Naar inhoud springen

Latere Liang (16 Koninkrijken)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Latere Liang
Latere Liang
Ligging van Latere Liang in Noord-China in het jaar 391.
Naam (taalvarianten)
Vereenvoudigd 后凉
Traditioneel 後涼
Pinyin Hòu Liáng
Wade-Giles Hou-liang

De Latere Liang-dynastie (386-403) was een niet-Chinese dynastie die regeerde over een deel van Noord-China tijdens de periode van de Zestien Koninkrijken (304-439). Toen was dat gebied verdeeld in staten die voor het merendeel door niet-Chinese ruiternomaden waren gevormd. Latere Liang wordt door Cui Hong (478 – 525) in zijn Lente- en herfstannalen van de Zestien Koninkrijken gerekend tot de Zestien Koninkrijken.

Samenvattend overzicht

[bewerken | brontekst bewerken]

De staat werd in 386 gesticht door Lü Guang (呂光, 337-399/400). Hij behoorde tot het volk van de Di. Vanaf 386 beschouwde hij zich als gouverneur (mu, ) van de provincie Liang (Liangzhou). In 389 benoemde hij zichzelf tot "koning van Sanhe" (三河王) en in 396 proclameerde hij zich tot "Hemelse koning van Groot-Liang" (大涼天王). Zijn staat omvatte de huidige provincie Gansu en delen van Ningxia, Qinghai en Xinjiang. De hoofdstad was Guzang (姑臧, het huidige Wuwei in Gansu). De staat kreeg te maken met twee afsplitsingen (in 397 van Zuidelijke Liang en in 398 van Noordelijke Liang), raakte steeds meer betrokken bij oorlogen met buurstaten en na 400 ook met troontwisten. Door een hongersnood verslechterde de economische situatie zodanig dat in 403 de laatste heerser zich onderwierp aan Latere Qin (後秦, 384-417).

Politieke geschiedenis

[bewerken | brontekst bewerken]

Voorgeschiedenis

[bewerken | brontekst bewerken]

Lü Guang werd in 337 geboren en was afkomstig uit de omgeving van het huidige Tianshui in Gansu. Hij behoorde tot het volk van de Di. Zijn vader Lü Polou (呂婆樓, †?) was een generaal in dienst van Fu Jian (苻堅, 337-385) en hielp hem om in 357 heerser van Vroegere Qin te worden. Hij werd daarna een van zijn adviseurs.

Lü Guang kwam op advies van eerste minister Wang Meng (王猛, 325-375) in dienst bij Fu Jian. Hij sloeg in Vroegere Qin twee opstanden tegen Fu Jian neer en nam in 370 deel aan de verovering van Vroegere Yan (337-370). Hij ontving daarvoor de titel Duting hou (都亭侯, markies van Duting). In 378-380 onderdrukte hij een rebellie geleid door Fu Luo (苻洛), een neef van Fu Jian.

Muurschildering van Kumārajīva in de Witte Paard Pagode, Dunhuang.

In 382 werd Lü Guang door Fu Jian naar de Westelijke Regio (het huidige Xinjiang) gestuurd om daar een gouverneurschap te vestigen. Hij stond aan het hoofd van een leger van 100.000 infanteristen en 5.000 cavaleristen, dat in het voorjaar van 383 vertrok vanuit Chang'an, de hoofdstad van Vroegere Qin. Begin 384 hadden de meeste oasestaatjes de suzereiniteit van Vroegere Qin vrijwel zonder strijd erkend. Alleen Kucha gaf zich pas over na een belegering. Ondertussen was de poging van keizer Fu Jian om ook zuidelijk China te veroveren mislukt, toen hij in 383 de Slag aan de Fei-rivier verloor. Na deze nederlaag viel Vroegere Qin uiteen, waardoor Lü Guang niet meer niet meer formeel kon worden benoemd. Die wilde zich desondanks in Kucha gaan vestigen, maar moest onder druk van zijn manschappen in 385 toch naar het oosten terugkeren. De gemaakte buit zou zijn vervoerd op 20.000 kamelen, maar het in het Boek van de Wei (in juan 95) genoemde aantal van 2.000 kamelen is waarschijnlijk realistischer. Behalve goederen werden ook personen meegevoerd, waaronder de boeddhistische monnik, geleerde en vertaler Kumārajīva (344-413), die afkomstig was uit Kucha.

