Lodewijk I van Bourbon-Condé

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Lodewijk I van Bourbon-Condé
Lodewijk I van Bourbon-Condé in 1561.
Lodewijk I van Bourbon-Condé in 1561.
Militaire informatie
Slagen/oorlogen Hugenotenoorlogen:
Huis Huis Bourbon
Vader Karel IV van Bourbon
Moeder Françoise van Alençon
Geboren 7 mei 1530
Vendôme
Gestorven 13 maart 1569
Jarnac
Partner (I) Eleonora van Roye
(II) Françoise van Orléans Longueville
Religie calvinisme
Wapenschild

Lodewijk I van Bourbon-Condé, prins van Condé, hertog van Enghien (Edingen) (Vendôme, 7 mei 1530Jarnac, 13 maart 1569) was een prins van den bloede uit het Huis Bourbon en de voornaamste protestantse leider tijdens de drie eerste Hugenotenoorlogen. Hij werd tijdens de slag bij Jarnac vermoord.

Hij was de stichter van het Huis Condé.

Biografie[bewerken]

Als jongste zoon van Karel IV van Bourbon en Françoise van Alençon was hij een broer van Anton van Bourbon, koning van Navarra, en via deze oom van de toekomstige koning Hendrik III van Navarra en IV van Frankrijk.

Eerste militaire carrière[bewerken]

Hij verrichtte zijn eerste wapenfeiten onder het bevel van de maarschalk van Brissac in Piëmont, waar zijn inzet en enthousiasme niet onopgemerkt bleven. Teruggekeerd naar Frankrijk nam hij in 1552 deel aan de verovering van de Trois-Évêches en in verdediging van Metz. Het volgende jaar zou hij zich onderscheiden tijdens de campagne in Picardië. Als beloning plaatste de koning hem aan het hoofd van een reglementaire compagnie. In 1554 nam hij deel aan de slag bij Renty, waarbij hij aan het hoofd van zijn dragonders een charge leidde. In 1555 keerde hij terug uit Italië, waar hij had gevochten; hij zou op zijn terugweg in Genève een protestantse preek hebben bijgewoond.[1] Ondanks zijn verdiensten werd hem het bestuur over Picardië ontzegd, dat zijn vader en broer reeds voor hem hadden uitgeoefend. In 1557 nam hij deel aan de verdediging van het koninkrijk tijdens de invasie van Champagne en Picardië door de hertog van Savoye. Hij nam deel aan de innames van Calais en Thionville. Ondanks zijn inspanningen bleef hij in de marge van de koninklijke gunst; de positie van kolonel-generaal van de infanterie "par delà les monts"  die hij in 1558 ontving, is bescheiden voor iemand van zijn hoge afkomst.

Hugenotenoorlogen[bewerken]

Na de dood van Hendrik II van Frankrijk werd Lodewijk door ontevreden edelen van lagere stand (de zogenaamde Malcontents) aangesproken om hen te steunen in hun pogingen om het huis Guise van de macht te verdrijven.[2] Hij zou de capitaine muet zijn geweest van de zogenaamde samenzwering van Amboise (maart 1560), die hij uiteindelijk zou bekampen om zijn tegenstanders om de tuin te leiden. Door het Huis Guise, dat de lakens uitdeelde aan het hof, ervan verdacht te hebben deelgenomen aan deze samenzwering, werd Condé verplicht zich voor het koninklijk hof te komen verantwoorden. Dat hij niet werd aangehouden, kwam omdat het Huis Guise geen schriftelijk bewijs hadden van zijn deelnamen aan deze samenzwering.

