John Maynard Keynes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Keynes)
Ga naar: navigatie, zoeken
John Maynard Keynes
Foto van John Maynard Keynes uit 1933.
Foto van John Maynard Keynes uit 1933.
Persoonsgegevens
Geboren Cambridge, 5 juni 1883
Overleden Firle, East Sussex, 21 april 1946
Land Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk
Functie Econoom
Portaal  Portaalicoon   Filosofie
Economie

John Maynard Keynes (Cambridge, 5 juni 1883Firle, East Sussex, 21 april 1946) was een Brits econoom. Hij is vooral bekend geworden door het in 1936 verschenen boek The General Theory of Employment, Interest and Money (De algemene theorie over werkgelegenheid, rente en geld), waarmee hij de grondlegger zou worden van het naar de vernoemde keynesiaanse economie. De General Theory gold zo'n dertig jaar, vanaf kort na het verschijnen tot eind jaren zestig, als de grondslag van de macro-economie en indirect van het economisch beleid in de meeste westerse landen. Vanaf de jaren zeventig boette zijn werk aan populariteit in. Onder invloed van de in 2007 ontstane kredietcrisis leefde de belangstelling voor zijn werk aan het begin van de 21e eeuw weer op.

Levensloop[bewerken]

Keynes' vader, John Neville Keynes, was eveneens econoom en zijn moeder was een voorvechtster van vrouwenrechten. Keynes had al op jonge leeftijd de neiging om zijn wil aan andere mensen op te leggen. Op de lagere school had hij al iemand in dienst om zijn boeken te dragen in ruil voor hulp bij huiswerk. Ook had hij een contract met iemand aan wie hij een hekel had: deze persoon moest vijftien meter bij hem vandaan blijven in ruil voor de bezorging van een bibliotheekboek per week. Na de exclusieve kostschool Eton College bezocht te hebben, studeerde Keynes aan de Universiteit van Cambridge. Hij studeerde aanvankelijk wiskunde en filosofie aan King's College. Pas later ging hij economie studeren. Vanaf zijn eerste jaar in Cambridge maakte hij deel uit van de Cambridge Apostles.

Als jonge man was Keynes een vooraanstaand lid van de Bloomsburygroep, Engelands 'avant-garde' van intellectuelen en kunstenaars. In 1921 werd hij verliefd op de Russische ballerina Lydia Lopokova, een van de sterren van de Sergei Diaghilevs Ballets Russes. Tijdens de eerste jaren van hun hofmakerij onderhield Keynes, naast die met Lopokova, tevens een affaire met een jongere man, Sebastian Sprott. Op den duur koos hij echter voor een exclusieve relatie met Lopokova.[1][2] In 1925 traden de twee in het huwelijk. Lopokova werd in 1927 zwanger, maar kreeg een miskraam; het echtpaar zou kinderloos blijven.[3]

Keynes vergaarde in de jaren twintig een groot vermogen dankzij slimme beleggingen in buitenlandse valuta. Als gevolg van de beurskrach van 1929, die hij niet had voorzien, ging hij vrijwel failliet; alleen door steun van zijn vader en van vrienden wist hij financieel overeind te blijven. Spoedig wist hij zijn verliezen weer terug te verdienen.

Keynes bouwde een omvangrijke kunstverzameling op. Hij had onder andere werken van Paul Cezanne, Edgar Degas, Amedeo Modigliani, Georges Braque, Pablo Picasso en Georges Seurat in bezit. Daaronder waren ook enige belangrijke werken, waarvan sommige nu te zien zijn in het Fitzwilliam Museum in Cambridge.

Werk en carrière[bewerken]

In 1907 werd hij ambtenaar bij het ministerie van Koloniën, al was hij liever bij de spoorwegen gegaan. Hij werkte toen al aan een boek over waarschijnlijkheidsrekening. Hij werd hoofdredacteur van het invloedrijke Britse economische tijdschrift The Economic Journal in 1911. In 1913 publiceerde hij het boek Indian Currency and Finance. Hij keerde terug naar Cambridge als docent.