Toen Lü Guang de Jaden Poort (Yumenguan, 玉門關), het beginpunt van de Chinese Muur naderde, weigerde Liang Xi (梁熙), de Vroegere Qin-gouverneur van de provincie Liangzhou (westelijk Gansu en oostelijk Xinjiang) hem de toegang. Lü Guang versloeg en doodde hem en veroverde zo de provinciehoofdstad Guzang (姑臧, het huidige Wuwei, Gansu). Toen hij in de winter van 386 hoorde van de dood van Fu Jian, nam Lü Guang een eigen jaartitel aan, Tai'an (太安, ook: Da'an 大安, 386-388). Deze invoering van een eigen kalender wordt beschouwd als het stichtingsmoment van zijn eigen staat Latere Liang.

Lü Guang (386-400)

[bewerken | brontekst bewerken]

Lü Guang bleef zich in eerste instantie beschouwen als gouverneur (mu, ) van de provincie Liang. In 387 benoemde hij zichzelf tot Jiuquan gong (酒泉公, "hertog van Jiuquan"). Hij consolideerde zijn macht verder door troonpretendent Zhang Dayu (張大豫), de zoon van de laatste heerser van Vroegere Liang (314-376) gevangen te nemen en vervolgens te executeren. In 389 verklaarde Lü Guang zich openlijk onafhankelijk door zich uit te roepen tot Sanhe wang (三河王), de "Koning van de Drie Rivieren", waarmee de Datong Rivier (大通河, Datong He), de Gele Rivier en de Tao He werden bedoeld.

In 391 viel Lü Guang de buurstaat Westelijke Qin (385–400, 409–431) aan. De aanval mislukte, waarbij generaal Lü Bao (呂寶, †392, een broer van Lü Guang) met meer dan 10.000 van zijn soldaten sneuvelde. Deze aanval vormde het begin van een reeks gevechten tussen Latere Liang en Westelijke Qin. Na een succesvol offensief in de herfst van 396 werd Qifu Qiangui (乞伏乾歸, r.388-399), heerser van Westelijke Qin een vazal van Lü Guang. Eerder, in 394 was ook Tufa Wugu (禿髮烏孤, †399), leider van de Xianbei in de provincie Liang zijn vazal geworden. In 394 bleek verder dat Lü Guang zijn macht ook over het grootste deel van de Westelijke Regio had weten uit te breiden toen hij zijn zoon Lü Fu (呂覆) naar Gaochang stuurde om daar de verdediging op te bouwen.

In 396 proclameerde Lü Guang zich tot Da Liang tianwang (大涼天王, "Hemelse koning van Groot-Liang"), een titel vergelijkbaar met die van keizer. Hij benoemde zijn zoon Lü Shao (呂紹, †400) tot kroonprins en verhief zijn broers, zonen en neven in de adelstand. Ook diverse functionarissen ontvingen een hoge titel, Zijn vazal Tufa Wugu weigerde die titel, maar behield wel de meegeleverde gift van musici en ambachtslieden.

Afscheiding van Noordelijke Liang

[bewerken | brontekst bewerken]
Positie van Latere Liang in 398.

Toen Qifu Gangui van Westelijke Qin in 397 zijn vazalstatus opzegde wilde Lü Guang hem straffen. Een expeditieleger onder leiding van zijn broer Lü Yan (呂延) werd echter verslagen, waarbij Lü Yan sneuvelde en het leger zich weer terugtrok. Lü Guang hield twee ondergeschikten van Lü Yan, de Xiongnu Juqu Luochou (沮渠羅仇) en Juqu Quzhou (沮渠麴粥) verantwoordelijk voor de nederlaag. Zij werden ter dood gebracht. Hun neef Juqu Mengxun (沮渠蒙遜, 368–433) begon een opstand onder de Xiongnu in de provincie Liang tegen de Latere Liang. Lü Guang stuurde zijn zoon Lü Zuan (呂篡) op hem af. Terwijl die Juqu Mengxun tot in de bergen achtervolgde, belegerde zijn neef Juqu Nancheng (沮渠男成) de bestuurszetel van het district Jiankang (建康, het huidige Zhangye, Gansu). De door Latere Liang benoemde gouverneur van dat district, Duan Ye (段業, †401) sloot zich aan bij de opstand van de Xiongnu en riep de onafhankelijke staat Noordelijke Liang (398-439/460) uit. Tegelijkertijd kwam in de hoofdstad Guzang generaal Yang Gui (楊軌) tegen Lü Guang in opstand. Lü Zuan werd gedwongen de strijd tegen de Xiongnu te staken en terug te keren naar de hoofdstad, waar hij de opstand wist te onderdrukken.

