Levi (stam)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Levieten of de stam van Levi was een van de twaalf stammen van Israël. De Levieten waren van de geslachtslijn van Levi, de derde zoon van Jakob. De Levieten werden ook de "stand der hogepriesters" genoemd omdat ze in de tijd van Mozes in de woestijn door JHWH gekozen zouden zijn, om in Gods tabernakel ("Tent der Getuigenis") en later in de tempel te werken, als hulp van de priesters (de Kohaniem).[1]

Deel van de grafsteen van een Leviet op de Joodse begraafplaats in Woerden.

De stam van Levi voltrok bijzondere religieuze diensten voor de Israëlieten en droeg politieke, militaire en economische verantwoordelijkheden. Onder anderen moesten de Levieten ten tijde van de tempel de handen van de priesters symbolisch reinigen. Op de grafsteen van een Leviet staat daarom vaak een kan of een waterschaal afgebeeld.[1]

Bij de verovering van Kanaän kreeg hun stam geen afgebakend gebied toegewezen. Maar zij verwierven daarentegen wel het recht om tienden te heffen. Toen het volk van Israël het gouden kalf ging aanbidden in de woestijn, was de stam van Levi de enige stam die niet meedeed.[2] Onder de Levieten waren ook muzikanten. Tijdens het offerritueel zong een koor van ten minste twaalf Levieten een psalm (voor elke dag van de week een andere), begeleid door strijkinstrumenten.

Levietendienst[bewerken | brontekst bewerken]

Na de uittocht uit Egypte werd bepaald dat alle eerstgeborenen van de Israëlieten aan God toebehoorden.[v 1] Toen de tabernakel gereed was, vervingen 22 000 mannelijke Levieten deze 'eerstelingen', zodat de eerstgeborenen weer vrij waren.[v 2][n 1] Alle werkzaamheden met betrekking tot de tabernakel werden verricht door mannelijke Levieten van dertig tot vijftig jaar,[v 3] voor lichtere werkzaamheden was de ondergrens 25 jaar.[v 4] Koning David veranderde deze leeftijd in twintig jaar, aangezien de tabernakel niet meer vervoerd hoefde te worden met de bouw van de tempel in het vooruitzicht.[v 5] Leviticus, het derde boek van de Pentateuch, staat in het teken van de Levietendiensten. Numeri en Deuteronomium, het vierde en het vijfde boek, bevatten aanvullende bepalingen voor de Levieten en hun werkzaamheden.

De Levieten waren onderverdeeld in drie afdelingen, de Kehatieten, de Merarieten en de Gersomieten. Tot de Kehatieten behoorden bovendien de Kohaniem, de afstammelingen van Mozes' broer Aäron. Zij waren de enigen die als priesters dienstdeden in de tabernakel en de voorhof. Alle Levieten waren vrijgesteld van de dienstplicht en van andere werkzaamheden dan de tabernakeldienst.[v 6] Om in het levensonderhoud van de Levieten te voorzien gaven de overige twaalf stammen hen een tiende deel van hun oogst en veestapel en na een succesvolle krijgstocht een deel van de buit.[v 7]

Offers[bewerken | brontekst bewerken]

Leviticus 1-10 beschrijft uitsluitend het ritueel en de omstandigheden van het brengen van brandoffers. Ook uit Numeri en Deuteronomium blijkt dat deze offers tweemaal daags werden gebracht. Ook bij speciale gelegenheden was het de gewoonte dergelijke offers te brengen. De Levieten hadden als enigen het recht om van deze offeranden te eten.[3] Ook schenkingen van goud en zilver werden "door JHWH bevolen".

Alleen de Levieten werden geaccepteerd voor het priesterschap van de God JHWH. Zoals uit Psalm 87 en 107 blijkt erkende Israël zichzelf als een verzameling van rassen die werden samengebracht onder eenzelfde embleem, en onder leiding van de machtige Levieten.

Offergaven op het brandofferaltaar en reiniging in het koperen bekken in de voorhof[4]

De offers die in de tabernakel werden gebracht dienden een aantal doelen, waaronder boetedoening, reiniging en dankzegging.[5] De Israëlieten mochten volgens de Bijbel alleen offers brengen op plaatsen die door God waren goedgekeurd. Tijdens de reis door de woestijn naar het beloofde land werd er derhalve, na de inwijding van de tabernakel, alleen op het tabernakelterrein geofferd.[v 8] De offers mochten uitsluitend worden verricht door de Kohaniem. Wanneer anderen een offer aan God wilden brengen, overhandigden zij de offergave aan de dienstdoende priesters.[v 9]

