Leen (feodalisme)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een leen was een gift van een leenheer aan een leenman. Aanvankelijk werd dit beneficium genoemd, vanaf de tiende eeuw feodum. Dit kon land zijn, maar ook een ambt of geldelijke inkomsten. In de ruileconomie ten tijde van het Frankische Rijk konden leenmannen echter vrijwel alleen beloond worden door hen gronden en het vruchtgebruik daarvan te geven.

Door dit leen bond de heer zijn vazallen aan zich, bezegeld door het manschap. Voor beide partijen vloeiden hier verplichtingen uit. De vazallen waren verplicht de heer bij te staan met manschappen ten tijde van oorlog. De heer moest op zijn beurt hen beschermen en zorgen dat zij in hun levensonderhoud konden voorzien.

Aanvankelijk was een leen slechts tijdelijk en viel het na de dood van de vazal weer terug aan de heer. De leenmannen streefden echter steeds meer naar erfelijkheid en dat was dusdanig algemeen dat leenheren hier met hun beperkte middelen niet goed tegen op kon treden. In 877 werd dit gelegaliseerd door het Capitulare van Quierzy. Hieruit ontwikkelde het systeem zich tot het feodalisme, het leenstelsel van de Europese Middeleeuwen.

Een allodium was tijdens het ancien régime een onroerend goed dat geen leengoed was en waarover bij erven geen belasting hoefde te worden betaald. Het werd ook zonneleen genoemd.

Zie ook zwaardleen en spilleleen.