Landbouw in Suriname

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Landbouw in Suriname is een bedrijfstak binnen de Surinaamse economie die valt onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij.

In 2017 waren de belangrijkste producten zijn rijst, bananen en groente. De landbouwsector maakte toen 11,6% uit van het bruto binnenlands product (bbp), inclusief de visserij in Suriname met een belangrijk aandeel voor seebop garnalen en geelvintonijn. 11,2% van de Surinamers werkt in deze bedrijfstak.[1]

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Oorspronkelijk[bewerken | brontekst bewerken]

Een inheems-Surinaamse Trio bij het vlechten

De oorspronkelijke bewoners in de tropische bossen van Zuid-Amerika bouwden uitgebreide kennis op van de landbouw, die de economische basis vormde voor hun beschavingen. Landbouwproducten die zij in cultuur brachten deden na de ontdekking van Amerika hun intrede in andere delen de wereld. Oorspronkelijk leefden de bewoners van jacht, visvangst en de verzameling van vruchten. Tussen 4000 tot 3000 v.Chr. werd de landbouw geïntroduceerd. Het verreweg belangrijkste landbouwproduct voor oorspronkelijke Surinamers was cassave, die in combinatie met vis en vlees werd gegeten. Verwerkt tot meel kunnen er koeken mee gemaakt worden die onbeperkt houdbaar zijn en de bewoners in staat stelden om te reizen voor handel of oorlog. In het Amazonegebied leidde dit tot bevolkingsgroei en migratie.[2] Hierna kwamen ook inheemse bewoners naar Suriname, met vroege nederzettingen langs de Corantijn.[3] Voor 1492 hadden zich inmiddels landbouwcomplexen ontwikkeld in Hertenrits, Bucklesburg, Coronie, Peruviakreek, Coesewijnerivier (in het westelijke kustgebied), en de Parmaricakreek, Barbakoebakreek, Boekoekreek en Galibi (in het oostelijke kustgebied).[2]

Hoewel er niet veel bekend is over de landbouw door inheemse Surinamers voor de komst van de Europeanen, wordt ervan uitgegaan dat die niet veel verschilde met de landbouw die zij sindsdien uitoefenen. Dan gaat het vooral om de verbouw van cassave als hoofdgewas. Daarnaast aten ze ananas en papaja en de vruchten van de maripa- en awarrapalm, en waren ze bekend met het gebruik van cacao, pepers en masoesa. Nog onbekend in die tijd waren bananen (bacoves), citrusvruchten en kokospalmen. Kleding en hangmatten werden geweven van katoen, en manden en dakbedekking van vezels als troeili en warimbo.[4]

Slavernijperiode[bewerken | brontekst bewerken]

Suikerrietoogst, getekend door plantage-eigenaar Théodore Bray, circa 1850
1rightarrow blue.svg Zie plantages in Suriname voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De eerste kolonisten die zich in Suriname vestigden waren Engelsen. Kapitein Marshal vestigde zich rond 1630 in het gebied en deed een vergeefse poging om tabak te planten. Twintig jaar later kwamen uit Brazilië verdreven Joden naar dit gebied die begonnen met de verbouw van suikerriet. Op de hoger gelegen gebieden raakte de bodem echter binnen twee à drie jaar uitgeput waardoor telkens nieuw land ontgonnen moest worden en de andere gronden tien jaar braak bleven liggen. Dit veranderde met de komst van de Zeeuwen onder gouvernementschap van Van Aerssen van Sommelsdijck die de lagergelegen vruchtbare kustvlaktes inpolderde. Hierdoor werd de verbouw van suikerriet gedurende vijftien achtereenvolgende jaren mogelijk en steeg de suikeropbrengst aanmerkelijk.[4]