Voordat een offer werd gebracht of de tabernakeltent werd binnengegaan moesten de priesters hun handen en voeten in het koperen bekken wassen.[v 10] Ook mocht een priester niet op het tabernakelterrein komen wanneer hij onrein was, bijvoorbeeld omdat hij onlangs een lijk of een onrein dier had aangeraakt of geslachtsgemeenschap had gehad. Priesters dienden zich in zulke gevallen geheel in water te wassen en tot de zonsondergang te wachten, pas dan waren zij weer ceremonieel rein.[v 11]

Tweemaal per dag werd door de priesters een mannelijk eenjarig lam op het koperen altaar in de voorhof geofferd, tezamen met meelbloem als graanoffer. In de tabernakel werd tweemaal daags voor het voorhangsel van het Allerheiligste wijn als een plengoffer uitgegoten,[v 12] werd de olie in de lampen van de lampenstandaard ververst en werd reukwerk op het reukaltaar gebrand.[v 13] Op de wekelijkse sabbat werden geen twee maar vier lammetjes geofferd.[v 14] Op de tafel der toonbroden in de tabernakel werden op die dag bovendien de twaalf ringvormige toonbroden verwisseld, die de Kehatieten hadden gebakken van meelbloem.[v 15]

Op speciale dagen werden extra offers gebracht op het koperen altaar en in de tabernakel. Op de Verzoendag bijvoorbeeld deed de hogepriester in het Allerheiligste verzoening voor het Israëlitische volk. Hiervoor slachtte hij een jonge stier en een geit, waarop hij hun bloed mengde en rond de Ark van het Verbond sprenkelde. Daarna bestreek hij de vier hoornen van het reukaltaar met het bloed en strooide hij zevenmaal druppels bloed in het rond op het reukaltaar.[v 16][n 2] Andere vaste dagen waarop extra offers werden gebracht waren de eerste dag van elke maand,[v 17] en de drie jaarlijkse feesten: de Pesachweek,[v 18] de Sjavoeot (het oogstfeest of wekenfeest)[v 19] en de Soekot (het loofhuttenfeest).[v 20] Op deze feesten dienden alle mannelijke Israëlieten zich voor de tabernakel te verzamelen.[v 21] Toen de tabernakel in Israël stond was het voor veel Israëlitische gezinnen gebruikelijk om voor de viering van de Pesachweek naar het heiligdom te reizen.[v 22][n 3] Mogelijk vierden de mannen de overige feestweken zonder hun gezin.

Naast de gaven die op een vast tijdstip dienden te worden geofferd waren er nog andere soorten offergaven. Deze konden door Israëlieten of proselieten (bekeerde buitenlanders) aan de dienstdoende priester worden overhandigd. De eerste hoofdstukken van Leviticus behandelen bijvoorbeeld gelofteoffers, vrijwillige offers en dankoffers, die naar eigen inzicht door de gever konden worden aangeboden uit dankbaarheid of om een verbond te bekrachtigen.[v 24] Wanneer het offer een dier betrof, werd het geslacht en werd het bloed rond het koperen altaar in de voorhof gesprenkeld.

Wanneer een individu of een groep personen een zonde had begaan, dienden een of meer dieren uit de veestapel te worden gegeven als zondeoffer.[v 25] Nadat het dier was geslacht, werd het bloed in de meeste gevallen in de tabernakel gebracht en voor het voorhangsel in druppels in het rond gestrooid.[v 26][n 4] Wanneer iemand een zware zonde had begaan volgens de Israëlische wet, stond de zondaar als het ware in de schuld bij God en diende hij een schuldoffer te geven. Dit was gewoonlijk een dier uit het kleinvee, maar wanneer de schuldige niet genoeg bestaansmiddelen had, kon hij in sommige gevallen ook volstaan met twee tortelduiven of twee jonge duiven, of wanneer hij arm was een kleine hoeveelheid meelbloem.[v 27][n 5]

Muziek[bewerken | brontekst bewerken]

David stelde onder de Levieten een aantal zangers en muzikanten aan, zoals de Korachieten, nakomelingen van de tegen Mozes rebellerende Korach. Drie Levieten kregen de leiding over de muziek en zang in de tabernakel, namelijk de Korachiet Heman, de Merariet Ethan en de Gersomiet Asaf.[v 28] Een aantal Psalmen vermeldt in het opschrift 'de zonen van Korach'[v 29] en de naam van Asaf,[v 30] mogelijk een aanduiding voor Asaf en zijn nakomelingen tezamen.

