Lodewijk Karel van Orléans

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Lodewijk Karel van Orléans, graaf van Beaujolais.

Lodewijk Karel Alfons Léodgard van Orléans, graaf van Beaujolais (Parijs, 17 oktober 1779 - Valletta, 30 mei 1808) was een Franse prins van den bloede. Hij behoorde tot het huis Bourbon-Orléans.

Levensloop[bewerken | brontekst bewerken]

Lodewijk Karel werd geboren in het Palais-Royal in Parijs als derde en jongste zoon van hertog Lodewijk Filips II van Orléans uit diens huwelijk met Louise Marie Adélaïde van Bourbon, dochter van Lodewijk Jan Maria van Bourbon, graaf van Penthièvre. Bij zijn geboorte kreeg hij de titel van graaf van Beaujolais. Vanaf 1781 werd hij samen met zijn oudere broers Lodewijk Filips en Anton opgevoed door Félicité de Genlis. Twee jaar later werd abbé Mariottini, de neef van de apostolisch nuntius in Frankrijk, zijn schoolmeester, maar die nam in 1786 ontslag na een conflict met Madame de Genlis. Lodewijk Karel werd vanaf dan onderwezen door eerste kamerheer Barrois, alvorens hij in 1789 werd toevertrouwd aan vicegouverneur Lebrun.

In april 1793 werd hij samen met zijn vader gevangengenomen door de revolutionairen en opgesloten in het Fort Saint-Jean in Marseille. Tijdens zijn gevangenschap liep Lodewijk Karel tuberculose op, wat waarschijnlijk bijdroeg aan zijn vroege overlijden. Zijn vader werd in november 1793 geguillotineerd, maar Lodewijk Karel bleef gevangen tot augustus 1796, toen het Directoire besliste om hem en zijn broer Anton te verbannen naar Philadelphia. De Franse zakengelastigde in Philadelphia moest Lodewijk Karel een jaarlijks pensioen van 15.000 francs betalen.

In februari 1797 kwamen de broers aan in de Verenigde Staten, waar ze herenigd werden met hun oudste broer Lodewijk Filips. Toen de drie broers in september dat jaar vernamen dat hun moeder in ballingschap naar Spanje was gestuurd, trokken ze naar New Orleans, met het plan om naar Cuba te zeilen en van daaruit door te varen naar Spanje. Hun schip werd echter in de Golf van Mexico door een Britse oorlogsvloot onderschept. Niettemin werden ze door de Britten naar de Cubaanse hoofdstad Havana gebracht. De broers wisten niet hoe ze verder naar Europa moesten geraken en bleven dan maar een jaar in Cuba, tot ze onverwacht verdreven werden door de Spaanse autoriteiten. Daarna zeilden ze via de Bahama's naar Nova Scotia en voeren ze naar New York. Van daaruit gingen ze per schip naar Groot-Brittannië en in januari 1800 kwamen ze aan in Twickenham, even buiten Londen.

In september 1804 werd Lodewijk Karel actief in de Royal Navy, maar zijn zwakke gezondheid verhinderde een militaire carrière. Uit frustratie begon hij heel veel te drinken, hetgeen zijn gezondheid geen goed deed. In een poging om de gezondheid van zijn broer te verbeteren trok Lodewijk Filips in 1808 samen met Lodewijk Karel op een rondreis naar Gibraltar, Sicilië en Malta. De broers werden op Malta ontvangen in het Casa Miari, een paleis in de Maltese hoofdstad Valletta. De gezondheid van Lodewijk Karel bleef echter achteruitgaan en hij stierf twee weken na zijn aankomst op Malta. Zijn begrafenis vond plaats op 3 juni 1808 en op 10 april 1818 werd hij bijgezet in de Sint-Janscokathedraal in Valletta.