Kriegsmarine

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Kriegsmarine
Embleem Kriegsmarine
Oprichting 1 juni 1935
Ontbinding 8 mei 1945
Land Vlag van Nazi-Duitsland Nazi-Duitsland
Onderdeel van Balkenkreuz.svg Wehrmacht
Type Marine
Aantal 648.443 (1 mei 1943)[1]
Commandanten Erich Raeder (1928-1943)
Karl Dönitz (1943-1945)
Hans-Georg von Friedeburg
(1-23 mei 1945)
Walter Warzecha
(22 mei-23 juli 1945)

De Kriegsmarine was de Duitse zeemacht van 1935 tot 1945. De Kriegsmarine was de opvolger van de Reichsmarine, die na het verdrag van Versailles de Kaiserliche Marine vervangde.

Toen Adolf Hitler in 1933 aan de macht kwam werd de Kriegsmarine weer opgebouwd en werd admiraal Erich Raeder de nieuwe opperbevelhebber. Na diens ontslag, begin 1943, werd Karl Dönitz bevelhebber. De Kriegsmarine was tijdens deze periodes een van de onderdelen van de Wehrmacht. In die periode groeide de marine weer uit tot een geduchte zeemacht.

Het interbellum[bewerken | brontekst bewerken]

Erich Raeder
Zie Reichsmarine voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Na het einde van de Eerste Wereldoorlog werden de Duitse oorlogsschepen opgebracht naar de Britse marinebasis Scapa Flow. In afwachting van een akkoord brachten de Duitsers hier echter op 21 juni 1919 zelf hun slagschepen tot zinken.

Het verdrag van Versailles beperkte de Duitse vloot tot zes pre-dreadnought pantserschepen, zes lichte kruisers, twaalf torpedobootjagers en twaalf torpedoboten. Onderzeeboten waren verboden. De kruisers en de pantserschepen mochten pas na twintig jaar vervangen worden en vervangende pantserschepen mochten de 10.000 ton niet te boven gaan. Nieuwe kruisers mochten zelfs niet boven de 6000 ton komen, torpedobootjagers waren beperkt tot 800 en torpedoboten tot 200 ton. Ook mocht de marine niet meer dan 15.000 man tellen. [2] Veel meer dan een beperkte kustverdedigingstaak was met deze vloot niet mogelijk.

Ruim vijftien jaar accepteerde Duitsland dit verbod. Drie van de pre-dreadnought pantserschepen werden vervangen door nieuwe pantserschepen die officieel de opgelegde limieten respecteerden, maar in werkelijkheid toch de opgelegde berpeking qua tonnage flink overschreden. Ook de lichte kruisers werden vervangen, weerom met overschrijding van de tonnage beperkingen.

In 1928 werd Erich Raeder, een admiraal uit de Eerste Wereldoorlog, de bevelhebber van de Reichsmarine.

Het Engels-Duits vlootverdrag van 1935[bewerken | brontekst bewerken]

Met de machtsovername van Hitler in 1933 traden echter de eerste veranderingen op. Er werden plannen gesmeed om de marine flink uit te breiden en ook weer om onderzeeboten te gaan produceren. De Reichsmarine werd in 1935 omgedoopt tot Kriegsmarine. Nog in juni van datzelfde jaar kwam het Brits-Duitse vlootverdrag tot stand, volgens welke het aan Duitsland weer werd toegestaan slagschepen en onderzeeboten te bouwen en de marine tot 35% van de sterkte van de Royal Navy uit te breiden. Hiermee kwam in feite een einde aan het Verdrag van Versailles. Het tempo waarin daarna nieuwe slagschepen en onderzeeboten van stapel liepen toonde niet alleen aan dat de nieuwe scheepsontwerpen al klaar lagen voordat het verdrag tot stand kwam, maar dat sommige schepen zelfs al in aanbouw waren. De eerste onderzeeër werd al één week na het afsluiten van het vlootverdrag in dienst genomen. Karl Dönitz, een onderzeebootkapitein uit de Eerste Wereldoorlog, werd benoemd tot opperbevelhebber van de U-booteenheid. [3]

Binnen drie jaar nadat Hitler aan de macht was gekomen beschikte Duitsland weer over een effectieve marine. Door de slechte economie, waardoor veel koopvaardijmaatschappijen failliet waren gegaan, was het bovendien niet moeilijk om ervaren zeelui te rekruteren.