De tweede helft van de 18e eeuw kenmerkte zich door een overmatige steun van de plantages met kredieten uit Nederland en een naar verhouding te luxueus leven op de plantages in Suriname. Hierop volgde in 1773 een beurskrach wat tot het faillissement van veel plantages in Suriname leidde. Sinds 1800 was er een aanhoudende teruggang in het aantal plantages totdat ze rond het midden van de 20e eeuw geheel verdwenen.[5]

Toen Nederland op 1 juli 1863 de slavernij afschafte, waren er nog 216 plantages over.[5] De helft van de zwarte bevolking was toen inmiddels vrij;[6] 34.800 mensen nog niet.[7] Rond 1860 was 57 procent van alle slaven betrokken bij de verbouw van suikerriet. 23 procent was betrokken bij de verbouw van koffie, cacao en voedsel, 14 procent bij katoenverbouw en 7 procent in de houtwinning.[7]

Plantages in Suriname.PNG
Jaar Aantal
1667 178
1671 111
1740 250
1800 650
1832 450
1862 216
1872 131
1903 82
1950 10[5][8]

Nieuwe migranten[bewerken | brontekst bewerken]

Aankomst Javanen in Paramaribo, foto: 1920-30
1rightarrow blue.svg Zie ook de lijst van migratieschepen naar Suriname over dit onderwerp

In de emancipatiewet van 1863 werd gesteld dat de slaven die bij de afschaffing van de slavernij aan een plantage toebehoorden nog tien jaar verplicht contractarbeid op die plantages moesten verrichten. Nadat deze verplichting in 1873 verviel, verlieten velen van hen de plantages.[7] In 1853 was de overheid vooruitlopend op een mogelijke afschaffing van de slavernij begonnen met de werving van Chinese contractarbeiders. Het succes van deze werving viel tegen en vanaf 1873 kwam een immigratie van Hindoestaanse contractarbeiders uit Brits-Indië op gang. Vanaf 1890 volgden ook Javaanse contractarbeiders naar Suriname. Deze arbeidskrachten kregen een contract van vijf jaar waarna zij mochten terugkeren naar hun land. De arbeiders die bleven kregen van de overheid een stuk grond van een à twee hectare om te gebruiken voor landbouw; hiervoor werden gronden van de plantages verkaveld. Ook werden gewassen uit Azië geïntroduceerd, met als belangrijkste rijst sinds 1890. Veel Hindoestanen en Javanen vestigden zich wel blijvend in Suriname.[8]

Opbrengsten per gewas[bewerken | brontekst bewerken]

De Surinaamse landbouwstatistieken worden ingedeeld in drie verschillende groepen: eenjarige, semi-meerjarige en meerjarige gewassen. Deze indeling is botanisch niet juist, maar wordt gebruikt omwille van het nut.[4] In 2018 kwamen de Europese Unie (EU) en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO) overeen agrariërs uit Suriname in de gelegenheid te stellen om niet-traditionele groenten en fruit te exporteren naar de EU.[9]

Landbouwcijfers (2017); bron: ABS[10]
Eenjarige gewassen hectare kg import-/exportproduct
Ongepelde rijst (padie) 59.203 289.431 exportproduct[8]
Maïs 36 86 importproduct[11]
Cassave 285 7.659 importproduct[12]
Overige aardvruchten 215 2.921
Doppinda 18 27 importproduct[12]
Spliterwt (oerdie) 166 141
Overige peulvruchten 26 82
Groente 1.390 24.723 exportproducten[13][14][15]
Watermeloen 124 2.338
Subtotaal 61.563 327.408
Semi-meerjarige gewassen hectare kg import/exportproduct
Banaan (bacove) 1.953 62.887 exportproduct[16]
Bakbanaan (banaan) 529 16.508
Ananas 182 3.657 exportproduct[17]
Passievrucht (markoesa) 17 239
Papaja 37 745
Subtotaal 2.718 84.036
Meerjarige gewassen hectare kg import/exportproduct
Kokosnoot 1.103 14.072 variabel[18][19]
Sinaasappel 1.387 19.145 importproduct[20]
Grapefruit 86 1.227
Poimpelmoes 25 453
Overige citrusvruchten 367 4.565
Avocado (advocaat) 6 94
Mango (manja) 171 2.581 exportproduct[21]
Kers 44 916
Overige meerjarige gewassen 245 2.557
Subtotaal 3.434 45.610
Totaal 67.715 457.054
Bevolkingslandbouw 34.657 245.373
Ondernemingslandbouw 33.058 211.681

