Keynesiaanse economie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Keynesianisme)
Ga naar: navigatie, zoeken
John Maynard Keynes in 1933.

Het keynesianisme is een economische school gebaseerd op de ideeën van de Engelse econoom John Maynard Keynes (1883-1946). Deze ideeën heeft hij beschreven in zijn boek The General Theory of Employment, Interest and Money (Algemene Theorie van Werkgelegenheid, Interest en Geld), dat hij in 1936 publiceerde als een antwoord op de Grote Depressie die begin jaren 30 uitbrak. Keynes' ideeën, en die van zijn navolgers, boden beleidsrecepten om de effecten van conjunctuurschommelingen op te vangen, werkgelegenheid te scheppen in slechte tijden en zo markteconomieën te stabiliseren.

Varianten van de keynesiaanse economie waren van 1945 tot ca. 1980 de dominante stroming in de economische wetenschap en de inspiratie voor veel economische politiek in de kapitalistische wereld. In de jaren 70 raakte de stroming in verval.

Achtergrond[bewerken]

Tot aan de Grote Depressie was de heersende gedachte dat elke economie in wezen zelfregulerend van aard is, waardoor zaken als werkgelegenheid en uitvoer automatisch optimaal zijn. Deze aanname werd fel bestreden door Keynes, die stelde dat als gevolg van een baisse en de bijbehorende economische krimp onder meer de werkloosheid enorm toenam. Om dit te voorkomen moest de overheid geld lenen en weer uitgeven, personeel voor de publieke sector inhuren en investeren in de publieke infrastructuur. Het geld dat door de overheid wordt uitgegeven, verspreidt zich volgens het keynesianisme weer door de economie als gevolg van de werking van de multiplier.[1] Het keynesianisme bevordert dus een gemengde economie, waarin zowel de overheid alsook de privésector een belangrijke rol speelt.

Het opkomen van het keynesianisme markeerde het einde van de laissez-faire-economie (een economische theorie die ervan uitgaat dat de markten en de privésector op hun eigen houtje moeten opereren, zonder dat de overheid ertussen komt) en leidde tot de verzorgingsstaat zoals wij die nu kennen. In het keynesiaanse denkbeeld zijn economieën grillig en worden ze door de overheid door middel van monetair en fiscaal beleid gestuurd.

Theorie[bewerken]

In Keynes' theorie kunnen de algemene tendensen op macro-economisch niveau het gedrag op micro-economisch niveau van individuen overheersen. In plaats van het economische proces, dat naar ononderbroken verbeteringen van de potentiële output streeft, en waarin de meeste klassieke economen al vanaf 1700 hadden geloofd, beweerde Keynes dat het belang van de gezamenlijke vraag naar goederen van zowel de overheid als de privésector, de drijvende factor van de economie was, vooral tijdens perioden van recessie. Vanuit dit standpunt debiteerde hij dat het overheidsbeleid zou worden gebruikt om de vraag op macro-economisch niveau aan te zwengelen, om hoge werkloosheid en deflatie te kunnen bestrijden, die in de jaren 30 voorkwamen.

Een centrale conclusie van de keynesiaanse economie geeft weer dat er geen sterke automatische tendens bestaat om output en werkgelegenheid verder te doen evolueren om naar een niveau van volledige werkgelegenheid te komen. Dit, dacht Keynes, staat in conflict met de principes van de klassieke economie. Deze volgt de algemene tendens om naar een evenwicht te komen, in een economie die door het streven naar meer winst beheerst wordt. In de neoklassieke economie, die de keynesiaanse macro-economische concepten met een micro-economische grondslag combineert, wordt prijsaanpassing toegepast om de voorwaarden van een algemeen evenwicht te bereiken. Keynes zag dit eerder als een algemene theorie die ofwel volledig, ofwel weinig gebruikmaakt van de beschikbare middelen, terwijl de economie voor de jaren 30 zich enkel concentreerde om volledig gebruik te maken van de middelen die zij ter beschikking had.