Door het vlootverdrag kan Duitsland beginnen met de bouw van de volgende schepen :

  • Twee slagkruisers van de Scharnhorst - klasse
  • Twee slagschepen van de Bismarck - klasse
  • Vijf zware kruisers van de Admiral Hipper - klasse
  • Twee vliegdekschepen
  • Torpedobootjagers
  • Torpedoboten
  • Onderzeeërs

Z-Plan[bewerken | brontekst bewerken]

Doordat Hitler in mei 1938 mislukte in zijn eeste poging om het Sudetenland te annexeren, zag hij in dat een oorlog met Groot-Britannië nu plots wél tot de mogelijkheden behoorde. In een eerste stap werd een clausule van het vlootverdrag ingeroepen dat toeliet om evenveel onderzeeërs te bouwen als Groot-Brittanië, maar eigenlijk wilde Hitler van het vlootverdrag af en een marine uitbouwen die het kon opnemen tegen Groot-Brittanië. Tegen eind 1938 werd een doel ( Duits : 'Ziel' , vandaar Z-Plan ) opgesteld met de volgende kernpunten :[4]

  • Bouw van zes superslagschepen van 72.000 ton
  • Afwerking van de huidige twee slagschepen die in bouw zijn
  • Ombouw van de huidige twee slagkruisers naar slagschepen.
  • Bouw van drie slagkruisers
  • Bouw van vier vliegdekschepen
  • Uitbreiding van de lichte kruiser vloot naar 48 eenheden
  • Uitbreiding van de torpedobootjager vloot naar 68 eenheden
  • Uitbreiding van de onderzeevloot naar 249 eenheden

Uiteindelijk vereiste Z-Plan zo'n 800 schepen en ruim 200.000 manschappen. De totale begroting koste zo'n 33 miljard Reichsmark, destijds een waanzinnig groot geldbedrag.

Al na negen maanden was het Plan-Z achterhaald door het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Al deze grote schepen konden niet op tijd gebouwd worden. Van sommige schpen had men al de kiel gelegd, maar die werden terug afgebroken. In plaats daarvan ging men volop voor de bouw van onderzeeërs. Alleen torpedobootjagers en kleinere schepen werden nog verder gebouwd.[5]

De schepen van de Kriegsmarine[bewerken | brontekst bewerken]

De Tirpitz
Zie Lijst van schepen van de Kriegsmarine voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Kriegsmarine wist van de geplande negen vliegdekschepen slechts een daadwerkelijk te bouwen. Dit was de Graf Zeppelin, een schip dat, door gebrek aan geld of door desinteresse van het opperbevel, nooit met vliegtuigen is uitgerust. Het schip heeft de gehele oorlog voor anker gelegen en werd aan het einde van de oorlog tot zinken gebracht in Stettin. Het tweede, Flugzeugträger B, werd nooit afgebouwd.

De Kriegsmarine kon uiteindelijk beschikten over zeven van de veertien geplande slagschepen. Dit waren:

  1. De Bismarck (op Tirpitz na grootste Duitse slagschip, vlaggenschip op de Atlantische oceaan), een slagschip;
  2. De Tirpitz (iets langer zusterschip van de Bismarck, vlaggenschip op noordelijke IJszee), een slagschip;
  3. Scharnhorst (vlaggenschip op de Noordzee), een slagkruiser met het pantser van een slagschip;
  4. Gneisenau (zusterschip van de Scharnhorst, vlaggenschip op de wateren rondom Groot-Brittannië), een slagkruiser met het pantser van een slagschip;
  5. Graf Spee (vlaggenschip in het zuidelijk deel van de Atlantische oceaan, nabij Zuid-Amerika en Caribisch gebied) een vestzakslagschip of pantserkruiser;
  6. Admiral Scheer (vlaggenschip voor de westelijke kust van Afrika), vestzakslagschip of pantserkruiser;
  7. Lützow (voor de Middellandse Zee), vestzakslagschip of pantserkruiser en voorheen bekend als Deutschland.

