Kolenbranderschildpad

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Kolenbranderschildpad
Geochelone carbonaria 1.jpg
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Reptilia (Reptielen)
Orde: Testudines (Schildpadden)
Onderorde: Cryptodira (Halsbergers)
Familie: Testudinidae (Landschildpadden)
Geslacht: Chelonoidis
Soort
Chelonoidis carbonarius
Spix, 1824
Afbeeldingen Kolenbranderschildpad op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Kolenbranderschildpad op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Herpetologie

De kolenbranderschildpad[1] (Chelonoidis carbonarius) is een schildpad uit de familie landschildpadden (Testudinidae).

Naam[bewerken]

De soort behoorde eerder tot de geslachten Geochelone en Testudo zodat in de literatuur vaak de verouderde naam wordt gebruikt. De soortnaam carbonarius komt uit het Latijn en betekent letterlijk vertaald 'kolen'; de naam slaat op de vuurrode kleur van de poten. De soortnaam was tot 2014 carbonaria, zodat in veel literatuur de verouderde naam wordt gebruikt.

Verspreiding en habitat[bewerken]

De soort komt voor in grote delen van tropisch Zuid-Amerika; Argentinië, Brazilië, Colombia, Frans-Guyana, Guyana, Nicaragua, Panama, Paraguay, Suriname, Trinidad en Venezuela.[2] De habitat bestaat uit vochtige steppen en graslanden niet ver van stroompjes want de schildpad heeft wel vocht nodig.

Uiterlijke kenmerken[bewerken]

De kolenbranderschildpad heeft een langwerpig, zwart schild met op iedere rugplaat een gele, vage vijfhoek. De schildrand is geel, op de kop en poten zijn onregelmatige, gele vlekken aanwezig. Bij de juveniele dieren zijn de gele vlekken op de kop en schild groter, ze hebben felrode schubben op de poten.[3] De Engelse benaming van deze soort is 'roodvoetschildpad'. De maximale lengte van de carapax of rugschild is 51 centimeter maar veel exemplaren blijven ongeveer 35 tot 40 cm lang.

Levenswijze[bewerken]

De kolenbranderschildpad is hoofdzakelijk vegetarisch en het menu bestaat hoofdzakelijk uit plantendelen en fruit, maar ook aas wordt wel gegeten.

Tijdens de paring kan het mannetje kip-achtige 'toktok' geluiden maken. Het legsel bestaat uit 2 tot 15 bolvormige eieren, die worden ingegraven. Na 5 tot 6 maanden komen ze uit.

Bronvermelding[bewerken]