Afscheiding van Zuidelijke Liang

[bewerken | brontekst bewerken]

Na de nederlaag tegen Westelijke Qin in 397 had ondertussen een andere vazal van Latere Liang, Tufa Wugu, zich zelfstandig verklaard. Hij riep de staat Zuidelijke Liang (397-414) uit. Een strafexpeditie tegen hem onder leiding van generaal Dou Gou (竇苟) mislukte. Vanaf dat moment was Latere Liang het doelwit van voortdurende aanvallen vanuit Zuidelijke Liang, Westelijke Qin en Noordelijke Liang. In 399 of 400 overleed Lü Guang na een ziekte en werd opgevolgd door zijn zoon Lü Shao.

Troonstrijd en annexatie

[bewerken | brontekst bewerken]

Na de dood van Lü Guang in 399 werd zijn zoon Lü Shao de nieuwe "Hemelse koning van Groot-Liang". De feitelijke macht kwam echter in handen van twee oudere broers. Lü Zuan (呂篡, †401) nam de militaire zaken voor zijn rekening en Lü Hong (呂弘, †400) werd regeringsleider. Enkele dagen later viel Lü Zuan het koninklijk paleis aan, daarbij ondersteund door Lü Hong. De nieuwe heerser Lü Shao vluchtte weg uit zijn paleis en pleegde zelfmoord. Lü Zuan verklaarde zich tot nieuwe "Hemelse koning". Zijn vader, Lü Guang werd postuum benoemd tot keizer Yiwu (懿武帝), maar Lü Shao ontving postuum slechts de titel "prins Yin" (隱王) en geen keizerlijke naam.

Aan de samenwerking tussen Lü Zuan en Lü Hong kwam door wederzijds wantrouwen snel een einde. Lü Hong kwam in het voorjaar van 400 in opstand. Die werd door Lü Zuan onderdrukt, waarna hij zijn troepen de vrije hand gaf om zijn eigen (sic!) hoofdstad te plunderen. Lü Hong werd terechtgesteld.

Lü Zuan besteedde zijn tijd vooral aan zijn harem, de jacht en aan drank. Zijn militaire campagnes bleven zonder succes. Zo viel hij Zuidelijke Liang aan, maar werd verslagen. Ook een aanval op Noordelijke Liang in 400, waarbij zelfs de hoofdstad Zhangye (張掖) werd belegerd, moest voortijdig worden afgebroken. Tufa Lilugu (r.399-402), heerser van Zuidelijke Liang stuurde op hetzelfde moment zijn broer Tufa Rutan naar Latere Liang om de hoofdstad Guzang aan te vallen. De stad werd geplunderd en 8000 families werden gedeporteerd naar Zuidelijke Liang.

In 401 viel Lü Chao (呂超, †416), een neef(zegger) van keizer Lü Zuan een plaatselijke hoofdman van de Xianbei, Sipan (思盤) aan. Hij deed dat zonder keizerlijke instemming. Sipan stuurde zijn broer naar de keizer om zijn beklag te doen over deze aanval. Lü Zuan ontbood daarop zowel generaal Lü Chao als de Xianbei-leider naar de hoofdstad om de ontstane ruzie bij te leggen. De keizer legde de schuld bij de generaal, waardoor Lü Chao vreesde voor mogelijke executie. Om de vrede tussen Sipan en Lü Chao te bezegelen werd een groot verzoeningsbanket in het keizerlijk paleis georganiseerd. De keizer raakte daarbij zo dronken dat hij besloot met een wagen door het paleis te gaan rijden. Lü Chao maakte van dit onbewaakte moment gebruik door keizer Lü Zuan met een zwaard te doden.

Lü Chao plaatste na de moord zijn broer Lü Long (呂隆, †416) op de troon. Die liet de meeste staats- en militaire zaken over aan Lü Chao en benoemde hem tot "hertog van Anding" (安定公). Zijn vermoorde voorganger Lü Zuan ontving postuum de titel "Keizer Ling" (靈帝, Lingdi). Generaal Lü Bao, de in 392 gesneuvelde vader van Lü Long (en van Lü Chao) werd postuum benoemd tot "keizer Wen" (文帝, Wendi).

Noord-China na de annexatie van Latere Liang door Latere Qin.