Van de geplande dertig kruisers werden drie zware en zes lichte kruisers gebouwd:

  1. Admiral Hipper
  2. Blücher
  3. Prinz Eugen
  4. Seydlitz (nooit afgebouwd; in 1945 opgeblazen)
  5. Lützow (nooit afgebouwd)

Lichte kruisers:

  1. Emden
  2. Nürnberg
  3. Leipzig
  4. Königsberg
  5. Karlsruhe
  6. Köln

De U-bootmarine daarentegen was wel volledig volgens planning opgebouwd. Bij aanvang van de oorlog waren er ruim 300 onderzeeboten, tijdens de oorlog kwamen daar nog eens 500 bij. In totaal heeft Duitsland meer dan 800 (1200) U-boten gehad. Nimmer heeft een marine zo'n grote onderwatervloot gehad.

Deze U-boten waren tijdens de oorlog in volgende klassen onderverdeeld:

Inzet van de oppervlakteschepen van de Kriegsmarine tijdens de Tweede Wereldoorlog[bewerken | brontekst bewerken]

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de Kriegsmarine ingezet bij diverse militaire operaties over heel de wereld. De Kriegsmarine werd voor het eerst op grote schaal ingezet in de Operatie Weserübung, waarbij de Kriegsmarine meteen al zware verliezen leed. Daartoe behoorden de splinternieuwe zware kruiser Blücher, de kruisers Köln en Karlsruhe en 10 grote torpedobootjagers. De eigen torpedo's bleken door een fout in het ontstekingsmechanisme niet te werken, waardoor veel Britse schepen aan torpedering ontsnapten.

Van juni 1940 tot het einde van de oorlog heeft Duitsland weinig gebruikgemaakt van zijn grote slagschepen. Veel schepen liepen op diverse missies zware averij op en moesten daardoor voor lange tijd de werf in. Werftijden van een half tot een heel jaar waren daarbij meer regel dan uitzondering. Ter vergelijking: bij de geallieerden werd een schip, wanneer dat nodig was, vaak in een paar dagen gerepareerd. Hitler was bijzonder bezorgd over zijn kapitale schepen, waardoor ze vaak ook niet werden ingezet. In het geval van de Bismarck en de Scharnhorst is dat uiteindelijk wel gebeurd, maar beide schepen werden tot zinken gebracht.

In 1941 was de Kriegsmarine van de verliezen rond Noorwegen hersteld en voerde met de Scharnhorst, Gneisenau, Admiral Hipper en de Admiral Scheer succesvolle raids uit op de Atlantische Oceaan, waarbij meer dan veertig geallieerde schepen tot zinken werden gebracht.