Eenjarige gewassen[bewerken | brontekst bewerken]

Rijst[bewerken | brontekst bewerken]

Rijstvelden aan de Zeedijk in Nickerie

Ontwikkeling van de rijstteelt[bewerken | brontekst bewerken]

Rijst werd aanvankelijk uit Azië ingevoerd. Rond 1890 begonnen Hindoestanen met het op kleine schaal verbouwen van padie, het woord dat gebruikt wordt voor ongepelde rijst. Voor de Aziatische migranten maakte rijst deel uit van de dagelijkse voeding. Voor Afro-Surinamers waren dat vooral aardgewassen en vanaf 1918 begonnen ook zij rijst te consumeren. Tot 1930 was de productie in Suriname onvoldoende om de bevolking van te voeden. In de twintig jaar daarna steeg de productie en werd ook voor het eerst op kleine schaal geëxporteerd.[8]

In 1949 werd met behulp van het Welvaartsfonds de Stichting Machinale Landbouw (SML) opgericht en werd de polder rondom Wageningen ter grootte van zesduizend hectare ingericht voor de verbouw van padie. Nederlandse boeren kwamen naar Suriname en kregen elk zeventig hectare om een machinaal rijstbedrijf te starten. Door de lage inkomsten vanwege dalende prijzen op de wereldmarkt keerde een groot deel weer terug. Van de Hindoestaanse rijstboeren wist slechts een deel de overstap te maken. In 1975 was de SML inmiddels een staatsbedrijf. In tegenstelling tot de flexibele particuliere boeren wist ze niet te overleven. Wageningen lag er sindsdien verlaten bij.[22] Sinds 1950 bleef de productie van padie niettemin stijgen en groeide Suriname uit tot exportland. In 2020 werd 70 procent van de opbrengst geëxporteerd. In het land hebben rond de zesduizend gezinnen een bestaan in de rijstsector.[8]

De verbouw van padie gebeurt met name in Nickerie en in mindere mate in Coronie en Saramacca.[8] In 1985 richtte het ministerie van Landbouw de Stichting Agrarische Ontwikkeling Coronie op om de rijstsector in Coronie te stimuleren. Met hulp van donaties uit het Europees Ontwikkelingsfonds waren er een aantal florerende jaren,[23] totdat de wereldmarktprijzen in de jaren 1990 in elkaar zakten. In de jaren 2010 werd vergeefs geprobeerd de sector in Coronie nieuw leven in te blazen, onder meer in samenwerking met de Coöperatie Coroniaanse Boeren.[24]

Overige spelers in de rijstsector[bewerken | brontekst bewerken]

De rijstexport ligt sinds 1960 in handen van de Vereniging van Rijst Exporteurs.[25] Belangenverenigingen in de sector zijn de Vereniging van Padie Producenten, de Surinaamse Padie Boeren Associatie en de Bond van Surinaamse Padieproducenten.

Ondersteunend aan de sector is de overheidsinstantie Stichting Nationaal Rijstonderzoeks Instituut met als werkarm het Anne van Dijk Rijst Onderzoekscentrum Nickerie (Adron).[26] In de jaren 2010 zijn de rijstrassen uit buurland Guyana in opmars ten koste van de zaden van Adron.[27]

Een voormalige overheidsinstantie in de 20e eeuw in de sector was de Stichting Agrarische Kernbedrijven Nickerie. Ze was in Nickerie actief met onder meer een droogfaciliteit voor padie en opslagfaciliteiten.[28] Daarnaast trad het prijsregulerend op in de sector om een hogere prijs voor de boeren te garanderen. Deze rol werd in de jaren 1990 overgenomen door Jaimangal NV die door de Federatie van Agrariërs en Landarbeiders (FAL) was opgezet.[29]

