Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden
Het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden was aanvankelijk gehuisvest in een deel van het gebouw Buitenhof 37
Het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden was aanvankelijk gehuisvest in een deel van het gebouw Buitenhof 37
Opgericht 1816
Locatie Den Haag, Nederland
Type Rijksmuseum
Thema Cultuurgeschiedenis
Overig
Openingsdatum 1816
Sluiting 1883
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur

Het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden was een verzameling van oude voorwerpen, kunstwerken, boeken en manuscripten, die vanaf 1816 in Den Haag werd tentoongesteld, tot de sluiting in 1883. De collectie werd vervolgens verspreid over enkele andere museums, waaronder het Rijksmuseum Amsterdam, het (huidige) Museum Volkenkunde in Leiden en museum De Gevangenpoort in Den Haag.

Voorgeschiedenis[bewerken]

Basis voor het Kabinet was de collectie van de Haagse jurist Jean Theodore Royer (1737-1807)[1], die in de achttiende eeuw een grote verzameling aanlegde van oude kunst, boeken en handschriften. Met name de Chinese taal en cultuur had zijn belangstelling en hij stond in Nederland bekend als een grote China-kenner. Zijn verzameling van voorwerpen van buiten Europa stelde hij in zijn huis in enkele kamers tentoon in een museale opstelling. Zijn weduwe, Johanna Louise van Oldenbarneveld, genaamd Tullingh, liet de verzameling in een legaat na aan Koning Willem I, welk hij in 1816 aanvaardde.[2]

De nalatenschap maakte het mogelijk om een Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden op te richten, als toevoeging aan een aantal andere nieuwe of vernieuwde instellingen, zoals het Koninklijk Kabinet van Schilderijen, de Koninklijke Bibliotheek en het Koninklijk Penningkabinet.[2]

Artikel in de Vlissingsche Courant van 28 mei 1839 met een selectie uit de collectie van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden

Oprichting[bewerken]

In 1816 werd op last van Koning Willem I het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden opgericht. Het zou bestaan tot 1883. In die tijd werd de collectie aanzienlijk uitgebreid. Ook vele voorwerpen die geen Chinese oorsprong hadden werden aangekocht. Aanvankelijk werd het ondergebracht in deel van een pand aan het Buitenhof 37 in Den Haag. Dit pand was in 1766 door stadhouder Willem V aangekocht om zijn verzameling exotische objecten in te huisvesten. In 1821 werd het Kabinet verhuisd naar de benedenverdieping van het net gerestaureerde Mauritshuis.[2]

Rariteitenkabinet van de koning[bewerken]

In 1855 werd de oude rariteitenverzameling van koning Willem III toegevoegd aan het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden. De objecten waren in 1795 door stadhouder Willem V meegenomen toen hij naar Engeland vluchtte. Na het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden was de collectie teruggekeerd naar Den Haag. De verzameling omvatte belangrijke voorwerpen, waaronder gouden sieraden uit Azië, buitgemaakte wapens uit Ceylon, geëmailleerde horloges uit de zeventiende-eeuw en miniaturen uit de verzameling van het Huis Oranje-Nassau. Na terugkomst in Nederland was de verzameling nog aanzienlijk uitgebreid op kosten van Koning Willem I. Een tijdlang was het gehuisvest geweest in een gebouw op het Binnenhof.[3]

Lange Vijverberg 15: Van 1875 tot 1883 was hier het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden gevestigd

Ondergang[bewerken]

In 1875 verhuisde de deelcollectie Vaderlandse Geschiedenis naar het nieuw opgerichte Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst, dat was gevestigd aan de Prinsegracht in Den Haag. Het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden verhuisde datzelfde jaar van het Mauritshuis naar de Lange Vijverberg 15, een kapitaal pand dat uitkijkt over de Hofvijver.[2]

In 1883 sloot het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden haar deuren. De collectie werd verdeeld over meerdere museums. Een deel van de collectie werd toegevoegd aan de collectie van het Rijks Ethnografisch Museum te Leiden, het huidige Museum Volkenkunde. Een groot deel werd aan de collectie van het Rijksmuseum Amsterdam toegevoegd.[4]

In 1883 werd ook het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst gesloten. Het werd in 1887 geherhuisvest in het in 1885 voltooide Rijksmuseumgebouw, waar het nog een tijd functioneerde als afzonderlijk museum, maar uiteindelijk opging in de collectie van het Rijksmuseum Amsterdam. Het grootste deel van de collectie was weliswaar verscheept naar Amsterdam; een klein deel van de collectie, de verzameling oude straf- en martelwerktuigen, eindigde in Museum De Gevangenpoort in Den Haag, dat in 1882 was geopend.[2][3]

Reinier Pieter van de Kasteele, eerste directeur van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden

Museumdirecteuren[bewerken]

Als eerste directeur werd op 9 juli 1816 benoemd de uit Meliskerke afkomstige predikant Reinier Pieter van de Kasteele (1767-1845), die bekend stond als een vurig Oranje-aanhanger.[5][6] Toen hij op 1 juli 1876 zijn functie neerlegde, werd hij werd opgevolgd door zijn zoon Abraham Anne van de Kasteele (1814-1893), die al werkzaam was geweest als zijn onderdirecteur.[7] In de negentiende eeuw heerste er zware kritiek op op het beheer van het Koninklijk Kabinet van Zeldzaamheden (en Rariteiten). De grondlegger van de Nederlandse monumentenzorg Victor de Stuers, noemde het museum in 1873 een “rommel”.[8][3] Na het terugtreden van Van de Kasteele werd in 1876 als waarnemend-directeur benoemd David van der Kellen (1827-1895). Een jaar eerder was hij benoemd als directeur van het Nederlandsch Museum voor Geschiedenis en Kunst.[9][10] Hij was de broer van Johan Philip van der Kellen, die datzelfde jaar was benoemd als eerste directeur van het Rijksprentenkabinet te Amsterdam, welk eveneens zou opgaan in het Rijksmuseum Amsterdam.[3][11]