In mei werden het nieuwe slagschip Bismarck en de nieuwe zware kruiser Prinz Eugen ingezet om het succes van de vier andere "raiders" nog te vergroten. Vrijwel onmiddellijk werd de hele Britse Home Fleet gealarmeerd en massaal ingezet om de Bismarck te beletten de oceaan te bereiken. De Bismarck wist in een duel met zijn eerste twee grote tegenstanders de verouderde grote slagkruiser Hood te vernietigen en het eveneens gloednieuwe slagschip Prince of Wales zo zwaar te beschadigen, dat het zich uit het gevecht moest terugtrekken. Op zich was dit een staaltje van ongeëvenaarde precisie en vuurkracht. Aangezien ook de Bismarck door een granaat van de Prince of Wales getroffen was, waardoor een deel van de brandstof verloren ging, moest het schip zijn missie afbreken. De Bismarck zou op zijn terugtocht waarschijnlijk ontsnapt zijn, als de Duitse eskadercommandant geen lange berichten naar het hoofdkwartier van de marine verstuurd had. Hierdoor kon de Bismarck door de Britten gepeild worden. De Britten zetten hun enige in de buurt varende vliegkampschip in en wisten bij slecht zicht een enkele, maar wel bijzonder fatale torpedotreffer te plaatsen en een der beide roeren te ontzetten. Daarna kon de Bismarck niet meer aan zijn achtervolgers ontkomen en ondervond het in het eindgevecht bij de beschieting veel nadeel van het geblokkeerde roer. De Bismarck kreeg in het laatste en beslissende gevecht tegen twee andere Britse slagschepen en drie kruisers twaalf minuten na aanvang van het duel als eerste een treffer. Deze schakelde beide voorste zware geschuttorens uit en daarna was het nog een kwestie van eenzijdig incasseren. Na een half uur was de bewapening van de Bismarck volledig uitgeschakeld en de bovenbouw, met name de brug, zwaar getroffen. De Britten schoten daarna nog een half uur op korte afstand door totdat al hun granaten verschoten waren en hun brandstof bijna op was. Uiteindelijk konden de Britten de buitenste pantsergordel met slechts vier van alle afgeschoten granaten doorboren. Hierdoor sneuvelden wel veel bemanningsleden van de Bismarck die benedendeks beschutting zochten voor de storm van granaten. Geen van de tientallen daarna afgevuurde torpedo's veroorzaakte ook maar enige schade of wist het citadelpantser te beschadigen. De Bismarck bleek door zijn werkelijk voortreffelijke pantsering en zeer vakkundige ontwerp werkelijk onzinkbaar, een unieke situatie. De Duitsers brachten hun schip uiteindelijk zelf tot zinken en 2100 bemanningsleden van de Bismarck kwamen om, hoewel meer dan 1000 van hen het zinkende schip wisten te verlaten. De Britten kenden geen genade na het verlies van hun Hood en lieten de meeste Duitsers in de oceaan achter.[bron?]

In 1942 kreeg de Gneisenau na een zeer geslaagde ontsnapping door Het Kanaal een treffer van een zware bom op de voorste geschuttoren die met het hele voorschip uitbrandde. Daarna zou de Gneisenau van 38 cm geschut worden voorzien. Door de weinig succesvolle acties einde 1942 van de grote Duitse schepen (Lützow en Admiral Hipper) om konvooien naar Moermansk te onderscheppen, besloot Hitler dat de rol van de oppervlaktevloot uitgespeeld was en werden alle resterende zes grote schepen in reserve geplaatst. De verbouw aan de Gneisenau werd gestaakt en het schip werd aan het einde van de oorlog in Gotenhafen (Gdynia) door de Duitsers tot zinken gebracht.

De Scharnhorst kreeg op zijn laatste missie in extreem slechte weersomstandigheden een fatale treffer op zijn belangrijkste radar en vervolgens na een urenlang duel met vele tegenstanders bij zijn vlucht op extreme afstand (28 kilometer) in het donker van de poolnacht een treffer op de naad tussen het pantserdek en het citadelpantser in de boilerruimte. Daarna konden de Britten het schip inhalen en het karwei afmaken. De zeer ervaren bemanning van de Scharnhorst vocht lang tegen een modern slagschip, vier kruisers en een tiental torpedobootjagers terug, totdat letterlijk de laatste granaat verschoten was en Britten het schip van alle kanten konden torpederen. 1900 bemanningsleden stierven in de ijskoude poolzee. In het gevecht met de Scharnhorst waren de Britten in staat met behulp van radar in het duister van de poolnacht op grote afstand op de Scharnhorst te vuren, andersom was de Scharnhorst hier niet toe in staat.

Gedurende 1944 werd de laatste gigant, de Tirpitz, voortdurend uit de lucht aangevallen en werd het schip herhaaldelijk zwaar beschadigd. In november 1944 wisten de Lancasters met de "earthquake" Tallboys de Tirpitz te laten kapseizen. 1000 bemanningsleden zaten in de romp opgesloten en kwamen om.

