Kosovo-oorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Kosovaarse Burgeroorlog
Onderdeel van Oorlogen in Joegoslavië
Kosovo-oorlog
Datum 28 februari 1998 - 11 juni 1999
Locatie Kosovo
Resultaat Resolutie 1244
Casus belli Albanese opstand in Kosovo na vermeende onderdrukking door de Servische regering.
Strijdende partijen
Kosovo Liberation Army UÇK
Gesteund door
Albanian Armed Forces.svg Albanië
NATO flag.svg NAVO
Seal of the Armed Forces of Serbia and Montenegro.jpg Joegoslavië
Gesteund door
Flag of Serbia (1992–2004).svg Servische paramillitairen
Vlag van Rusland Pro-Slavische troepen
Leiders en commandanten
Kosovo Liberation Army Adem Jashari
Kosovo Liberation Army Hashim Thaçi
Kosovo Liberation Army Agim Çeku
Kosovo Liberation Army Ramush Haradinaj
Kosovo Liberation Army Sylejman Selimi
Kosovo Liberation Army Agim Ramadani
Kosovo Liberation Army Zahir Pajaziti
NATO flag.svg Wesley Clark
Seal of the Armed Forces of Serbia and Montenegro.jpg Slobodan Milošević
Seal of the Armed Forces of Serbia and Montenegro.jpg Dragoljub Ojdanić

Seal of the Armed Forces of Serbia and Montenegro.jpg Vlastimir Đorđević
Seal of the Armed Forces of Serbia and Montenegro.jpg Vladimir Lazarević
Seal of the Armed Forces of Serbia and Montenegro.jpg Nebojša Pavković
Flag of Serbia (1992–2004).svg Saša Cvjetan
Flag of Serbia (1992–2004).svg Živko Trajković

Troepensterkte
Vlag van Albanië Albanezen

• maximaal 20.000[1] UÇK-guerrilla's,
• Diverse lokale Albanese millitia waaronder De Zwarte Adelaars,
• Meerdere deelnamen vanuit het Albanees leger,
• Support van NAVO.

Flag of Serbia (1992–2004).svg Serviërs

• Totale schatting 100.000 Joegoslavische soldaten inclusief politieagenten,
• Diverse nationalistische Servische groeperingen waaronder De Schorpioenen,
• Support van Slavische bewegingen.

Verliezen
Vlag van Albanië 1500+ doden
Flag of Serbia (1992–2004).svg 1000+ doden
10.000+ burgers

De Kosovo-oorlog was een gewapend conflict op de Balkan dat uit drie fases bestond:

  1. 1998-1999: gevechten tussen het Joegoslavisch leger en de Albanese guerrilla's in Kosovo.
  2. 1999: Bombardementen en luchtaanvallen op Servië door NAVO-vliegtuigen tussen 24 maart en 10 juni.
  3. 1999-2000: Massale asielstroom vanuit Kosovo naar het westen, zowel etnische Albanezen als etnische Serviërs.

Het conflict[bewerken | brontekst bewerken]

De Kosovaarse burgeroorlog was het gevolg van de opgelopen spanning tussen etnische Albanezen en etnische Serviërs in de toenmalige Joegoslavische staat Kosovo.

De Albanese meerderheid in Kosovo voelden zich al lange tijd onderdrukt door de Joegoslavische regering onder leiding van de Serviër Slobodan Milošević. Het Albanese verzet tegen de Servisch-nationalistische regering van Joegoslavië organiseerde zich onder leiding van Ibrahim Rugova ondergronds. Er ontstond een schaduwsamenleving die onafhankelijk was van de "bovengrondse" door de Serviërs geleide samenleving. De Albanese schaduwsamenleving in Kosovo kende een eigen regering en parlement, een universiteit, scholen, ziekenhuizen en zelfs een systeem van sociale zorg. Dit werd gefinancierd door middel van een eigen belastingstelsel en met behulp van Albanezen die in het buitenland werkten (de Albanese diaspora).