Eerste Wereldoorlog[bewerken]

De Britse regering deed vlak voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog een beroep op de expertise van Keynes. Hoewel hij in 1914 formeel niet opnieuw in dienst van de overheid trad, reisde Keynes een paar dagen voordat de vijandelijkheden zouden uitbreken op verzoek van de regering naar Londen. De Londense bankiers drongen er sterk bij de regering op aan om specie-betalingen - dat wil zeggen de convertibiliteit van bankbiljetten in goud - op te schorten, maar met Keynes' hulp kon men minister van Financiën (toen Lloyd George) ervan overtuigen dat dit een slecht idee was; het zou de toekomstige reputatie van de City schaden als de betalingen werden opgeschort voordat dit absoluut noodzakelijk was.

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog weigerde Keynes actieve dienst. Wel bekleedde hij een post bij het ministerie van Financiën. Op die post heeft hij volgens sommigen veel bijgedragen aan de oorlogsinspanning.

Vrede van Versailles[bewerken]

Aan het eind van deze oorlog was Keynes aanwezig als topambtenaar bij de vredesconferentie van Versailles. Hij nam ontslag omdat hij het niet eens was met wat werd besproken op die conferentie. Hij schreef hierover het boek The Economic Consequences of the Peace. Volgens Keynes stond in Versailles niet het herstel van Europa voorop, maar een politieke wraakactie die een grotere oorlog zou uitlokken. Hij voorspelde ook dat de herstelbetalingen die Duitsland waren opgelegd de Duitse economie zouden ruïneren. Zijn gelijk werd bevestigd door de Duitse hyperinflatie en door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

A Treatise on Probability[bewerken]

Keynes had zijn A Treatise on Probability al voor de oorlog voltooid, maar dit werk pas in 1921 gepubliceerd.[4] Het werk was een opmerkelijke bijdrage aan de filosofische en wiskundige onderbouwing van de kansrekening. Keynes poneerde de opvatting dat kansen niet meer, maar ook niet minder waren dan waarheidswaarden, halfweg waarheid en onwaarheid. Keynes ontwikkelde in de hoofdstukken 15 en 17 van dit boek de eerste boven-ondergrens-probabilistische intervalbenadering van waarschijnlijkheid. In hoofdstuk 26 ontwikkelde hij de eerste beslissingsgewicht benadering met zijn conventionele coëfficiënt voor risico's en gewichten, c.

Journalistiek werk[bewerken]

Naast zijn academische werk was Keynes in de jaren twintig actief als journalist. Hij verkocht zijn werk internationaal en werkte in Londen als financieel consultant.

Treatise on Money[bewerken]

Keynes viel de naoorlogse deflatiepolitiek aan. In 1923 verscheen van zijn hand A Tract on Monetary Reform.[4] Hierin verwoordde hij zijn overtuiging dat landen zich op de stabiliteit van de binnenlandse prijzen moesten richten, deflatie moest als het even kon vermeden worden, zelfs als dit devaluatie van de munt zou betekenen. Groot-Brittannië had het grootste deel van de jaren twintig te lijden onder hoge werkloosheid, wat Keynes er toe verleidde om devaluatie van het Britse pond aan te bevelen om zo de Britse export betaalbaarder te maken voor buitenlanders, waardoor de werkgelegenheid zou worden gestimuleerd. Vanaf 1924 pleitte hij ook voor een fiscale reactie; de regering zou banen kunnen creëren door de uitgaven voor openbare werken te verhogen.[4] Tijdens de jaren 1920 hadden Keynes' aanbevelingen maar een beperkt effect op politieke beleidsmakers en de mainstream van de academische opinie - volgens Hyman Minsky was een van de redenen hiervoor dat de theoretische onderbouwing van zijn aanbevelingen op dat moment nog wat "ondoorzichtig" was.[5]

