Levensverwachting

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Levensverwachting wereldwijd

██ > 80 jaar

██ >75 jaar

██ >70 jaar

██ >60 jaar

██ >50 jaar

██ <50 jaar

Stervensleeftijd.gif
Groei van de gemiddelde levensduur in België in de periode 1885 tot 2004, bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek - Statistics Belgium, Dienst Demografie

In de demografie is de levensverwachting een statistisch begrip dat het gemiddelde, of wiskundige verwachting, van de resterende levensduur van een individu in de bepaalde groep aangeeft. Voor niet-menselijke organismen wordt de term levensduur vaak gebruikt om op de gemiddelde lengte van het leven van een bepaalde soort aan te geven.

De levensverwachting is sterk afhankelijk van de criteria die worden gebruikt om de groep te selecteren. In landen met een hoog zuigelingssterftecijfer is de levensverwachting bij geboorte erg gevoelig voor het sterftepercentage in eerste levensjaar of levensjaren. In deze gevallen kan een andere maatstaf zoals de levensverwachting op de leeftijd van 10 jaar worden gebruikt om de gevolgen van zuigelingssterfte uit te sluiten en om de gevolgen van andere doodsoorzaken te openbaren. Niettemin wordt gewoonlijk de levensverwachting bij geboorte gespecificeerd. Om die te berekenen veronderstelt men dat de huidige sterftecijfers door het leven van de hypothetische pasgeborenen constant blijven.

De leeftijd waarop de meeste mensen sterven is doorgaans veel hoger dan de rekenkundige levensverwachting. Rond 1860 lag de levensverwachting in Nederland op 37 jaar. Desondanks was de leeftijd waarop de meeste mensen stierven toch nog 73 jaar. De huidige levensverwachting ligt rond de 78 jaar, terwijl de meeste mensen overlijden op een leeftijd van 85 jaar. Het verschil hangt sterk samen met de kindersterfte, die rond 1860 beduidend hoger was dan heden ten dage.[1]

Levensverwachting door de jaren heen[bewerken]

De levensverwachting is in de loop van de laatste eeuwen van menselijke geschiedenis drastisch gestegen. Deze verbetering is grotendeels het resultaat van verbeterde hygiëne (riolering en schoon drinkwater), beschikbaarheid van goed voedsel, levensomstandigheden (verwarming), vrede en geneeskunde. Bij dat laatste speelde met name de uitvinding van vaccins en antibiotica een grote rol. De grootste verbeteringen zijn bereikt in de rijkste delen van de wereld, maar dezelfde gevolgen spreiden zich nu uit in andere delen van de wereld, aangezien hun economieën en infrastructuur verbeteren.

Van de toename van de levensverwachting in de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling-landen zijn statistieken bekend vanaf 1870. Die wijzen uit dat daar de levensverwachting gedurende de periode 1870-1940 met een exponentiële versnelling is toegenomen van ongeveer 40 tot 70 jaar. Was de levensverwachting bij geboorte in de Verenigde Staten in 1901 49 jaar, aan het eind van de eeuw was het 77 jaar. Dergelijke stijgingen zijn ook in andere delen van de wereld opgetreden. De levensverwachting in India en de Volksrepubliek China was rond de 40 jaar in het midden van de eeuw. Rond de eeuwwisseling was dit toegenomen tot rond de 63 jaar. Deze stijgingen waren grotendeels toe te schrijven aan de uitroeiing en de beheersing van talrijke besmettelijke ziekten en aan vooruitgang in landbouwtechnologie (zoals chemische meststoffen). In Afrika is de ontwikkeling het meest achtergebleven. Daar was de gemiddelde levensverwachting in 1990 met 53 jaar het laagst en in Oeganda was dit slechts 42 jaar.

De belangrijkste uitzondering op dit algemene patroon van verbetering is in die landen geweest die het meest door aids zijn getroffen, hoofdzakelijk in zuidelijk Afrika. Daar zijn significante dalingen van de levensverwachting toe te schrijven aan de ziekten die de laatste jaren hun intrede hebben gedaan. Een andere uitzondering is Rusland en andere vroegere republieken van de USSR na de instorting van de Sovjet-Unie. Verwachting van het leven van mannen daalde naar 59,9 jaar (onder de officiële pensioenleeftijd), van vrouwen naar 72,43 jaar (1999).