Yao Xing (姚興, r.394–416), de heerser van Latere Qin (384-417) viel in de zomer van 401 met een leger onder bevel van zijn oom Yao Shode (姚碩德) Latere Liang aan. Na een belegering van de hoofdstad Guzang gaven Lü Chao en Lü Long zich over. Zij moesten vijftig leden van hun clan als gijzelaar sturen naar Chang'an, de hoofdstad van Latere Qin. Ook de boeddhistische monnik, geleerde en vertaler Kumārajīva (344-413) werd naar Chang'an gebracht. Yao Xing verleende Lü Long de titel Jiankang Gong (建康公). De aanval door Latere Qin op Latere Liang mocht dan wel zijn beëindigd, aanvallen door Zuidelijke en Noordelijke Liang op Latere Liang gingen door. Dit leidde tot hongersnood in Guzang. In 403 was de situatie daar zo nijpend geworden, dat Lü Long besloot de staat Latere Liang volledig over te dragen aan Latere Qin. Onder escorte van Qin-generaal Qi Nan (齊難) werden Lü Long en Lü Chao naar Chang'an overgebracht. Dit betekende het einde van een zelfstandig Latere Liang.

In Latere Qin mocht Lü Long zijn titel Jiankang Gong ("hertog van Jiankang") blijven gebruiken. Verder zwijgen de bronnen tot 416 over hem. In dat jaar raakten hij en Lü Chao in Latere Qin betrokken bij een mislukte machtsovername door Yao Bi (姚弼), een zoon van heerser Yao Xing. Yao Bi werd gedwongen tot zelfmoord. De overige samenzweerders, waaronder Lü Long en Lü Chao werden de dag erop terechtgesteld.

Overzicht van de heersers van Latere Liang

[bewerken | brontekst bewerken]
  • 386 Gouverneur van Liang: Lü Guang
  • 389 koning van Sanhe: Lü Guang
  • 396 Hemelse koning van Groot-Liang: Lü Guang, Lü Shao, Lü Zuan, Lü Long
  • 403 geannexeerd door Latere Qin
PersoonsnaamRegeer-periodePostume naamTempelnaamJaartitel(s)
Lü Guang (呂光)
(337-399)
386-399(Hou Liang) Yi Wudi (後涼懿武帝), keizer Yiwu /
Wudi (武帝), keizer Wu
(Liang) Taizu (涼太祖)
  • Tai'an (太安, ook: Da'an 大安), 386-388
  • Linjia (麟嘉), 389-395
  • Longfei (龍飛), 396-398
  • Chengkang (承康), 399
Lü Shao (呂紹)
(†399)
399(Hou Liang) Yin wang (後涼隱王), prins Yin-
-
Lü Zuan (呂纂)
(†400)
399-400(Hou Liang) Lingdi (後涼靈帝), keizer Ling-
  • Xianning (咸寧), 399-400
Lü Long (呂隆)
(†416)
400-403(Hou Liang) Houzhu
(後涼後主), Laatste Heerser /
Jiankang gong (建康公), hertog van Jiankang
-
  • Shending (神鼎), 401-403

Historiografische bronnen

[bewerken | brontekst bewerken]

De belangrijkste Chinese historiografische bronnen voor Latere Liang zijn:

Geraadpleegde literatuur

[bewerken | brontekst bewerken]
  • Corradini, Piero, 'The Barbarian States in North China' in: Central Asiatic Journal, 50 (2006), pp.163-232. Hier met name: pp.214-216.
  • Franke, Otto, Geschichte des chinesischen Reiches. Eine Darstellung seiner Entstehung, seines Wesens und seiner Entwicklung bis zur neuesten Zeit, Berlijn (Walter de Gruyter) 2001, (oorspronkelijke uitgave 1936) ISBN 3-11-017034-5. Band 2 Der konfuzianische Staat I. Der Aufstieg zur Weltmacht. Hier met name: pp.88, pp.111-112, pp.184-186.
  • Holcombe, Charles, 'The Sixteen Kingdoms' in: Dien, Albert E. en N. Knapp (eds.), The Cambridge History of China, Vol. 2, The Six Dynasties, 220–589, Cambridge (Cambridge University Press) 2019, ISBN 9781107020771, pp.119-144. Hier met name: p.140.
  • Xiong Cunrui, Historical Dictionary of Medieval China Lanham MD (Scarecrow Press) 2009, ISBN 9780810860537 (Historical Dictionaries of Ancient Civilizations and Historical Eras, no.19), passim.

Overige literatuur

[bewerken | brontekst bewerken]
  • Mather, Richard B, Biography of Lü Kuang, Berkeley (University of California Press) 1959 (Chinese Dynastic Histories Project no.7). Vertaling van de biografie van Lü Guang, gedeelte van juan 122 van het Boek van de Jin
[bewerken | brontekst bewerken]