Aan het einde van de oorlog waren de zware kruisers Prinz Eugen, Admiral Hipper en de vestzakslagschepen Admiral Scheer en de Lützow de enige vier grote schepen, tezamen met drie lichte kruisers, zo'n twintig torpedobootjagers en een paar honderd duikboten en onderzeeboten, die de oorlog overleefd hadden. Zij redden nog vele duizenden vluchtelingen uit het omsingelde Oost-Pruisen uit handen van het Rode Leger. Daarbij werd na aankomst wel de Admiral Scheer in de haven door de RAF tot zinken gebracht, liep de Lützow op een zeemijn en werd de Admiral Hipper door de RAF beschadigd. De Amerikanen bombardeerden de aangekomen vluchtelingen, waarbij er dertigduizend de dood vonden (Swinemünde). De Russen torpedeerden de Wilhelm Gustloff, de Steuben en de Goya, die drie van de grootste scheepsrampen van de geschiedenis waren en waarbij tussen de vijftien- en twintigduizend vluchtelingen verdronken. De Duitsers lieten honderden van de overlevende duikboten zinken. De weinige overlevende schepen wachtte een trieste herhaling van de tocht naar Scapa Flow, waarbij de Prinz Eugen in 1946 nog deel uitmaakte van een testvloot die met een atoombom, ter hoogte van Bikini, werd bestookt en de Nürnberg in dienst van de Russen kwam.

Hoofdoorzaken voor de ondergang van de Duitse schepen was de Britse decodering - Ultra - de gebrekkige Duitse inlichtingendienst en communicatie en last-but-not-least de later in de oorlog zeer veel beter werkende geallieerde radar. Zo wisten de geallieerden vaak exact waar en wanneer de Duitse schepen op een missie werden gestuurd, terwijl de Duitsers, door een falende samenwerking met de Luftwaffe, niet wisten waar de vijandelijke konvooien of hun escortes zich bevonden. In de zeegevechten zelf hadden de geallieerden veel voordeel van hun numerieke overmacht, hun beter werkende radar en de inzet van het luchtwapen. Het laatste onder andere door de inzet van vliegdekschepen.

Inzet en prestaties van de kleinere Duitse oppervlakteschepen[bewerken | brontekst bewerken]

Hoewel de prestaties van de grote Duitse slagschepen teleurstelden en minder goede resultaten behaalden dan hun geallieerde tegenhangers, betekende dit niet dat de oppervlaktevloot geen successen boekte. De kleinere hulpkruisers waren namelijk wel succesvol gedurende de Tweede Wereldoorlog. In totaal waren er negen van deze schepen, die samen goed waren voor 142 gezonken of buitgemaakte schepen. In totaal slaagden de kruisers erin om meer dan 870.000 aan vijandelijke scheepslading te zinken. De negen schepen werden in totaal bemand met slechts 3000 man aan Kriegsmarinepersoneel maar waren hiermee toch vele malen succesvoller dan de veel bekendere grote kruisers. De Kormoran slaagde er zelfs in de Australische lichte kruiser Sydney tot zinken te brengen. De namen van de hulpkruisers waren:

Ook de nog kleinere Schnellboote boekten grote successen. In totaal werden 101 koopvaardijschepen van in totaal 214.728 ton tot zinken gebracht door E-boten. Bijkomende claims omvatten 12 torpedobootjagers, 11 mijnenvegers, acht landingsschepen, zes MTB's, een torpedoboot, een mijnenlegger, een onderzeeër en een aantal kleinere vaartuigen zoals vissersboten. Ze beschadigden ook twee kruisers, vijf torpedobootjagers, drie landingsschepen, een reparatieschip, een marinesleepboot en tal van koopvaardijschepen. Op 28 april 1944 vielen Schnellboote van de 6e en 9e flottieljes uit Cherbourg Operatie Tiger aan, waarbij ongeveer 749 Amerikaanse leger- en marine-slachtoffers vielen.

