Landelijke Knokploegen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Landelijke Knokploegen of LKP is de naam voor een verzetsorganisatie die werd opgericht door de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO). De onderduikers die geholpen werden hadden dringend behoefte aan allerlei voorzieningen, zoals persoonsbewijzen en bonkaarten, die zij onder eigen naam natuurlijk niet konden krijgen. Daartoe waren her en der al zelfstandige Knokploegen werkzaam, die hun buit meestal onder hun eigen achterban verdeelden.

Door de sterk toenemende repressie van de Duitse bezetter en de nasleep van de April-meistaking steeg de behoefte echter snel. Derhalve besloot de LO-leiding op 14 augustus 1943 tot oprichting van eigen Knokploegen en de bundeling van bestaande. Hiermee werden de leden Hilbert van Dijk en Izaak van der Horst (beiden uit Kampen) belast, tezamen met de leider van de Westlandse Knokploeg Leendert Valstar en de ondergedoken beroepsmilitair Liepke Scheepstra. Later werden Theodorus Dobbe en Johannes Post aan de landelijke leiding toegevoegd. Valstar bereisde het westen van het land, Scheepstra het oosten; daarnaast leidden zij regelmatig operaties met hun eigen Knokploeg.

In het jaar na oprichting opereerden ongeveer 600 verzetsmensen in LKP-verband, verenigd in tientallen knokploegen. Hiermee lukte het de LKP een min of meer regelmatige toevoer van bonkaarten te verzekeren ten behoeve van de aan de LO toevertrouwde onderduikers. Ook voor persoonsbewijzen werden soms overvallen gepleegd; het merendeel daarvan werd echter verkregen door vervalsing (onder andere door de Persoonsbewijzencentrale van Gerrit van der Veen). Daarnaast had de LO haar eigen Falsificatiecentrale.

Ook met andere activiteiten hield de LKP zich bezig, zoals het buitmaken van wapens en de bevrijding van gearresteerde medestrijders, evenals met sabotage en het liquideren van verraders. De invoering begin 1944 van de zogenaamde tweede distributiestamkaart zorgde voor nieuwe problemen; deze was noodzakelijk om voedselbonnen te kunnen gebruiken en moest voorzien zijn van een controlezegel. Zonder zo'n zegel liep men onmiddellijk tegen de lamp, deze was dus van levensbelang. Bij de Tilburgse zegeltjeskraak op 25 januari 1944 werden ruim 100.000 zegels buitgemaakt om vervolgens via de kanalen van de Ondergrondse te worden gedistribueerd.

Het werk van de LKP was aan de in Londen zetelende regering zo goed als onbekend. Het lukte de leiding niet verbinding te leggen met de Engelse spionagedienst. Derhalve was de LO/LKP geheel op eigen kracht aangewezen.

Naarmate het einde van de oorlog in zicht kwam, bereidde men zich voor op actieve medewerking aan de verwachte invasie door middel van sabotage van verbindingen, spoorlijnen en dergelijke. Velen van hen maakten deze fase echter niet meer mee. In de loop van de oorlog werden vele tientallen KP-leden opgepakt en gefusilleerd, waaronder het merendeel van de landelijke leiding. Van de KP-top overleefde alleen Liepke Scheepstra de oorlog.

Externe links[bewerken]