Lankascincus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Lankascincus
Lankascincus gansi
Lankascincus gansi
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Reptilia (Reptielen)
Orde:Squamata (Schubreptielen)
Onderorde:Lacertilia (Hagedissen)
Infraorde:Scincomorpha (Skinkachtigen)
Familie:Scincidae (Skinken)
Onderfamilie:Sphenomorphinae
Geslacht
Lankascincus
Greer, 1991
Afbeeldingen Lankascincus op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Lankascincus op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Herpetologie

Lankascincus is een geslacht van hagedissen uit de familie skinken (Scincidae).

Naam en indeling[bewerken]

De wetenschappelijke naam van de groep werd voor het eerst voorgesteld door Allen Eddy Greer in 1991. Hij splitste de soorten af van de bosskinken uit het geslacht Sphenomorphus op basis van hun kenmerken. Greer beschreef zelf verschillende vertegenwoordigers van de groep. In 2007 werd door de Sri Lankaanse herpetologen Sudesh Batuwita en Rohan Pethiyagoda de soort Lankascincus greeri beschreven. De soortaanduiding greeri is een eerbetoon aan Greer voor zijn vele werk aan met name de taxonomie van de skinken.

Er zijn tien soorten, waarvan er drie voor het eerst in 2007 werden beschreven. In sommige bronnen wordt daarom een lager soortenaantal vermeld. Een aantal soorten behoorde eerder tot de geslachten Eumeces, Lygosoma en Sphenomorphus.

Uiterlijke kenmerken[bewerken]

De skinken hebben een langwerpig lichaam met een lange staart die 1,5 tot twee keer zo lang is als het lichaam. De kop is relatief kort, de snuitpunt is spits. De poten zijn klein maar goed ontwikkeld, de poten hebben vijf vingers en tenen.[1]

Verspreiding en habitat[bewerken]

Alle soorten komen voor in delen van zuidelijk Azië en leven endemisch in Sri Lanka.[2]

De habitat bestaat uit vochtige bergbossen, tropische regenwouden en gemengde bossen. De dieren worden zowel in laaglanden langs de kust als in bergstreken aangetroffen. De hagedissen leven in de strooisellaag of onder stenen en houtblokken in vochtige omgevingen. De vrouwtjes zijn eierleggend en zetten per legsel in de regel twee eieren af die ze verbergen op de bodem.

Door de internationale natuurbeschermingsorganisatie IUCN is aan twee soorten een beschermingsstatus toegewezen. De soort Lankascincus taprobanensis wordt beschouwd als 'gevoelig' (Near Threatened of NT) en Lankascincus deignani staat te boek als 'bedreigd' (Endangered of EN).[3]

Soorten[bewerken]

Het geslacht omvat de volgende soorten, met de auteur en het verspreidingsgebied.

Naam Auteur Verspreidingsgebied
Lankascincus deignani Taylor, 1950 Sri Lanka
Lankascincus deraniyagalae Greer, 1991 Sri Lanka
Lankascincus dorsicatenatus Deraniyagala, 1953 Sri Lanka
Lankascincus fallax Peters, 1860 Sri Lanka
Lankascincus gansi Greer, 1991 Sri Lanka
Lankascincus greeri Batuwita & Pethiyagoda, 2007 Sri Lanka
Lankascincus munindradasai Mendis Wickramasinghe, Rodrigo, Dayawansa & Jayantha, 2007 Sri Lanka
Lankascincus sripadensis Mendis Wickramasinghe, Rodrigo, Dayawansa & Jayantha, 2007 Sri Lanka
Ceylonese boskink (Lankascincus taprobanensis) Kelaart, 1854 Sri Lanka
Lankascincus taylori Greer, 1991 Sri Lanka

Bronvermelding[bewerken]