Kledingvoorschriften voor de priesters[bewerken | brontekst bewerken]

De hogepriester (links) en een knielende priester[8]

De instructies voor het vervaardigen van de tabernakel bevatten ook beschrijvingen van de kleding van de dienstdoende priesters. Zij moesten op het tabernakelterrein linnen broeken dragen, met daaroverheen een lang linnen gewaad en een linnen gordel. Op hun hoofd moesten ze een linnen hoofddeksel dragen.[v 31]

De hogepriester droeg over zijn linnen broek en linnen gewaad een blauwe mantel,[n 6] waarvan de zoom was versierd met gouden belletjes en kleine granaatappels. Hierdoor konden de omstanders horen wanneer de hogepriester zich in de tabernakel bevond.[v 32] Over het gewaad heen werd een linnen efod gedragen, een langwerpige doek met een gat in het midden waar het hoofd doorheen gestoken kan worden, zoals bij een poncho. In dit doek waren gouddraad en purperen en blauwe stoffen verweven of geborduurd. De gordel die de efod op zijn plaats hield was van hetzelfde materiaal.[v 33]

Op de schouders van de mantel waren twee onyxstenen aangebracht, waaraan met gouden kettinkjes een borststuk was bevestigd.[v 34][n 7] Dit borststuk was een doek van hetzelfde materiaal als de efod en bevatte twaalf verschillende edelstenen met de namen van Jakobs twaalf zonen erin gegraveerd.[n 8] Het doek van het borststuk was tweemaal zo lang als breed, maar werd dubbelgevouwen op de borst gedragen met de vouw naar beneden. Op deze manier ontstond een draagzak waarin de hogepriester de Urim en de Tummim droeg, twee voorwerpen die dienstdeden in rechtszaken. Het borststuk werd daarom ook wel 'borststuk der rechtspraak' of 'borststuk der Godspraak' genoemd.[v 35]

De hogepriester droeg een linnen hoofddeksel,[v 36] dat waarschijnlijk verschilde van de hoofddeksels van de overige priesters. De Bijbel vermeldt in Leviticus namelijk dat de overige priesters hun hoofddeksel om het hoofd wonden, terwijl de hogepriester het op zijn hoofd plaatste.[v 37] Volgens sommige Bijbelvertalingen was het een tulband,[10] maar Flavius Josephus beschreef het als een hoofddeksel met een conische vorm[11] en sommige Bijbelvertalingen gebruiken daarom het woord 'mijter'.[12] Met een blauwe snoer werd op het hoofddeksel een gouden plaat bevestigd, waarop de tekst "De Heiligheid van JHWH" stond gegraveerd.[v 38]

Aanvullende priestertaken[bewerken | brontekst bewerken]

Door hun dienst in de tabernakel waren de priesters vertegenwoordigers van God en zij bekleedden in die hoedanigheid een groot aantal nevenfuncties. Zo traden ze op als rechter bij ernstige misdrijven als mishandeling en moord,[v 39] en moedigden zij het Israëlitische leger aan wanneer dit ten strijde trok.[v 40] Ook hadden de priesters een grote rol in het 'rein' houden van het kamp. Een persoon die mogelijk onrein was geworden moest men bijvoorbeeld naar de tabernakel brengen en door de priesters laten beoordelen. Hetzelfde gold voor een mogelijk onrein voorwerp. Als de priesters oordeelden dat de persoon of het voorwerp inderdaad onrein was, gaven ze vervolgens instructies uit Gods wet. Nadat de instructies waren volbracht konden de priesters de persoon of het voorwerp weer rein verklaren.[v 41] De afschriften van de wet werden door de priesters bewaard. Zij dienden er op gezette tijden en bij bepaalde gelegenheden uit voor te lezen aan het volk.[v 42]

Militaire en geestelijke leiders[bewerken | brontekst bewerken]

Toen het nomadenvolk van de Israëlieten de Sinaïwoestijn doorkruiste, waren het de Levieten die hen daarbij leidden en die een dagreis voor hen uit bleven om over de volgende kampplaats te beslissen. Mozes trad aanvankelijk als enige rechter in alle geschillen op, maar ten slotte stelde hij toezichthouders aan. Er kwam een verdeling in eenheden van tientallen, vijftigtallen, honderdtallen en duizendtallen, zoals een leger, met elk hun toezichthoudende overste. De Levieten spraken recht en bepaalden de wet.

Zij hadden als enigen het recht om te beslissen over het gebruik van twee zilveren trompetten, die aanvankelijk gebruikt werden als communicatiemiddel voor de gemeenschap bij het opbreken van het kamp en ter verzameling. De hoofden van de andere stammen moesten dan voor de "Tent der Samenkomst" verschijnen.