Een overheidsbedrijf met een aandeel in de rijstsector, is Surzwam dat onder meer zwaar materieel beheert, en verhuurt aan rijstboeren.[30]

Maïs[bewerken | brontekst bewerken]

Maïs is een graansoort die niet veel regen kan verdragen. In Suriname werd maïs van oudsher verbouwd als een ontginningsgewas, dat geplant werd nadat een perceel was ontbost. Vervolgens werd het maïs als veevoer gebruikt.[4] Rijst en cassave dienen in de veeteelt als zetmeelsubstituten voor maïs.[31] Rond 2015 was er te weinig eigen productie waardoor maïs wordt geïmporteerd.[11] Rond dezelfde tijd slaagden proeven met een maïsvariant die goed gedijt in Suriname.[32]

Knolgewassen[bewerken | brontekst bewerken]

Bij de verbouw van knolgewassen gaat het in Suriname voor het merendeel om cassave. De gewassen worden door mensen geconsumeerd en zijn daarnaast – vanwege het zetmeelgehalte – ook van belang als bestanddeel van veevoer. In het verleden was het ook een bestanddeel van aluinaarde (5,4 kg per ton).[4] De cassaveteel is in Suriname kleinschalig en gebeurde tot minimaal 2019 met de hand.[33] In 2011 werd de Stuurgroep Ontwikkeling Cassave Sector Para opgericht met het doel kleinschalige, met name vrouwelijke verbouwers te ondersteunen.[34] Daarnaast fungeert ze als incubator voor de cassaveteelt.[35] Verder is er de pomtayer, een knolgewas dat ten grondslag ligt aan een belangrijk nationaal gerecht in de Surinaamse keuken.[36]

Pinda's[bewerken | brontekst bewerken]

De teelt van pinda's is Suriname kleinschalig en gebeurde in de 20e eeuw vooral op zandritsen. Het grootste deel van de lokale consumptie wordt geïmporteerd.[37] In de jaren 2010 stimuleerde het ministerie van Handel, Industrie en Toerisme boeren uit Pokigron en Brokopondo Centrum om de teelt van pinda's op te zetten, door afspraken te maken met een Surinaamse producent van pindakaas.[12] Volgens landbouwkundige en socioloog Deryck Ferrier zou pindateelt in Suriname niet kunnen concurreren tegen importen uit Java, waar een vier maal hogere productie per hectare zou worden behaald.[38]

Semi-meerjarige gewassen[bewerken | brontekst bewerken]

Bananen[bewerken | brontekst bewerken]

Sinds minimaal 1906 is Suriname terugkerend een exportland van bananen geweest. In 1906 was de afzet van cacao afgenomen en werd doelmatig een bananensector opgezet. Sinds 1906 werden de bananen geëxporteerd naar de Verenigde Staten. De Koninklijke West-Indische Maildienst (KWIM) sloot een contract met de United Fruit Company en liet speciaal vier schepen bouwen. Door tegenvallende bananenopbrengsten waren de eerste jaren verliesgevend en vervolgens kregen de plantages te maken met de Panamaziekte. Nadat een schip verging, raakte de KWIM in 1910 in de financiële problemen. In 1912 raakte ze alle vier schepen kwijt door contractbreuk omdat het niet in staat was om te leveren.[39]

Eind jaren 1960 was het Bureau van de Bacovencultuur verantwoordelijk voor de verbouw en export van bananen (bacove is het Surinaamse woord voor handbanaan). De overheid ging in die tijd over tot een gedeeltelijke privatisering van de sector en richtte daarvoor Surland op.[40] Bij de oprichting bleef 51% van de aandelen in hand van het land (LVV) en werd de rest van het pakket in de markt uitgezet.[41] In 2002 beschikte Surland over 2000 hectare landbouwgrond.[42]