Operaties van de Kriegsmarine[bewerken | brontekst bewerken]

September 1939 - oktober 1939[bewerken | brontekst bewerken]

Met de aanval van het verouderde slagschip Schleswig-Holstein op het Poolse garnizoen in Westerplatte om 04:45 op 1 september 1939 begon de Tweede Wereldoorlog. Duitsland viel buurland Polen binnen en Groot-Brittannië verklaarde de oorlog aan Duitsland. Eerste grote offensief van de Kriegsmarine: Duitse oorlogsschepen moesten bevoorradingsschepen voor de kust van Polen vernietigen. Deze vooral Britse bevoorradingsschepen vervoerden munitie, soldaten of wapens voor het Poolse leger. Het offensief werd een groot succes, binnen enkele dagen kwam geen schip Polen meer binnen en het Poolse leger zat al snel zonder versterking.

Oktober 1939 - november 1939[bewerken | brontekst bewerken]

Günther Prien

De Kriegsmarine kreeg de opdracht om alle schepen te vernietigen die het gecapituleerde Polen probeerden te ontvluchten. Veel van deze schepen bevatten munitie en wapens die naar Groot-Brittannië werden gebracht. Ook zaten er veel Poolse militairen in die vanuit Groot-Brittannië de strijd tegen Duitsland wilden voortzetten.

Tegelijkertijd met deze missie kregen diverse U-boten de opdracht om terreur te zaaien langs de Britse kust. De U-bootcommandant Günther Prien drong de zwaar bewaakte marinebasis Scapa Flow binnen en vernietigde daar het slagschip Royal Oak met een dubbele aanval. Hiermee werd hij de grootste held van de Kriegsmarine, naast onder andere Otto Kretschmer en Fritz-Julius Lemp.

December 1939[bewerken | brontekst bewerken]

Onder leiding van het slagschip Admiral Graf Spee begon een groot aantal schepen van de Kriegsmarine aan het grote offensief om de alle Britse koopvaardijschepen ten oosten van Zuid-Amerika te vernietigen. Het offensief begon succesvol maar eindigde voor de Duitsers in een drama. De Britten brachten de meeste Duitse schepen tot zinken. Het grootste verlies was het gloednieuwe slagschip Admiral Graf Spee dat voor de kust van Montevideo vernietigd werd door de bemanning om een overgave te voorkomen.

Januari 1940 - mei 1945[bewerken | brontekst bewerken]

Na het verlies van de Admiral Graf Spee besloot Erich Raeder om het vernietigen van koopvaardijschepen voortaan alleen maar aan U-boten over te laten. Vanaf januari 1940 gaf hij de opdracht aan alle U-boten om voortaan elk koopvaardijschip te torpederen. De bedoeling was om Groot-Brittannië volledig van Europa en Amerika te isoleren en zonder bevoorrading te zetten. Raeder gaf hiermee het startsein voor een U-bootoorlog die bijna vijf jaar zou duren en zich over de gehele wereld zou afspelen. Raeder ging ervan uit dat Groot-Brittannië binnen een jaar van alle bevoorradingslijnen zou zijn ontdaan. Het plan pakte anders uit: Groot-Brittannië bouwde op grote schaal nieuwe schepen en vond steeds weer nieuwe manieren om de U-bootkapiteins te slim af te zijn. Tijdens de U-bootoorlog brachten de Duitsers bijna 3000 schepen tot zinken, hiertegenover stonden zware verliezen: 800 schepen en ruim 40.000 man gingen ten onder.

April 1940[bewerken | brontekst bewerken]

Duitsland begon aan de invasie van Noorwegen en Denemarken. De Kriegsmarine moest hierbij belangrijke strategische doelen aan de kust bestoken en Duitse soldaten aan land zetten. Hoewel Noorwegen en Denemarken vrij snel werden ingenomen leed de Kriegsmarine opnieuw zware verliezen: veel U-boten en kleinere oorlogsschepen gingen ten onder. De grootste nederlaag was het verlies van de zware kruiser Blücher. Het schip werd tijdens de invasie van Oslo vernietigd omdat men vergeten was rekening te houden met (door Duitsland zelf geschonken) kanonnen die vanaf het land op de Blücher schoten. De Noren vuurden slechts een schot af, deze granaat kwam precies in de brug terecht waardoor de kapitein werd gedood en het stuurloze schip op een zandbank strandde. De Noren schoten er zonder tegenstand van de Duitsers een paar torpedo's op af. De Blücher verdween in het ondiepe water.

