Leenwoord

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een leenwoord is een woord dat door een taal is ontleend aan een andere taal.

Voorbeelden van leenwoorden:

  • überhaupt (uit het Duits)
  • computer (uit het Engels)
  • bureau (uit het Frans)
  • sultan (uit het Arabisch)

Het Nederlands bezit veel leenwoorden, die soms niet meer als zodanig worden herkend. Zo is het woord kelder van oorsprong een Latijns woord cellarium. In het Groot Leenwoordenboek van Van Dale worden 28.000 Nederlandse woorden beschreven, afkomstig uit zo'n 28 andere talen of taalfamilies.

Leenwoorden moeten niet verward worden met barbarismen. Al zien veel mensen moderne leenwoorden uit het Engels wel als zodanig (zie anglicisme). Een opmerkelijk voorbeeld is het advies[bron?] om het Engelse woord label te vervangen door het woord etiket, terwijl dat een van oorsprong Frans leenwoord is.

Soms vindt ontlening plaats, gevolgd door een terugontlening in omgekeerde richting waardoor doubletten ontstaan:

  • Het Frans ontleende boulevard ‘brede weg’ aan het Nederlandse bolwerk ‘verdedigingswerk’. Vervolgens nam het Nederlands boulevard weer over uit het Frans.
  • Het Frans ontleende mannequin ‘model; paspop, ledenpop’ aan Middelnederlands mannekijn, manneken ‘mannetje, poppetje’. Vervolgens nam het Nederlands mannequin weer over uit het Frans.
  • Het Engels ontleende trawler ‘schip dat met een sleepnet vistʼ waarschijnlijk aan de Middelnederlandse worden trāghelen ‘slepen, treilenʼ, trāghel ‘sleepnetʼ (waaruit Zuidnederlands tragel ‘trekpad, jaagpad; kadeʼ) dat nog verwant is met ons treiler, maar wij hebben trawler in het Nederlands overgenomen.

Het radicaal afkeuren van alle leenwoorden is een vorm van taalpurisme.

Pregnantie[bewerken]

Leenwoorden treden onder andere op als er in de ontlenende taal voor een nieuwe ontwikkeling of nieuw inzicht geen adequaat woord voorhanden is. Van het uit een andere taal ontleende woord wordt dan in zijn nieuwe taalomgeving slechts één specifieke betekenis gebruikt, die de lacune opvult. Dit verschijnsel van betekenisspecialisatie heet pregnantie. Bijvoorbeeld het Oudgriekse drastikós (δραστικός), afgeleid van drastos, het voltooid deelwoord van drān (δραν) ‘handelen, doen’, betekent in het Oudgrieks allereerst ‘ondernemend’ (van een mens gezegd), vervolgens ook ‘sterk werkend’ (van zaken). Deze laatste betekenis werd in de achttiende-eeuwse medische wereld gebruikt voor nieuwe, drastische (laxeer)middelen. In het Franse taalgebied heeft drastique nog steeds een medische connotatie. Bij ons is drastisch een synoniem voor ingrijpend geworden, mogelijk onder invloed van het Engelse drastic.

Pejorisatie en amelioratie[bewerken]

De dieventaal of het Bargoens moest voor buitenstaanders uit de aard der zaak zo onbegrijpelijk mogelijk zijn. Met name veel van oorsprong Hebreeuwse leenwoorden zijn op die manier via het Jiddisch in het Bargoens en vervolgens in het Nederlands terechtgekomen, zij het vaak met een pejoratieve betekenis. Bijvoorbeeld bajes, één van de Bargoense termen voor gevangenis, is ontleend aan het Hebreeuwse bàjit (בית) dat ‘huis’ betekent. Dit aan lager wal raken van een leenwoord heet pejorisatie (of depreciatie). In tegenstelling tot bij pregnantie krijgen de leenwoorden in het geval van pejorisatie een betekenis die ze in de oorspronkelijke taal nooit hebben gehad. Dat laatste geldt ook voor het omgekeerde verschijnsel: amelioratie (of appreciatie), dat minder vaak voorkomt. Een voorbeeld daarvan is bolleboos, ontleend aan Jiddisch met de betekenissen ‘belangrijk persoon, heer des huizes, gezinshoofd’, ontleend aan Hebreeuws bà'al ha-bàjit (בעל-הבית) ‘de huisbaas’.

Verder lezen[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Karl-Heinz Best en Emmerich Kelih (red.), Entlehnungen und Fremdwörter. Quantitative Aspekte, Lüdenscheid: RAM-Verlag, 2014. ISBN 978-3-942303-23-1.

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]