningen voor uit territoriale rivaliteit. Er bestond ook een meer fundamentele onverenigbaarheid. Ze zagen de kerk op een verschillende manier. De Kelten zagen de kerk in termen van weinig gestructureerde kloostergemeenten, omdat hun wereld uit verspreid liggende plattelandsgemeenten bestond met een lange traditie van migratie. Hun bisschoppen en priesters waren meer rondtrekkende evangelisten, dan gevestigde pastores met geestelijke en bestuurlijke functies. Rooms-katholieke missionarissen kwamen uit een meer verstedelijkte en gevestigde wereld van de Romeinse samenleving, benadrukten organisatie en stabiliteit en zagen de kerk als een administratief lichaam.[10]

Angelsaksische kerk[bewerken]

De Angelsaksische kerk kwam op toen abt Augustinus van Rome, in opdracht van paus Gregorius de Grote met 40 volgelingen in 596 op het eiland Thanet, aan de zuidkust van Kent, landde. Het kwam spoedig tot de kerstening van Angelsaksische vorsten en er ontstond een op Rome georiënteerde Angelsaksische kerk met een organisatie naar Rooms model, voortgebouwd op de fundamenten van de Vroeg-Britse kerk. Kloosters hadden geen centrale rol en de regels van Benedictus werden er gevolgd. Tegenover de peregrinatio kwam de stabilitas loci (standvastigheid van plaats). Door de groei van de Angelsaksische kerk kwam het tot een botsing met de Iers-Schotse kerk. De controverse werd in 664 op een kerkvergadering in Whitby, aan de Engelse oostkust, in het voordeel van de Angelsaksische kerk beslecht.

Met name de Angelsaksische missionaris Egbert van het Ierse klooster Rathmelsigi was verantwoordelijk voor de evangelisering van Frisia. Zowel Wigbert, Adalbert als Willibrord kwamen uit het klooster waar hij abt was.

Het Angelsaksische christendom kwam voort uit de Vroeg-Britse-, Iers-Schotse- en Angelsaksische kerk.

Andere bronnen[bewerken]

Keltische kloosters[bewerken]

Het Keltische christendom ontwikkelde zich vooral door het stichten van kloosters. Deze kloosters waren zelfvoorzienende leefgemeenschappen. Aan het hoofd stond een abt of abdis. Voorbeelden van Ierse plaatsen met kloosters:

Deze kloosters speelden een belangrijke rol in de ontwikkeling van landbouw en veeteelt, als scriptorium en als onderwijsinstelling.

Vele kloosters namen de regel van Sint-Columba aan.

Bekende personen[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Otten, D. (2014), Hoe God verscheen in Friesland, Deventer Universitaire Pers, pp 16-19
  • Bradley, I. (1993), Keltische spiritualiteit, vertaling J.v.d.Vlist, Uitgeverij Meinema, Zoetermeer, 2005, ISBN 9789021136714

Externe links[bewerken]