In 2002 ging het bedrijf failliet en werd een doorstart gemaakt onder de naam Stichting tot Behoud van de Bananensector in Suriname (SBBS). De financiële situatie van de SBBS bleef vanaf 2008 zorgelijk.[43][44] In 2014 werd de SBBS verkocht aan de Belgische firma UNIVEG van Hein Deprez (Greenyard), waarbij de Surinaamse overheid 10 procent van de aandelen behield.[45] In februari 2020 bevond het bedrijf zich in zware financiële problemen en werd het door Deprez onbeheerd achtergelaten.[46] In oktober 2020 verklaarde president Chan Santokhi aan de doorstart te werken.[47]

Ananas[bewerken | brontekst bewerken]

Ananas is een vrucht die in de 20e en 21e eeuw op kleine schaal wordt gekweekt op de lichte gronden, zowel in het binnenland als aan de kustvlakte.[48] De omstandigheden zijn niet ideaal voor de plant, die het goed doet bij droogte en een relatief lage temperatuur van circa 25 graden.[4] Begin 21e eeuw kreeg de ananascultuur van circa drie hectare van Pierrekondre in Para het label Agro Fair toegekend.[49] Samen met de telers in Redidoti volgde in 2018 een biologische certificering van Control Union Certification.[17] Begin 2020 ontwikkelde het ministerie van Landbouw een ananasproject in La Poule in Saramacca.[50]

Meerjarige gewassen[bewerken | brontekst bewerken]

Kokosnoten[bewerken | brontekst bewerken]

Coronie is het district waar zich de meeste kokospalmen bevinden. De palmen hadden in de voorgaande eeuw te kampen met schimmels, virusziekten, insecten en aaltjes. Door de grote variëteit aan vijanden van de plant werd toen nagedacht over een overstap op dwergvariëteiten.[4] In de jaren 2010 is de opbrengst in Suriname bij tijden amper voldoende om te kunnen voorzien in de behoefte van de verwerkende sector in het land.[18][19]

Citrusvruchten[bewerken | brontekst bewerken]

Van oorsprong uit Azië, zijn citrusvruchten in een vroeg stadium in de (sub)tropische gebieden geïntroduceerd. De belangrijkste soorten in Suriname zijn de sinaasappel, mandarijn, grapefruit, pompelmoes, citroen en limoen (lemmetje).[51] Eind jaren 1940 was de sector zover ontwikkeld, dat de Surinaamse Citrus Centrale werd opgericht om de citruscultuur en -export te bestendigen.[52] Van 1960 tot 2017 was er tussen de 1.200 en 2.400 hectare land bestemd voor de verbouw van citrus.[53] Citrusvruchten zijn in 2019 een exportproduct.[54] De cultuur is voor een belangrijk deel in handen van het Staatsbedrijf Alliance in Commewijne.[55]

Palmolie[bewerken | brontekst bewerken]

Voor oliepalmen kent Suriname goede omstandigheden. De productie van palmolie kan echter alleen op grote schaal plaatsvinden, omdat er voor de verwerking een grote fabriek nodig is.[4] Rond 1970 werden in Suriname op grote schaal oliepalmen aangeplant door aansluitend de landbouwmaatschappijen Victoria, Phedra en Patamacca, die tezamen de Gemeenschappelijke Plantaardige Oliën en Vetten Bedrijven vormden. De beginjaren waren succesvol, maar uiteindelijk gingen ze binnen enkele decennia ten onder aan stakingen, de speerrotziekte en de Binnenlandse Oorlog (1986-1992).