De hele menselijke geschiedenis door was het grootste deel van de verhoging van de levensverwachting het gevolg van het verhinderen van vroege sterfgevallen. Nochtans geloven vele wetenschappers niet dat dit in de toekomst zal blijven doorgaan. Sommige wetenschappers geloven dat de verdere vooruitgang in de medische wetenschap de levensverwachting nog verder kan verhogen.

Levensverwachting en gender[bewerken]

De levensverwachting wordt ook bepaald door de gender van de persoon. Met gender wordt niet alleen de sekse bedoeld, het feit of iemand vrouw of man is, maar ook de verschillen tussen de sociale en maatschappelijke omgeving van mannen en vrouwen. De levensverwachting van de vrouwelijke sekse is over het algemeen hoger dan die van de mannelijke sekse. Daarnaast kunnen er gendereffecten zijn op de levensverwachting, die veroorzaakt worden door meersterfte, het aantal extra sterfgevallen dat door sociale en maatschappelijke verschijnselen wordt veroorzaakt. In landen waar meisjes als een "verliespost" gezien worden, bijvoorbeeld omdat een grote bruidsschat nodig is, en omdat ze daarna niet meer terugkeren in het gezin van hun ouders, worden de meisjes al dan niet onwillekeurig door de ouders minder goed verzorgd. Dit kan leiden tot hogere sterften. In Nederland van de 19e eeuw kregen jongens, die bijdroegen aan het zware werk op een boerderij, meer of beter voedsel dan de meisjes, die minder bijdroegen. Dit droeg bij aan meersterfte van meisjes.[2] In de stedelijke omgeving van die tijd was er echter juist een meersterfte onder mannen, die onder uitputting leden door het harde werk in fabrieken.

Levensverwachting wereldwijd[bewerken]

De levensverwachting is wereldwijd tussen 2000 en 2015 met gemiddeld 5 jaar gestegen, de snelste toename sinds de jaren 1960. De levensverwachting neemt echter niet altijd toe. Gedurende de jaren 1990 nam de levensverwachting af, met name door de Aids epidemie in Afrika en door het ineenstorten van de Sovjetunie. De toename van de levensverwachting tussen 2000 en 2015 was het grootst Afrika. In 2015 is de levensverwachting van vrouwen in Japan het hoogste, namelijk 86.8 years. In Zwitserland is de levensverwachting voor mannen het hoogste met 81.3 jaar. In Sierra Leone is de levensverwachting zowel voor mannen als voor vrouwen het laagste van de hele wereld, namelijk 50.8 voor vrouwen en 49.3 voor mannen.[3]

Redenen verschillen levensverwachting[bewerken]

De wereldwijde verschillen in levensverwachting worden meestal door verschillen in volksgezondheid, geneeskunde en voeding veroorzaakt. Gemiddeld blijken levensverwachting en vruchtbaarheid (aantal kinderen per vrouw) negatief geassocieerd: hoe langer de levensverwachting, hoe minder kinderen. Een vergelijking van alle landen en regio's laat zien dat vooral de toegenomen welvaart en de verlengde levensverwachting (en niet de cultuur of religie) verband houdt met de afgenomen vruchtbaarheid.[4]

Er zijn ook verschillen tussen groepen binnen hetzelfde land. In de Verenigde Staten waren er in het begin van de 20e eeuw zeer grote verschillen in de levensverwachting tussen mensen van verschillende rassen. Tegenwoordig zijn deze verschillen kleiner. Er zijn significante verschillen in het levensverwachting tussen mannen en vrouwen in de ontwikkelde landen. Vrouwen worden meestal ouder. Deze verschillen tussen de geslachten zijn de laatste jaren kleiner geworden, doordat de levensverwachting van mannen wat sneller stijgt dan die van vrouwen.

De schadelijke gevolgen van gewoonten zoals tabak en andere verslavingen zorgen ook voor een significant verschil in levensverwachting. Roken is de belangrijkste reden[5] waarom in Europa de gemiddelde levensverwachting van mannen lager ligt dan die van vrouwen.

