Leen (feodalisme)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Kaart van Ukkel met het leengoed van Roetaert (N167)

In het ancien régime was een leen bezit van de leenheer gegeven in bruikleen aan de leenman. Hierbij werd leengoed gebruikt om onroerene goederen aan te duiden.

Geschiedenis[bewerken | brontekst bewerken]

Aanvankelijk werd dit beneficium genoemd, vanaf de tiende eeuw feodum. Dit kon land zijn, maar ook een ambt of geldelijke inkomsten. In de ruileconomie ten tijde van het Frankische Rijk konden leenmannen echter vrijwel alleen beloond worden door hen gronden en het vruchtgebruik daarvan te geven.

Door dit leen bond de heer zijn vazallen aan zich, bezegeld door het manschap. Voor beide partijen vloeiden hier verplichtingen uit. De vazallen waren verplicht de heer bij te staan met manschappen ten tijde van oorlog. De heer moest op zijn beurt hen beschermen en zorgen dat zij in hun levensonderhoud konden voorzien. Aanvankelijk was een leen slechts tijdelijk en viel het na de dood van de vazal weer terug aan de heer. De leenmannen streefden echter steeds meer naar erfelijkheid en dat was dusdanig algemeen dat leenheren hier met hun beperkte middelen niet goed tegen op kon treden. In 877 werd dit gelegaliseerd door het Capitulare van Quierzy. Hieruit ontwikkelde het systeem zich tot het feodalisme, het leenstelsel van de Europese Middeleeuwen.

Leengrond[bewerken | brontekst bewerken]

Een leengrond of rentegrond is het land dat in leen gehouden wordt door een leenheer aan de laten. De laten waren meestal boeren die de grond bewerkten voor de landbouw. Het grondgebied van een leen vertoonde dikwijls geen aaneengesloten geheel, zodanig dat het een verzameling was van onlogische verspreide gebieden. Dit vindt zijn oorsprong terug bij de lange traditie van het gronderven waarbij leengronden doorgegeven werden van generatie tot generatie.

Betaling[bewerken | brontekst bewerken]

De houders van leengronden of rentegronden, ook wel laten genoemd, moesten jaarlijks renten of cijnzen betalen aan hun heer. Dit kon door middel van cijnzen of penningrenten. Deze renten werden vastgekoppeld aan de grond en in theorie onveranderlijk.

  • Cijnzen. Zij vormden een variabele rente, betaald in natura en/of geld. Naturagoederen werden echter al vroeg omgerekend in geld. Aangepast aan de marktprijzen van het ogenblik. Hierdoor werden cijnzen niet gevoelig voor devaluaties van de munt.
  • Penningrenten. Zij vormden een vaste rente, betaald in geld. Deze renten waren gefixeerd aan een bepaald bedrag dat onveranderlijk bleef, dus niet aangepast aan de marktprijzen. Hierdoor werden penningrenten gevoelig voor de devaluaties van de munt, wat hen financieel oninteressant maakten. In tegenstelling tot cijnzen werden penningrenten steeds minder belangrijk.[1]

Allodium[bewerken | brontekst bewerken]

Een allodium was tijdens het ancien régime een onroerend goed, dus vastgoed waarover bij het erven geen belasting hoefde te worden betaald. Het werd ook zonneleen genoemd.

Soorten leen (selectie)[bewerken | brontekst bewerken]

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]