Koninklijke kruisbooggilde Sint-Joris en Sint-Denijs

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Het begin van de Brugse Koninklijke kruisbooggilde Sint-Joris en Sint-Denijs moet men zoeken in de 13de eeuw. Steden richtten schuttersverenigingen in geval van oorlog. Niet iedereen mocht lid worden van een schuttersgilde. In vele gevallen was dit voorrecht voorbehouden aan de poorters van de stad. De gilde zelf werd genoemd naar Sint Joris de drakendoder en Sint Denijs, de cefalofoor.

De gilde had reeds van het begin een groot aanzien. Zo verkregen ze in 1321 het recht om de kapel van Marie Vrouwe van Eyne en Bremen te gebruiken voor hun missen. In de Heilig-Bloedprocessie, de Ommeghange, liepen de leden van de gilde direct achter het schrijn van het Heilig Bloed.

Maar de gilde werd ook ingezet in oorlogen. In 1382 werden ze ingezet als onderdeel van Franse leger tegen Gent. In 1436 deden ze mee aan het beleg van Kales.

De gilde groeide zo dat ze voor 1400 werd opgesplitst in het Oudhof en Jonghof. Het Jonghof was, zoals de naam het zegt, voor de jongere leden. Het Oudhof omvatte de oudere leden. De beide gilden bleven naast elkaar bestaan tot 1786. Op dat moment was hun militaire rol reeds lang uitgespeeld. Hun enige doel was het beoefenen van het kruisboogschieten.

In 1816 kwam er een eerste splitsing in de gilde. In 1933 was er een tweede splitsing. Enerzijds ontstond er de Koninklijke en Prinselijke gilde Sint-Joris stalen boog. Anderzijds was er de Koninklijke Sint-Joris-en-Sint-Denijsgilde. Mits de eerste gilde in het gildegebouw in Brugge bleef, moest de Sint-Joris en Sint-Denijsgilde op zoek naar een nieuw lokaal voor de schietingen.

Na een aantal omzwervingen vonden ze in 1947 onderdak in de gebouwen van de Filharmonische Maatschappij van Brugge.