Kruisdraging (Bruegel)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Kruisdraging
Kruisdraging
Kunstenaar Pieter Bruegel de Oudere
Jaar 1564
Techniek olie op eikenhout
Afmetingen 124,3 × 170,6 cm
Museum Kunsthistorisches Museum
Locatie Wenen
Portaal  Portaalicoon   Kunst & Cultuur
De gevallen Jezus
Simon van Cyrene
De kar met de goede en de slechte moordenaar
Wachtende toeschouwers aan de terechtstellingsplaats

De Kruisdraging of De Calvarietocht van Christus is het grootste paneel van Pieter Bruegel de Oudere.[1] Het werk uit 1564 is te zien in het Kunsthistorisches Museum in Wenen en draagt rechtsonder de signatuur BRVEGEL · M · D · LXIIII.

Voorstelling[bewerken | brontekst bewerken]

Jezus is ter dood veroordeeld en wordt naar de terechtstellingsplaats Golgotha (schedelberg) geleid. We zien de stad Jeruzalem links – Brabants van uitzicht met enkele exotische toetsen – en Golgotha rechts. Het in de evangelies beschreven onweer is in aantocht. De opstekende wind doet kleren flapperen en heeft iemand de muts van het hoofd geblazen. Langs de brede weg rijden gerechtsdienaren in rode mantels te paard. Een kring gretige toeschouwers heeft zich verzameld rond de plek waar de put wordt gegraven waarin het kruis moet komen. De kruisen voor de goede en de slechte moordenaar staan al recht. Asgrauw zitten ze op de kar die moeizaam door een plas ploegt. Het been van de voerman wordt in het water weerspiegeld. Achter hen neemt de Heiland het centrum in, maar zo klein dat hij niet in het oog springt. Hij is bezweken onder het gewicht van het kruis waaraan hij zal sterven. Op soldatenbevel gaat Simon van Cyrene helpen, maar zijn vrouw houdt hem tegen, in weerwil van de christelijke paternoster aan haar schort. Twee vrouwen maken wel aanstalten om te helpen. Degene die haar voet in beweging brengt is misschien Veronica. De wenende groep rechtsonder bestaat uit de vrouwen in Jezus' gevolg. Maria trekt grauw weg en wordt getroost door Johannes, terwijl de knielende Maria Magdalena in haar prachtige gewaad weent. De vierde vrouw lijkt te bidden en de vijfde bedekt haar tranen achter een doek.

Compositie[bewerken | brontekst bewerken]

De structuur van de schilderij is die van een wiel, reeds door Jan van Eyck toegepast in een verdwenen Kruisdraging. De optocht komt uit de stad Jeruzalem links en beweegt zich in een grote boog naar Golgotha rechts, waarbij de rotsklip met de molen fungeert als as. De verschillende groepen nemen vaagweg de vorm aan van spaken. De groep rechts in de voorgrond valt op doordat hij de stijl van de Vlaamse Primitieven meekreeg, in het bijzonder het verstilde verdriet van Rogier van der Weyden.

Sellink meent dat de compositie coherentie mist. De filmmaker Majewski onderscheidt zeven vluchtpunten. Volgens hem kwam Bruegel tegemoet aan de behoeften van het menselijk oog en hield hij alles even scherp. Het is onmogelijk het geheel in één blik te overschouwen. De kijker wordt "binnengetrokken" en dwaalt van de ene plek naar de andere. Hoewel de Calvarietocht traditioneel niet tot de bruegeliaanse "wemelbeelden" (de) wordt gerekend, hoort hij daar feitelijk wel bij. Men heeft er een vijfhonderdtal figuren op geteld.

Herkomst[bewerken | brontekst bewerken]

De wederwaardigheden van het schilderij kunnen vrij goed worden gevolgd. Op 21 februari 1565 (1566 nieuwe stijl) bevond een Cruysdragere van Bruegel zich in het speelhof Ter Beke van Nicolaas Jonghelinck, klaarblijkelijk de opdrachtgever. In zijn Schilder-Boeck uit 1604 situeerde Karel van Mander twee Kruisdragingen van Bruegel in de collectie van keizer Rudolf II:[2]

oock twee stucken Cruys-dragingen, seer natuerlijck om sien, met altijt eenige drollen [grappen] daer onder

Ongetwijfeld had Rudolf II ze bekomen uit het sterfhuis van zijn broer, landvoogd Ernst van Oostenrijk. Slechts een van de twee versies heeft de tand des tijds overleefd. Van Praag kwam de Kruisdraging terecht in de keizerlijke schatkamer te Wenen. In 1748 werd het werk opgehangen in de kunstgalerij, waaruit het – behoudens de jaren 1781-1783 in het Kasteel van Bratislava – niet meer verdween. De keizerlijke galerij van Wenen ging over in het Kunsthistorisches Museum.

Film[bewerken | brontekst bewerken]

De Poolse regisseur Lech Majewski bracht het schilderij, dat hij als kind in het museum had bewonderd, tot leven in The Mill and the Cross (2011). Hij baseerde de film op de analyse die kunstkenner Michael Francis Gibson van het schilderij maakte in Le Portement de croix de Pierre Bruegel l'Aîné (1996). Bruegel wordt gespeeld door Rutger Hauer, Maria door Charlotte Rampling en Jonghelinck door Michael York.

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

  • Robert Genaille, "La Montée au Calvaire de Bruegel l'Ancien", in: Jaarboek van het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten Antwerpen, 1979, p. 143-196
  • Roger Marijnissen, Bruegel. Het volledige oeuvre, 1988, p. 223-232
  • Mark A. Meadow, "Bruegel's Procession to Calvary. Aemulatio and the Space of Vernacular Style", in: Nederlands kunsthistorisch jaarboek, 1996, p. 181-205
  • Manfred Sellink, Bruegel. Het volledige werk, 2011, p. 191-192
  • Leen Huet, Pieter Bruegel. De biografie, 2016, p. 247-252
  • Joseph Leo Koerner, Bosch and Bruegel. From Enemy Painting to Everyday Life, 2016, p. 287-298
  • Sabine Pénot en Elke Oberthaler, "Christ carrying the Cross", in: Elke Oberthaler e.a. (eds.), Bruegel. The Master, tent.cat., 2018, p. 194-201

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]

Voetnoten[bewerken | brontekst bewerken]

  1. De wijn van het Sint-Maartensfeest is nog groter, maar dat is tempera op doek en dus geen paneel.
  2. Karel van Mander, Het leven van Pieter Brueghel, uytnemende Schilder van Brueghel, in: Het Schilder-Boeck, fol. 233v
Zie de categorie The Procession to Calvary by Pieter Bruegel (I) van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.