In de Tract pleitte Keynes ook voor een einde aan de goudstandaard. Keynes adviseerde dat het niet langer een netto voordeel voor landen zoals Groot-Brittannië was om deel te nemen aan de goudstandaard, omdat deelname op gespannen voet stond met de behoefte aan binnenlandse politieke autonomie. De goudstandaard kon landen dwingen om een deflatoir beleid te voeren op precies het moment dat expansieve maatregelen vereist waren om een stijgende werkloosheid te bestrijden. Het ministerie van Financiën (Treasury) en de Bank van Engeland stonden nog steeds achter de goudstandaard en in 1925 waren zij in staat om de toenmalige minister van Financiën Winston Churchill van hun ideeën te overtuigen, wat een drukkend effect op de Britse industrie had. Keynes reageerde hierop door het schrijven van The Economic Consequences of Mr. Churchill. Hij bleef tegen de gouden standaard ageren tot Groot-Brittannië deze uiteindelijk in 1931 verliet.[4]

In 1930 publiceerde hij het boek The Treatise on Money. In dat werk besprak hij het afwisselen van oplevende en afnemende bedrijvigheid.

General Theory of Employment, Interest and Money[bewerken]

In 1936 verscheen zijn boek General Theory of Employment, Interest and Money. Dit boek zou standaardlectuur worden voor economen in de decennia van 1945 tot in de jaren tachtig. Tot het schrijven ervan werd hij gebracht door de grote crisis in de jaren dertig. Het maakte hem tot een van de invloedrijkste economen van de twintigste eeuw. Keynes legde de nadruk op de vraagkant van de economie. Hij stelde daarnaast dat een overheid moet investeren in de economie om hiermee herstel te stimuleren. Als de overheid bijvoorbeeld een groot infrastructureel project opstart, zal dit leiden tot meer banen en een hogere consumptie en daardoor weer tot een hogere productiviteit. Door de investeringen van de overheid kan de vraagkant van de economie worden gestimuleerd, wat positieve gevolgen heeft voor de economie.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Tijdens de Tweede Wereldoorlog betoogde Keynes in How to Pay for the War, gepubliceerd in 1940, dat de oorlog grotendeels moest worden gefinancierd middels hogere belastingen en met name door gedwongen besparingen (werknemers worden verplicht geld aan de overheid te lenen), in plaats van door tekortfinanciering om op die manier inflatie te voorkomen. Verplichte besparingen zouden de binnenlandse vraag dempen en zo helpen in het kanaliseren van extra middelen in de richting van de oorlogsproductie, ook zou het eerlijker zijn dan het heffen van zeer hoge belastingen. Ook zou dit het voordeel hebben om een naoorlogse recessie te voorkomen, wanneer de werknemers na de oorlog weer over hun gedwongen besparingen zouden kunnen beschikken.

In september 1941 werd Keynes voorgedragen voor een ​​vacature binnen de Raad van Bestuur van de Bank van Engeland. Hij werd benoemd en diende vanaf april 1942 een volledige termijn.[6] In juni 1942 werd Keynes tijdens de King's Birthday Honours voor zijn diensten beloond met een erfelijke adellijke titel.[7] Op 7 juli werd zijn titel in het officiële publicatieblad van de Britse overheid bekendgemaakt als "BARON KEYNES van Tilton, in het graafschap Sussex."[8] In de House of Lords nam hij op de banken van de Liberale Partij plaats.

Vanaf het moment dat de geallieerde overwinning zeker leek, was Keynes, als leider van de Britse delegatie en voorzitter van de Wereldbank-commissie nauw betrokken bij onderhandelingen in de zomer van 1944 die uiteindelijk leidden tot het Bretton Woods-systeem. Het Keynes-plan pleitte wat betreft een internationale clearingunie voor een radicaal systeem voor het beheren van de diverse aangesloten valuta's. Hij stelde de instelling van een gemeenschappelijke wereldmunteenheid voor, de Bancor, en ook die van nieuwe mondale instituten - een wereldwijde centrale bank en de Internationale clearingunie. Keynes wilde dat deze instituties het internationale handels- en betalingsverkeer met sterke prikkels voor de landen zouden beheren. Op die wijze zouden aanzienlijke handelstekorten of handelsoverschotten moeten worden voorkomen. De grotere onderhandelingskracht van de Verenigde Staten betekende echter dat de eindresultaten beter aansloten met de meer conservatieve plannen van Harry Dexter White, de Amerikaanse onderhandelaar. Volgens de Amerikaanse econoom Brad DeLong heeft Keynes op bijna elk punt, waar hij door de Amerikanen werd overruled, achteraf door de loop der gebeurtenissen gelijk gekregen.[9]