Gevlucht naar zijn broer, de koning van Navarra, ondersteunde hij actief de opstandige beweging die tijdens de zomer de kop opstak in de provincie.[3] De arrestatie van een van zijn agenten in het bezit van compromitterende documenten bracht de koning ertoe om hem, op 31 oktober, te laten aanhouden.[4] Sommige protestantse bronnen doen het voorkomen alsof het om een terdoodveroordeling ging, zonder dat hiervoor echter enig bewijs is.[5] Zijn executie zou zijn uitgesteld omwille van de ziekte van de koning die op 5 december overleed.[6] Met de wisseling van de macht werd hij door de koningin-moeder Catharina de' Medici, die behoefte had aan een prins van den bloede als tegengewicht voor het Huis Guise, vrijgelaten, na de dood van Frans II van Frankrijk.[7]

Eerste Hugenotenoorlog[bewerken]

Na het Bloedbad van Wassy-sur-Blaise (1 maart 1562) nam Lodewijk de wapens op. In april publiceerde hij een manifest waarin hij zijn voornemen bekent maakte de regentes en de koning te willen bevrijden van de bemoeienissen van het Huis Guise. Ze verkregen beloften van hulp vanuit het Heilige Roomse Rijk en maakten met een handvol ruiters zich meester van verscheidene steden in het Loiredal.[8] De protestanten namen de controle over in de Rhônevallei, de Dauphiné, de Languedoc, Lyon, waarvan hij de bescherming toevertrouwde aan Jan V van Parthenay. Maar geen enkele versterking wist hem te bereiken, noch uit deze regio's noch uit Guyenne. Hij verloor de slag bij Dreux en werd er krijgsgevangen genomen (1562). Hij werd door het edict van Amboise van 1563 in vrijheid gesteld, die aan de Hugenoten een zekere mate van godsdienstvrijheid toestond.

Tweede Hugenotenoorlog[bewerken]

In 1567 trachtte hij de koning en zijn moeder te ontvoeren. Deze episode, die onder de naam de Verrassing van Meaux de geschiedenis inging, deed de oorlog tussen beide religieuze kampen terug opflakkeren. De prins van Condé leverde in november 1567 slag bij Saint-Denis, die onbeslist eindigde, en werd beëindigd met een relatieve vrede, de Vrede van Longjumeau, die in werkelijkheid niets meer was dan een wapenstilstand die beiden kampen toeliet hun troepen te versterken.

Derde Hugenotenoorlog[bewerken]

Tijdens de wapenstilstand die volgde op de Vrede van Longjumeau trok Lodewijk zich terug in het kasteel van Noyers. Hier werd hij op 23 augustus door koninklijke troepen bedreigd, en hij sloot zich op 19 september in La Rochelle weer aan bij Gaspard de Coligny. Ze troffen er ook Johanna van Albret en haar Gasconjers aan, in het gezelschap van Armand de Clermont, baron van Piles, en zijn Périgordische edelmannen, ruiters van de seneschalk van Poitou Fonteraille, en wat later werden ze vervoegd door Jacob II van Crussol, de baron van Acier.

De confrontatie met het koninklijk leger vond op 13 maart 1569 plaats te Jarnac. Gewond tijdens de strijd trachtte Condé zich nog over te geven toen hij werd vermoord door een pistoolschot van Joseph-François de Montesquiou, kapitein van de garde van Hendrik, de hertog van Anjou, bijgenaamd de manteaux rouges. Rondgeleid op ezelin was zijn lijk het voorwerp van spottende opmerkingen van het katholieke leger alvorens gedurende twee dagen tentoongesteld te worden op een tafel in het kasteel van Jarnac.[9]

Hij was de eerste van zijn familie die men M. le Prince noemde.

Zijn zogenaamde Mémoires zijn een compilatie van diverse geschriften met betrekking tot de geschiedenis van de protestanten uit zijn tijd.[10]

Voorouders[bewerken]

Kinderen[bewerken]

Uit zijn huwelijk dat werd gevierd op 22 juni 1551 met Eleonora van Roye, Vrouwe van Conti (1535-1564) te Condé-en-Brie (02), had hij acht kinderen:

Uit zijn tweede huwelijk, gevierd op 8 november 1565 te Vendôme (41) met Françoise van Orléans Longueville (1549-1601) te Paris, werden geboren:

Hij liet ook een buitenechtelijke zoon achter (geboren in mei of juli 1564 te Dijon) bij Isabella van Limeuil bijgenaamd Mademoiselle de la Tour, hofdame van Catharina de' Medici van dewelke ze een verwante was (haar grootvader was Antoine de La Tour vicomte de Turenne) en latere echtgenote van Scipion Sardini, burggraaf van Buzancy, baron van Chaumont-sur-Loire. Zij stamde af van koning Lodewijk IX van Frankrijk. De prins van Condé had het kind laten ophalen en beloofd het te erkennen, maar stierf voordat hij dit kon doen.