Juni 1940 - april 1944[bewerken | brontekst bewerken]

Het slagschip Tirpitz, toen het grootste oorlogsschip ter wereld, werd in juni 1940 in dienst genomen. Al kort na de tewaterlating bleek de Tirpitz te groot om flexibel in de Noorse wateren te opereren. Bijna de hele oorlog lag hij voor anker in een Noorse fjord, waar hij in 1943 succesvol werd beschadigd door een gedurfde aanval met piepkleine onderzeeboten van X -klasse. De Tirpitz was door de aanval niet meer zeewaardig en werd naar een andere fjord versleept, om daar als drijvend fort ingezet te worden, waar hij in 1944 werd vernietigd. De Tirpitz heeft nooit aan een gevecht deelgenomen.

April 1941[bewerken | brontekst bewerken]

Nadat de oppervlakteschepen van de Kriegsmarine bijna een heel jaar niet in actie gekomen waren begon men nu aan operatie Rheinübung. Bij deze missie moest de Kriegsmarine controle krijgen over het zeegebied ten westen van Ierland. Dit gebied werd gedomineerd door Britse oorlogsschepen die voortdurend joegen op U-boten. Duitse oppervlakteschepen moesten een strooptocht beginnen tegen de Britse oorlogsbodems en vervolgens, gedurende de rest van de oorlog, patrouilles varen over dit zeegebied. Voor het slagschip Bismarck was dat zijn eerste gevechtsmissie. Aanvankelijk voorzag de operatie in de deelname van meerdere schepen naast de Bismarck, waaronder de zware kruisers Admiral Hipper, de gloednieuwe Prinz Eugen, de slagkruisers Scharnhorst en Gneisenau, het vliegdekschip Graf Zeppelin en een eskader snelle torpedobootjagers voor de lange afstand. Door allerhande factoren bleef het eskader uiteindelijk beperkt tot de Bismarck en Prinz Eugen', dat in mei 1941 de Straat van Denemarken overstak.

Tijdens een heftige zeeslag wist de Bismarck, samen met de zware kruiser Prinz Eugen, de Britse slagkruiser HMS Hood tot zinken te brengen en het slagschip HMS Prince of Wales zwaar te beschadigen, terwijl ze met hoge vaart poogden het Duitse eskader te onderscheppen. Enkele dagen later werd het schip door Fairey Swordfish-vliegtuigen met torpedo's aangevallen (waarbij men de Prinz Eugen had verloren, toen die in de verwarring van de eerdere zeeslag was afgedraaid). De Bismarck raakte stuurloos en werd door Britse schepen en vliegtuigen tot een brandend, ineengeschoten wrak herleid. Na het verlies van de Bismarck bliezen de Duitsers Operatie Rheinübung af. De Prinz Eugen keerde onverrichter zake terug en liep Brest binnen.

Januari - april 1942[bewerken | brontekst bewerken]

De Kriegsmarine kreeg nu de opdracht om bevoorrading te leveren aan het Afrikakorps van Erwin Rommel dat in Noord-Afrika vocht tegen de Britten. Duitse schepen, volgeladen met munitie en wapens, vertrokken vanuit Italië over de Middellandse Zee op een reis naar Noord-Afrika. Tijdens deze reis kreeg de Kriegsmarine de opdracht de transportschepen te verdedigen tegen Britse aanvallen. De missie kon maar half uitgevoerd worden. Doordat de straat van Gibraltar in Britse handen was, kreeg Duitsland bijna geen schepen in de Middellandse Zee. De Kriegsmarine moest het doen met een paar Italiaanse destroyers en enkele U-boten die ongezien door de Straat van Gibraltar wisten te komen en uiteindelijk nooit meer uit de Middellandse Zee zouden terugkeren.