Deze twee nieuwe instituties, die later bekend zijn komen te staan als de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds (IMF), werden als een compromis opgericht dat in de eerste plaats tegemoetkwam aan de Amerikaanse visie. Er zouden geen prikkels voor staten komen om grote handelsoverschotten te voorkomen, in plaats daarvan zouden de lasten om onevenwichtigheden in het handelsverkeer te corrigeren alleen door de tekortlanden gedragen moeten worden. De tekortlanden waren volgens Keynes het minst in staat om de problemen op te lossen zonder economische deprivatie voor hun bevolking te veroorzaken. Toch was Keynes toen hij de definitieve overeenkomst aanvaardde nog steeds tevreden. Hij zei dat als de nieuwe instituties trouw zouden blijven aan hun fundamentele beginselen, "de broederschap aller mensen meer zal worden dan alleen een frase."[10]

Laatste jaren[bewerken]

Aan het eind van zijn leven speelde Keynes nog een rol bij het opstellen van het systeem van Bretton Woods voor het naoorlogse internationale geldstelsel. Keynes was gouverneur van Eton en lid van de Raad van Bestuur van de Bank van Engeland. In 1942 werd hij als Baron Keynes in de adelstand verheven. Hij nam zitting in het Hogerhuis en voerde daar ook geregeld het woord. Hij verkreeg eredoctoraten van de universiteiten van Edinburgh, Parijs (Sorbonne) en van Cambridge.

John Maynard Keynes overleed in 1946 op 62-jarige leeftijd. Hij werd overleefd door zijn ouders, zijn broer en Lydia Lopokova. Hij werd gecremeerd en zijn as verstrooid. Bij zijn dood liet hij een vermogen van £ 500.000 na, (omgerekend naar 2009 zo'n 12 miljoen euro).[11]

Nalatenschap[bewerken]

Het keynesiaanse overwicht, 1939-1979[bewerken]

Vanaf het einde van de Grote Depressie tot het midden van de jaren 1970 was het werk van Keynes de belangrijkste inspiratie voor economische beleidsmakers in Europa, Amerika en een groot deel van de rest van de wereld.[12] Terwijl economen en beleidsmakers vanaf het midden en late jaren 1930 steeds meer overtuigd raakten van Keynes' manier van denken, was het pas na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog dat de overheden op voldoende grote schaal begonnen met het lenen van geld (om militaire uitgaven te betalen) om de werkloosheid te elimineren. Volgens de econoom John Kenneth Galbraith (destijds regeringsfunctionaris belast met het beheersen van de inflatie) was de sterke opleving van de economie als gevolg van de oorlogsuitgaven, "de beste demonstratie van de keynesiaanse ideeën die men zich kon wensen."[13]

De keynesiaanse revolutie werd in de naoorlogse periode geassocieerd met de opkomst in het Westen van het moderne liberalisme.[14] Keynesiaanse ideeën werden zo populair dat sommige wetenschappers op Keynes wezen als de vertegenwoordiger van de idealen van het moderne liberalisme, zoals Adam Smith de idealen van het klassieke liberalisme vertegenwoordigde.[15]

Neokeynesiaanse economie[bewerken]

Het IS-LM-model wordt gebruikt om de effecten van vraagschokken op een economie te analyseren.