De Servisch-nationalistische koers van de regering van Milošević zorgde ervoor dat in andere deelstaten van Joegoslavië de steun voor onafhankelijkheid groeide. Milošević reageerde met verdere repressie. De onafhankelijkheidsverklaringen van achtereenvolgens Slovenië, Kroatië, Bosnië en (Noord-)Macedonië leidden tot oorlog en het uiteenvallen van Joegoslavië in de jaren 90. Montenegro splitste zich later af van Servië. Tijdens de oorlogen in de buurlanden was er vanuit de internationale gemeenschap aanvankelijk weinig aandacht voor de onderdrukking van de Albanezen in Kosovo. Binnen Servië was sprake van twee provincies met beperkte autonomie: Vojvodina (met onder meer een belangrijke Hongaarse minderheid) en Kosovo (met een belangrijke Albanese meerderheid).

In 1997 zag Milošević zijn positie bedreigd door de oppositie. De economische misère van de oorlog was verergerd door een internationale boycot. Grootschalige corruptie en misdaad hadden de meeste Serviërs van hem vervreemd. Milošević reageerde opnieuw door het nationalisme aan te wakkeren, ditmaal gericht tegen de Albanezen in Kosovo. Tegelijkertijd radicaliseerde een deel van de Albanese bevolking, dat aanvoerde dat acht jaar van vreedzaam verzet geen enkel resultaat en geen enkele verbetering had opgeleverd. Zij richtten in februari 1996 het Kosovaarse Bevrijdingsleger (UÇK) op, dat brak met het pacifisme van Rugova en dat de wapens opnam tegen de Serviërs. Er volgden aanslagen op Servische militaire doelen (legerkazernes en politieposten) en op Albanezen die van collaboratie werden verdacht. Dit was de eerste fase van de Kosovo-oorlog.

In februari 1998 antwoordde Belgrado op de aanvallen van het UÇK met een groot militair offensief om het UÇK uit te schakelen. Servische militaire en paramilitaire eenheden trokken Kosovo binnen. Het Servische offensief richtte zich niet alleen op de uitschakeling van het UÇK; ook de burgerbevolking moest het ontgelden. De Verenigde Staten bestempelden het UÇK aanvankelijk als terroristische organisatie, maar veranderden hun standpunt wegens Milošević' harde optreden. Samen met NAVO steunden de VS op allerlei manieren (diplomatiek en door wapensmokkel) de strijd van het UÇK. De Serviërs werden beschuldigd van etnische zuivering en de internationale gemeenschap greep in. Men probeerde Milošević eerst via diplomatieke wegen tot andere gedachten te brengen.

Verwoesting in Kosovo, 1999

In oktober 1998 werd er een akkoord bereikt, dat echter direct daarna werd geschonden. Er volgde een Kosovo-conferentie in het Franse Rambouillet in februari 1999. Hier ontstond het plan om Kosovo voor een periode van drie jaar zelfbestuur te verlenen, maar geen onafhankelijkheid. De Kosovaren tekenden het plan in maart 1999, op een vervolgconferentie in Parijs. Omdat het plan ook een NAVO-troepenmacht in Kosovo inhield bleven de Serviërs weigeren; de bezetting van Servisch grondgebied door buitenlandse troepen achtten ze onaanvaardbaar. Ook na dreiging met NAVO-luchtaanvallen ging Servië niet akkoord.

Eind maart volgden die luchtaanvallen, waarvoor overigens niet de toestemming van de VN-veiligheidsraad was gevraagd. De doelen van de luchtaanvallen waren zowel militair als civiel: bruggen, spoorlijnen, chemische fabrieken en zelfs een televisiezender in Belgrado werden door NAVO-vliegtuigen gericht bestookt en verwoest. Na 78 dagen van bombardementen op Servische doelen in heel Servië, Montenegro en Kosovo tekende Belgrado de Overeenkomst van Kumanovo, waarmee de terugtrekking van het Servische leger en de Servische politie uit Kosovo een feit werd.

Zie de categorie Kosovo War van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.
  1. https://www.globalsecurity.org/military/world/para/kla.htm