Juli 1942 - mei 1945[bewerken | brontekst bewerken]

Na de mislukking van het bovenstaande offensief steunde Hitler de Hochseeflotte niet meer. Vanaf dat moment zouden alle Duitse oorlogsschepen alleen nog maar voor anker blijven. Alleen de U-boten waren nog actief. Hitler wilde uiteindelijk de hele vloot tot schroot omsmelten en hun kanons in de Atlantikwall integreren. Kort daarna nam Erich Raeder ontslag en werd opgevolgd door Karl Dönitz. Dönitz moest leiding geven aan een gehavende marine: slechts enkele grotere schepen waren nog intact.

Mei 1945[bewerken | brontekst bewerken]

Karl Dönitz besefte dat de oorlog afgelopen was en hij besloot alle schepen van de Kriegsmarine tot zinken te brengen om te voorkomen dat ze in handen zouden vallen van de vijand. Tijdens Operatie Regenboog werden de Graf Zeppelin, de Seydlitz, de Gneisenau, alle torpedobootjagers en een grote U-boot door hun eigen bemanning tot zinken gebracht. Alleen de Prinz Eugen en de Lützow werden intact door vijand veroverd.

Het functioneren van de U-boten[bewerken | brontekst bewerken]

De duikbootbasis in Lorient

In tegenstelling tot de oppervlaktemarine opereerden de U-boten met meer succes. Met name in de eerste jaren was het succes van onderzeeboten groot. In de jaren 1940-1942 waren de geallieerden niet goed in staat om de Duitsers het hoofd te bieden op zee. Na de veroveringen van Noorwegen en Frankrijk kregen de Duitsers er bovendien strategische uitvalsbases bij. Er werden op tien plekken - verdeeld over Noorwegen, Duitsland en Frankrijk - speciale onderzeebootbases gebouwd in Lorient (met hoofdkwartier), Trondheim, Bergen, Helgoland, Brest, Saint-Nazaire, La Pallice, Bordeaux, Hamburg en Bremen. Hier konden de U-boten beschutting zoeken tegen geallieerde vliegtuigen en waren ze veilig tijdens reparaties. Hoewel diverse van deze bunkers hevig werden aangevallen, werd geen van allen door bombardementen uitgeschakeld.

Pas toen de Britten de Enigma-codes met behulp van Ultra snel konden ontcijferen en hun radar sterk verbeterd was, kwam er een keerpunt in de U-bootoorlog. Zonder dat de Duitsers wisten dat hun codes ontcijferd werden, gaven de U-bootkapiteins hun posities door. Waar in 1943 nog een tonnage van 2,3 miljoen tot zinken werd gebracht, steeg vanaf mei 1943 het aantal verloren U-boten ook drastisch. Waar in 1942 het aantal van 87 U-boten tot zinken werd gebracht, was dit alleen al in mei 1943 al 43 stuks.

Tijdens de oorlog verloor Duitsland ruim 750 van de gevechtsklare ruim 1150 onderzeeboten en 75% van alle oppervlakteschepen. Ruim 60.000 mannen overleefden de zeegevechten niet, ongeveer gelijk verdeeld over oppervlakteschepen en de onderzeeboten.

Na de oorlog[bewerken | brontekst bewerken]

Een deel van de Kriegsmarine werd na de oorlog door de westelijke geallieerden in stand gehouden als mijnenruimdienst. Op 31 december 1947 werd ook dit laatste restant van de Kriegsmarine ontbonden. In de jaren 50 werden in West- en Oost-Duitsland respectievelijk de Bundesmarine en de Volksmarine opgericht. Na de Duitse hereniging in 1990 werden ze verenigd tot de Deutsche Marine.

Drie U-boten werden als museum bewaard (plus een die later werd geborgen). Verder herinneren enkel nog twee drieloopsgeschuttorens van de Gneisenau, die deel uitmaakten van de restanten van de Atlantikwall in Noorwegen, de scheepsbel van de Admiral Hipper, een der schroeven van de Prinz Eugen en een plaatselijke gedenksteen aan de voormalige Kriegsmarine.

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]

  • (en) Blair, Clay, Hitler's U-Boat War [Volume 1 ]: The Hunters 1939-1942. Cassell (1998). ISBN 0-304-35260-8.

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Kriegsmarine van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.