In de late jaren 1930 en 1940 probeerden economen (met name John Hicks, Franco Modigliani en Paul Samuelson) de geschriften van Keynes te interpreteren en in termen van formele wiskundige modellen te formaliseren. In een proces dat wordt aangeduid als "de neoklassieke synthese" combineerden zij de keynesiaanse analyse met de neo-klassieke economie. Als resultaat produceerden zij de neokeynesiaanse economie, die de daaropvolgende veertig jaar de hoofdstroom van het macro-economisch denken zou vormen.

Aan het begin van de jaren 1950 werd keynesiaans beleid in bijna de gehele ontwikkelde wereld toegepast en werden soortgelijke maatregelen voor een gemengde economie door vele ontwikkelingslanden gebruikt. Tegen die tijd waren Keynes' opvattingen over de economie de norm geworden aan universiteiten in de hele wereld. Gedurende de jaren 1950 en 1960 genoten de ontwikkelde en opkomende vrije kapitalistische economieën een uitzonderlijk hoge economische groei en lage werkloosheid.

Invloed op het economieonderwijs[bewerken]

Keynes' ideeën worden nog steeds onderwezen en hebben het economische denken drastisch veranderd. Zijn theorie is nog steeds terug te vinden in de meeste HAVO- en VWO-schoolboeken.

Voetnoten[bewerken]

  1. The unlikely Lydia LopokovaThe Telegraph, 25 April 2008, Rupert Christiansen
  2. "The firebird of Gordon Square" Kathryn Hughes, The Guardian, 19 april 2008
  3. Clarke, Peter, Keynes : The Twentieth Century's Most Influential Economist, Bloomsbury, 2009, p. 56–59, 80. ISBN 978-1-4088-0385-1.
  4. a b c d Robert Skidelsky, John Maynard Keynes: 1883–1946: Economist, Philosopher, Statesman, 2003, ISBN 0 330 48878 3, blz. 217–220, 245, 260–265, 283, 342–355, Pan MacMillan Ltd
  5. Hyman Minski, John Maynard Keynes, hfdst. 1, cover, McGraw-Hill Professional, ISBN 9780071593014
  6. London Gazette, issue 35279, blz. 5489, 19 september 1941, London Gazette, issue 35511. blz. 1540, 3 april 1942
  7. London Gazette, issue 35586, blz. 2475, 5 juni 1942
  8. London Gazette, issue 35623, blz. 2987, 7 juli 1942
  9. Review of Robert Skidelsky, John Maynard Keynes: Fighting for Britain 1937–1946. Brad Delong , Berkeley university
  10. Keynes, J.M, The Collected Writings of John Maynard Keynes, London: Macmillan, 1980, p. 103. ISBN 0333107365.
  11. Skidelsky (2003), pp. 520-21, 563, 565.
  12. Fletcher, Gordon, The Keynesian Revolution and Its Critics: Issues of Theory and Policy for the Monetary Production Economy, Palgrave MacMillan, 1989, p. xix–xxi, 88 , 189–191, 234–238, 256–261. ISBN 0-312-45260-8.
  13. Daniel Yergin, William Cran, Commanding Heights, zie hoofdstuk 6 video of transcript, TV documentaire, PBS, US, 2002
  14. Barry Stewart Clark, Political economy: a comparative approach. blz. 101. "Het moderne liberalisme was vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot in de vroege jaren 1970 de dominante ideologie in de westerse landen. Haar aantrekkingskracht berustte niet alleen op het succes van het keynesianisme in het bewerkstelligen van de welvaart gedurende deze periode, maar ook uit de naoorlogse afkeer ten opzichte van enige, zuivere vorm van ideologie."
  15. Alan Wolfe, The Future of Liberalism. blz. 13. "Als Adam Smith de ultieme klassieke liberaal is, vertegenwoordigt de twintigste-eeuwse Britse econoom John Maynard Keynes, wiens ideeën de weg vrijmaakten voor grootschalige openbare werken en een anticyclische economisch politiek met als doel om de op- en neergang van de conjunctuur te verzachten"

Bibliografie[bewerken]

Externe links[bewerken]

Biografieën[bewerken]


Wikiquote Wikiquote heeft een of meer citaten gerelateerd aan John Maynard Keynes.