Ook tijdens de veroveringstochten werden deze trompetten gebruikt om de aanvallende Israëlieten aan te sporen, en als signaal. Volgens de Qumramrollen werd met dit communicatiemiddel de tactiek te velde geregeld.[13]

Zij regelden ten slotte een telling en nummering van de stammen, waar iedere man van eenentwintig of ouder moest meegerekend worden. Bij het naderen van Kanaän werd door de Levieten een groep verspieders opgericht, waarin elke stam met een eigen man betrokken was, maar zelf bleven zij op de achtergrond. Bij opstandigheid werden zware straffen toegepast waaronder steniging.[14]

De oprukkende nomadenstammen uit het noorden, voornamelijk Habiru kwamen in botsing met de gevestigde bevolking, de Kanaänieten. Onder leiding van hun priesterkaste de Levieten, met hun eigen zeden, gewoonten en wetten hebben zij uiteindelijk het hele gebied deels veroverd en onderworpen, nadat de inheemse bevolking grotendeels was afgeslacht, zoals beschreven is in de Hebreeuwse Bijbel.[15] Enkel de vrouwen werden gespaard en als slavinnen mee in de stammen opgenomen. Zij en het goud en zilver mochten "bij de schat van JHWH worden gevoegd". Uitzondering werd daarbij gemaakt voor de priesteressen die aan het hoofd van de tempels stonden maar die ook nog lang na de veroveringen fel werden bestreden.

Later bepaalde de wet dat de Israëlieten van hun erfelijk bezit steden moesten afstaan aan de Levieten, zodat zij er (alleen) konden wonen, evenals weidegronden eromheen.[16] De wet voorzag ook dat andere Israëlieten een Leviet die binnen hun poorten woonde "niet aan zijn lot overlieten". Onder de steden van de Levieten waren zes zogenaamde vrijsteden.

Wetgeleerden[bewerken | brontekst bewerken]

De Levieten waren degenen die in naam van God de wet opstelden en uitwerkten. Zij bleven de hoogste autoriteit op dat gebied en hun gezag werd als onaantastbaar beschouwd. Het wetboek werd ten slotte "naast de Ark des Verbonds van de Heer God" gelegd, zodat zij in feite de enigen waren die er toegang toe hadden voor interpretatie en eventuele aanpassing. De levieten waren ten slotte een welvarende aristocratie.

Wetenswaardigheden[bewerken | brontekst bewerken]

  • De Nederlandse uitdrukking "iemand de levieten lezen", d.w.z. iemand de les lezen, is ontstaan uit de herinnering aan de hoofdinhoud van het boek Leviticus, namelijk dat het de rechten en de plichten beschrijft die God door Mozes aan Israël gegeven heeft.
  • De achternaam Levy met allerlei spellingsvarianten duidt op een patrilinaire afstamming van de Levieten en brengt in traditionele Joodse kringen een bepaalde status met zich mee.

Stamboom[bewerken | brontekst bewerken]

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jakob
 
 
 
 
 
 
 
Lea
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Levi
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Gerson
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Kehat
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Merari
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
LibniSimeï
 
Amminadab
 
Jochebed
 
Amram
 
Jetro
 
Jishar
 
 
Chebron
 
Uzziël
 
MachliMusi
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
NahassonEliseba
 
AäronMirjamMozes
 
Sippora
 
KorachNefegZichri
 
MisaëlElsafanSitri
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Nadab
 
Abihu
 
Itamar
 
Eleazar
 
 
 
dochter van Putiël
 
Gersom
 
Eliëzer
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Merajoth
 
 
Zerachja
 
 
Uzzi
 
 
Bukki
 
 
Abisua
 
 
Pinechas
 
 
Sebuël
 
Rechabja
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Azarja
 
 
Amarja
 
 
Ahitub
 
 
Sadok
 
 
Achimaäs
 
 
Azarja
 
 
Jochanan
 
 
Azarja
 
 
Amarja
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Ezra
 
Jozadak
 
 
 
 
Seraja
 
 
Azarja
 
 
Hilkia
 
 
Sallum
 
 
Zadok
 
 
Achitub
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Jesua
 
 
Jojakim
 
 
Eljasib
 
 
Jojada II
 
 
Jonathan
 
 
Jaddua
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Literatuur[bewerken | brontekst bewerken]

  • Balter, Michael The Goddess and the Bull, Free Press, 2005.
  • Ergener, Reşit Anatolia land of Mother Goddess (1988), Hitit publication Ankara, ISBN 9757521027.
  • Davis-Kimball, Jeannine en Behan, Mona. Warrior Women: An Archaeologist's Search for History's Hidden Heroines, (2002), Warner Books ISBN 0-446-67983-6, ISBN 978-0-446-67983-1