Lam (schaap)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Lammetje in de wei
Een lam van één jaar oud met haar eigen eerste lam.
Een ooi (links) en een ram, beiden twee weken oud.

Een lam is een jong schaap. Het verschijnen van lammetjes in de weide is voor veel mensen een teken dat het lente is. Meestal wordt de ooi in november gedekt en lammert ze zo'n 150 dagen later, dus in april. De ooilammetjes worden vaak nog in hetzelfde jaar gedekt en krijgen dan in de lente zelf hun eerste lam. Bij het krijgen van een lam op zo'n korte termijn is er een grotere kans dat het misgaat, omdat het schaap nog niet volgroeid en dus eigenlijk een tienermoeder is. Het komt wel vaker voor dat er maar één lam wordt geboren bij een ras waar er gemiddeld vijf komen of dat de moeder en/of haar kind het niet overleeft.

Een zuiglam is een lammetje dat nog bij zijn moeder drinkt. Al vanaf twee dagen zijn de meeste lammetjes qua geslacht van elkaar te onderscheiden: de bouw en lichaamsstructuur van de rammetjes is veel steviger en dikker. De ooien zijn vaak wat teerder, soepeler en lichter gebouwd. Als de ooi niet voldoende melk heeft voor bijvoorbeeld drie of vier lammeren, kunnen ze worden bijgevoed met de fles of met de lambar. Dat is een soort emmer met spenen eraan. Soms wordt een lam verstoten door de moeder. Zo'n lam wordt dan door de schapenhouder met een fles gevoed. Dit wordt een leplam, potlam, paplam[1] of "woutertje" (in het Fries) genoemd. Lammetjes blijven heel lang dartel en springerig, zelfs tot anderhalf jaar na hun geboorte.

Lamsvlees is vlees van schapen die minder dan een jaar oud zijn. Het is mager vlees, in tegenstelling tot vlees van volwassen schapen dat vet is.

Dartel in Duitsland
Beschut onder de bomen
Geblaat van het lam van een Oxford Down of een White Faced Woodlands schaap

Referenties[bewerken]