Noten[bewerken]

  1. R.J. Knecht, The French Civil Wars, 1562-1598, Londen, 2000, p. 53, R.J. Knecht, The French Wars of Religion 1559-1598, Abingdon-upon-Thames - New York, 2010³, pp. 16-17.
  2. R.J. Knecht, The French Civil Wars, 1562-1598, Londen, 2000, p. 66.
  3. R.J. Knecht, The French Wars of Religion 1559-1598, Abingdon-upon-Thames - New York, 2010³, p. 25.
  4. L. Romier, La Conjuration d'Amboise. L'aurore sanglante de la liberté de conscience, le règne et la mort de François II, Parijs, 1923, pp. 268-269; E. Durot, François de Lorraine, duc de Guise entre Dieu et le Roi, Parijs, 2012.
  5. R.J. Knecht, The French Civil Wars, 1562-1598, Londen, 2000, p. 71.
  6. A. Jouanna - J. Boucher - D. Biloghi, Histoire et dictionnaire des guerres de religion, 1559-1598, Parijs, 1998, p. 75.
  7. P. Miquel, Les Guerres de Religion, Parijs, 1980, p. 219.
  8. P. Miquel, Les Guerres de Religion, Parijs, 1980, p. 230.
  9. H. Germa-Romann, Du « bel mourir » au « bien mourir » : le sentiment de la mort chez les gentilhommes français (1515-1643), Genève, 2001, pp. 227-228.
  10. C. Huchard, Des Mémoires de Condé aux Mémoires de l'Estat de France de Goulart. Le rôle des compilations pamphlétaires, in J. Berchtold - M.-M. Fragonard (edd.), La mémoire des guerres de Religion. La concurrence des genres historiques (XVIe-XVIIIe siècles), Genève, 2009, p. 88.

Referenties[bewerken]

  • Dit artikel of een eerdere versie ervan is (gedeeltelijk) vertaald vanaf de Franstalige Wikipedia, die onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
  • A. Boltanski, « Dans cette bataille, tomba et fut écrasée la tête du serpent ». Les usages idéologiques de la mort du prince de Condé dans le camp catholique, in A. Boltanski - Y. Lagadec - F. Mercier (edd.), La bataille: du fait d'armes au combat idéologique, XIe – XIXe siècle, Rennes, 2015, pp. 123-141. ISBN 9782753540293
  • art. Condé (Louis I, prince de), in M.-N. Bouillet - A. Chassang (edd.), Dictionnaire universel d’histoire et de géographie, I, Parijs, 1878, p. 446.
  • Henri d'Orléans duc d'Aumale, Histoire des princes de Condé pendant les XVIe et XVIIe siècles, I, Parijs, 1863, II, Parijs, 1864.
  • E. Durot, François de Lorraine, duc de Guise entre Dieu et le Roi, Parijs, 2012.
  • A. Jouanna - J. Boucher - D. Biloghi, Histoire et dictionnaire des guerres de religion, 1559-1598, Parijs, 1998. ISBN 2221074254
  • R.J. Knecht, The French Civil Wars, 1562-1598, Londen, 2000.
  • R.J. Knecht, The French Wars of Religion 1559-1598, Abingdon-upon-Thames - New York, 2010³.
  • P. Miquel, Les Guerres de Religion, Parijs, 1980.
  • L. Romier, La Conjuration d'Amboise. L'aurore sanglante de la liberté de conscience, le règne et la mort de François II, Parijs, 1923.