Een ander belangrijk verband met de levensverwachting is er met het beroep. Mensen in beroepen waarvoor een hogere opleiding nodig is, hebben een hogere levensverwachting. Een deel is toe te schrijven aan de arbeidsomstandigheden. Het werken met asbest en in mijnen zorgt voor een lagere levensverwachting. In de ontwikkelde landen neemt door de verbeterde veiligheidsmaatregelen op het werk dit aandeel af. Een ander deel is toe te schrijven aan een verband tussen de keuze van het beroep en de keuze van de lifestyle. Erfelijke aanleg speelt een kleinere rol.[6]

De laatste jaren zijn de zwaarlijvigheid-gecorreleerde ziekten een belangrijke volksgezondheidskwestie in vele landen geworden. De toename van zwaarlijvigheid wordt verondersteld een potentieel gezondheidsrisico te zijn door de stijgende risico's van kanker, hartkwalen en diabetes type 2.

Levensverwachting en pensioen[bewerken]

In veel westerse landen staat de pensioenleeftijd van 65 jaar ter discussie. De gemiddelde leeftijd wordt steeds hoger wat een latere pensioenleeftijd zou rechtvaardigen. Probleem hier is echter dat men de levensverwachting rekende vanaf de geboorte ('gewone' levensverwachting), en niet vanaf de pensioengerechtigde leeftijd: de resterende levensverwachting. De levensverwachting stijgt, maar de resterende levensverwachting steeg aanvankelijk nog niet. Dit kwam bijvoorbeeld door het afnemen van de zuigelingensterfte. Zolang de sterfteleeftijd van een groep stijgt, terwijl die mensen nog steeds voor de pensioenleeftijd overlijden, is er geen argument voor verhogen van de pensioenleeftijd. In Nederland steeg de laatste 50 jaar van de vorige eeuw de levensverwachting, maar de resterende levensverwachting op 65 steeg, zeker voor mannen, niet significant. In 1960 bedroeg de levensverwachting van 65-jarige mannen nog 13,9 jaar, tegenover 15,4 jaar in 2006.[7] Na het jaar 2000 is echter ook de resterende levensverwachting van 65+ers sterk gestegen. Volgens berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) uit 2011 zal 63% van de mannen de leeftijd van 80 jaar bereiken en voor vrouwen is dat 75%.[8]

Hoewel de levensverwachting in Nederland is toegenomen, neemt de kans om te sterven voor mensen met hoge leeftijd (90 jaar en ouder) de laatste 20 jaar weer duidelijk toe; waar een dame van 98 jaar rond 1980 een kans had van ruim 71% om de 99 jarige leeftijd te bereiken, is die kans nu gedaald naar 66%.[9] De toegenomen levensverwachting valt toe te schrijven aan dalende kindersterfte en, de laatste periode vooral de dalende sterftekansen op middelbare leeftijd. Hierdoor zijn er toch beduidend meer mensen van hoge leeftijd, ondanks de voor deze groep toegenomen sterftekansen.

Op basis van CBS cijfers uit 2008, die toch voor Nederland een vrij sterke stijging van de waargenomen levensduur lieten zien (een stijging met 1,4 maanden per jaar, met vooral gunstige ontwikkelingen in de bestrijding van hart- en vaatziekten en de afgenomen sterfte op hoge leeftijden), heeft het Actuarieel Genootschap in december 2009 aangekondigd in 2010 met nieuwe overlevingstafels te komen. De Nederlandsche Bank, toezichthouder van de pensioenfondsen, liet direct weten dat per 31 december 2009 rekening moest worden gehouden met de nieuwe inzichten. Veel pensioenfondsen moesten op basis van de in 2010 gepubliceerde tafels hun voorzieningen nog verder verhogen.

Weer twee jaar later, in september 2012, bevestigt de nieuwe prognose van het Actuarieel Genootschap dat opnieuw vrouwen en mannen langer leven dan eerdere prognoses aangeven. De levensverwachting van mannen en vrouwen bij geboorte neemt toe naar 79,5 jaar respectievelijk 83,1 jaar. En (van belang voor de oudedagsvoorziening: effect ongeveer 1%) de resterende levensverwachting van 65-jarige mannen en vrouwen neemt in 2012 toe naar 18,1 jaar respectievelijk 21,1 jaar. Het verschil in levensverwachting van mannen en vrouwen is opnieuw kleiner geworden. Opgemerkt wordt dat niet zozeer de bovengrens van de uiteindelijk te bereiken leeftijd toeneemt, maar dat het deel van de mensen dat een hoge leeftijd bereikt, stijgt. Kort gezegd: meer mensen worden oud.[10]

Zie ook[bewerken]

Externe link[bewerken]