Sinds 2004 werd gesproken over de herstart van de palmolieverbouw op Patamacca in Marowijne. Er werd een partner gevonden in China Zhong Heng Tai die daarnaast ook houtkap- en exploitatievergunningen verwierf. Na zestien jaar heeft de Chinese onderneming nog geen start gemaakt in de palmolieverbouw.[56][57][58]

Suiker[bewerken | brontekst bewerken]

Tweehonderd jaar lang was suikerriet het belangrijkste landbouwgewas in Suriname. Medio jaren 1970 bleef Mariënburg over met een oppervlakte van 2300 hectare,[4] totdat die er in 1986 ook mee stopte.[59] In de jaren 2010 waren er nieuwe initiatieven om de verbouw van suikerriet te herstarten in Nickerie, met het doel om er bruine suiker en ethanol van te maken. Het initiatief werd in 2010 door de Staatsolie Maatschappij Suriname genomen. In de jaren erna kwamen de concessies bij een Chinese joint venture te liggen.[60][61][62]

Cacao[bewerken | brontekst bewerken]

In de 18e eeuw was cacao een belangrijk handelsproduct. Sinds 1950 werd een herstart met cacao gemaakt.[63] De teelt kwam daarna opnieuw in de problemen door de krullotenziekte.[4] Tegenwoordig (stand 2016) wordt er geen cacao meer aangebouwd in Suriname.[64]

Onderzoek[bewerken | brontekst bewerken]

Het Centrum voor Landbouwkundig Onderzoek in Suriname (Celos) is een academisch agrarisch onderzoekscentrum. Het heeft de hoofdvestiging op het terrein van de Universiteit van Suriname in Paramaribo en daarnaast enkele nevenvestigingen verderop in het land. Het werd in 1965 opgericht door het Surinaamse landbouwministerie en de Nederlandse Landbouwhogeschool Wageningen.[65][66][67]

Een ander overheidsbedrijf is de Stichting Proeftuinen in Suriname, met onderzoek naar plantenziekten en plagen.[68] InVitroPlants (voorheen Phyto Tech NV) is eigendom van Grassalco en houdt zich bezig met plantvermeerdering, zoals kloning en genetische modificatie.[69]

Onderwijs[bewerken | brontekst bewerken]

Op academisch niveau biedt de Universiteit van Suriname leergangen op landbouwkundig gebied;[70] in de nabijheid bevindt zich het academische onderzoekscentrum Celos. Verder kent de hbo-instelling Polytechnic College Suriname meerdere landbouwkundige studierichtingen. Daarnaast zijn er opleidingen op middelbaar (Natin) en voortgezet niveau.

In de bevolkingslandbouw ontbeert het vaak aan landbouwkundige kennis en inzichten. Om ook dorpelingen in verder afgelegen gebieden te bereiken, is het ministerie meermaals de districten ingetrokken voor het geven van cursussen en trainingen, zoals in het afgelegen dorp Ricanau Mofo.[71] Ook heeft het ministerie projecten opgezet om branches te ondersteuen, zoals de cassavesector.[72]

Organisaties[bewerken | brontekst bewerken]

Naast eerder genoemde ondernemersorganisaties zijn verder de Vereniging van Exporteurs van Agrarische Producten in Suriname, de Federatie van Surinaamse Agrariërs en de Vereniging voor Ondersteuning van de Agrarische sector in Suriname (Agras) actief.

Sinds 2015 wordt op 8 oktober jaarlijks de Dag der Agrariërs gehouden[73][74] en jaarlijks is er de verkiezing van de Meest Duurzame Landbouwer van Suriname; in 2020 werd deze prijs uitgereikt aan Naga's Augurken in Wanica van de ondernemer Ashokkoemar Narain.[75]

In 2008 werd het Agrarisch Krediet Fonds opgezet uit de Verdragsgelden, met kredieten voor kleine en middengrote bedrijven tegen een laag rentepercentage.[76] Minister Lekhram Soerdjan hief het fonds in december 2018 op en bracht het onder bij de Nationale Ontwikkelingsbank (NOB).[77] Eind 2020 bespreekt de regering-Santokhi een herleving van het fonds met de Verenigde Staten en Nederland; beide landen tonen interesse om het fonds te ondersteunen.[78][79]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]