Lijfeigenschap

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Lijfeigenschap is de situatie dat iemands lichaam wordt beschouwd als het eigendom van de heer (landsheer, heerser) van een bepaald gebied. Het is een vorm van horigheid die de slavernij dicht benadert. Het kwam in de Europese middeleeuwen veel voor. Het verschil met slavernij is voornamelijk dat lijfeigenen een gezin konden stichten (wat met slaven lang niet altijd het geval was), een stukje land mochten bebouwen om hun gezin te voeden en niet zonder hun gezin en hun land konden worden verkocht.

De verschillende vormen van onvrijheid zijn niet altijd scherp van elkaar te onderscheiden. Pachterschap, sharecropping (pacht betaling in natura), peonage, schuldslavernij, horigheid, lijfeigenschap en slavernij vloeien in elkaar over.

Ook is het zo dat formele rechten vaak weinig zeggen. De formele rechtspositie van een boer in een bepaalde samenleving kan relatief goed zijn, maar als zijn landheer tevens de plaatselijke rechter is, zal de boer in de praktijk weinig mogelijkheden hebben om zijn rechten te doen gelden.

Ook de abdijen beschikten over lijfeigenen, die in dienst van de monniken werkten. Over het algemeen werden ze heel wat beter behandeld dan door feodale heren. Vandaar het gezegde "onder de kromstaf is het goed te leven". De abdijen verleenden ook sneller vrijheid aan hun onderhorigen.

In 1781 schafte keizer Jozef II bij keizerlijk besluit de lijfeigenschap af. Dit hield onder meer in, zoals in het besluit werd vermeld, dat iedereen het recht had

  • te huwen, op voorwaarde dat hij de ambtenaren van de burgerlijke stand hiervan akte liet opstellen;
  • zijn meester te verlaten en elders werk te zoeken;
  • een ambacht te leren naar zijn keuze;
  • de karweien werden afgeschaft.

Zo ongeveer ten oosten van de rivier de Elbe werd de lijfeigenschap langer intact gehouden. Markant gevolg is dat er weinig trek naar de steden was in die gebieden en derhalve waren daar minder steden dan in het westen. In Rusland werd de lijfeigenschap afgeschaft in 1861.

Verdingung[bewerken]

In Zwitserland bestond tussen 1800 en 1950 een systeem waar weeskinderen en kinderen uit uiteengevallen families als rechtenlozen, tot 1900 op speciale Verding-markten, werden aangeboden aan belangstellenden. De toeslag kreeg degene, die het laagste kostgeld verlangde. In andere gevallen werden zij door loting toegewezen aan welgestelde families, die verplicht waren de kinderen op te nemen, of ze dit nu wilden of niet. Een groot aantal van deze Verding-kinderen belandde bij boerenfamilies, waar zij misbruikt werden voor het verrichten van dwangarbeid.

Zie ook[bewerken]