Macromodel[bewerken]

Het volgende is een vereenvoudigd keynesiaans macro-economisch model, op basis van Heertje.[2] Variabelen:

  • C, de consumptie van gezinnen
  • I, de investeringen van bedrijven
  • S, de besparingen van gezinnen
  • W, de waarde van het netto nationaal product (productie min afschrijving)
  • Y, het nationaal geldinkomen
  • EV, de effectieve vraag
  • T, de fysieke output
  • P, het prijspeil

Per definitie geldt dat

  • EV = C + I
  • W = P × T
  • Y = C + S

Bij marktevenwicht geldt bovendien dat EV = W.

In de keynesiaanse visie is de effectieve vraag EV de 'motor' van de productie en past W zich daaraan aan via het marktmechanisme. In een tijd van onzekerheid neemt de consumptiequote, de verhouding C/Y, af, omdat gezinnen meer willen sparen. Daardoor daalt echter EV. Als gevolg van deze onderconsumptie raakt de markt uit evenwicht; de productie W wordt naar beneden bijgesteld om een nieuw evenwicht te bereiken. Daardoor stijgt de werkloosheid.

Volgens Keynes kan de overheid op dit moment ingrijpen door de vraag EV kunstmatig te vergroten (extra overheidsuitgaven), en kan de overheid dit doen zonder het risico op inflatie te lopen. Hij ging er namelijk vanuit dat een stijging van de productie W in eerste instantie alleen nieuwe arbeidsplaatsen zou scheppen: een verhoging van de output T met gelijkblijvende P. Pas als T zijn maximale waarde bereikt, die overeenkomt met een situatie van volledige werkgelegenheid, kan een stijging van W alleen de vorm aannemen van een stijging van P, oftewel geldontwaarding.

Schets van de keynesiaanse Phillipscurve: op de x-as de werkloosheid, op de y-as de inflatie. De economie bevindt zich, in theorie, op ieder moment ergens op of in de buurt van deze curve.

Keynes' navolgers in de jaren 60 vervingen de sprong van productieverhoging naar inflatie door een geleidelijker effect, dat beschreven werd door (een variant van) de Phillipscurve. Deze bood beleidsmakers een afweging tussen werkloosheid en inflatie: economisch beleid was in deze visie vooral het vinden van de gewenste positie op deze curve, door meer of minder werkgelegenheid te scheppen vanuit de overheidsbestedingen (overheidsprojecten, fiscaal beleid).

Invloed en ondergang[bewerken]

In de eerste decennia na de Tweede Wereldoorlog waren keynesiaanse ideeën dominant in zowel de academische economie als het economisch beleid van de westerse landen, of deze nu liberaal, conservatief of sociaaldemocratisch geregeerd werden. In de jaren 70 stak echter het fenomeen stagflatie te kop op: hoge inflatie, tegelijk met stagnatie en hoge werkloosheid. Markteconomieën bleken zich niet zo te gedragen als op basis van de Phillipscurve werd voorspeld.

De keynesianen vonden geen antwoord op het raadsel van de stagflatie, dat vrijwel het gehele westen in crisis had gestort. De stroming was intussen gespleten in de nieuwkeynesiaanse en postkeynesiaanse scholen, zodat een intellectueel vacuüm ontstond.[3] In dit vacuüm sprongen de monetaristen, met voorop Milton Friedman, die in 1976 de Nobelprijs economie won omdat hij wel een verklaring voor de afwijking van de Phillipscurve vond. Friedman formuleerde zijn idee van een natuurlijk werkloosheidspercentage en leek, aanvankelijk, van de feiten gelijk te krijgen. De keynesiaanse dominantie in de academische economie was voorbij; de neoklassieke theorie beleefde een terugkeer als centrale verklaring voor de werking van markteconomieën (nu echter vaak gecorrigeerd door keynesiaanse resultaten; zie neoklassieke synthese). Het keynesiaanse tijdperk in het economisch beleid maakte vanaf midden jaren 70 plaats voor het neoliberale tijdperk.

Na de kredietcrisis van 2007 raakte de neoklassieke theorie in diskrediet.[4][5][6][7] In de paar jaar daarop vond een (kortstondige) opleving van keynesiaans denken en beleidsexperimenten plaats.