Lofzang van Zacharias

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het Benedictus of Lofzang van Zacharias is een hymne die Zacharias uitspreekt als hij na de geboorte van zijn zoon, Johannes de Doper weer kan spreken. De tekst van dit lied staat in het evangelie van Lucas 1,68-79.

Het lied heet in het Latijn Canticum Zachariæ. Dit gezang wordt gerekend tot de Bijbelse cantieken. De Lofzang van Zacharias wordt in het getijdengebed gezongen tijdens de Lauden, zoals het Magnificat wordt gezongen tijdens de Vespers.

De lofzang is tevens opgenomen in het boek Oden.

Latijn (Vulgata)[bewerken]

Latijnse tekst Nederlandse vertaling

Benedictus Dominus Deus Israel
quia visitavit et fecit redemptionem plebis suae.
Et erexit cornu salutis nobis
in domo David pueri sui.
Sicut locutus est per os sanctorum,
qui a sæculo sunt, prophetarum eius,
Salutem ex inimicis nostris,
et de manu omnium, qui oderunt nos.
Ad faciendam misericordiam cum patribus nostris
et memorari testamenti sui sancti.
Iusiurandum, quod iuravit ad Abraham patrem nostrum
daturum se nobis,
ut sine timore, de manu inimicorum nostrorum liberati,
serviamus illi.
In sanctitate et justitia coram ipso
omnibus diebus nostris.
Et tu puer, Propheta Altissimi vocaberis
præibis enim ante faciem Domini parare vias eius.
Ad dandam scientiam salutis plebi eius
in remissionem peccatorum eorum.
Per viscera misericordiæ Dei nostri
in quibus visitavit nos oriens ex alto.
Illuminare his, qui in tenebris, et in umbra mortis sedent
ad dirigendos pedes nostros in viam pacis.

Gezegend zij de Heer de God van Israel

Want hij heeft zijn volk bezocht en haar verlossing bewerkt.

En hij heeft voor ons een hoorn van heil opgericht

in het huis van zijn dienaar David.

Zoals hij gesproken heeft door de mond

van zijn heilige profeten die vanaf het begin van de wereld zijn.

Verlossing van onze vijanden,

en uit de hand van allen die ons haten.

Om barmhartig te zijn voor onze vaderen

en zijn heilig verbond te gedenken;

De eed, die hij aan onze vader Abraham heeft gezworen,

dat hij ons zou verlenen

dat wij zonder vrees, uit de handen van onze vijanden verlost,

Hem zouden dienen:

In heiligheid en rechtvaardigheid,

al onze dagen in zijn nabijheid.

En gij, kind, zult een profeet van de Allerhoogste worden genoemd,

want gij zult voor het gezicht van de Heer uitgaan, om zijn wegen te bereiden.

Om kennis van het heil te geven aan zijn volk,

door de vergeving van haar zonden,

door de innige barmhartigheid van onze God

in wie ons de dageraad uit de hoogte heeft bezocht.

Om hen te verlichten, die in de duisternis en in de schaduw van de dood verblijven,

om onze voeten te richten op de weg van vrede.

Nederlands (Nieuwe Bijbelvertaling)[bewerken]

‘Geprezen zij de Heer, de God van Israël,
hij heeft zich om zijn volk bekommerd en het verlost.
Een reddende kracht heeft hij voor ons opgewekt
uit het huis van David, zijn dienaar,
zoals hij van oudsher heeft beloofd bij monde van zijn heilige profeten:
bevrijd zouden we worden van onze vijanden,
gered uit de greep van allen die ons haten.
Zo toont hij zich barmhartig jegens onze voorouders
en herinnert hij zich zijn heilig verbond:
de eed die hij gezworen had aan Abraham, onze vader,
dat wij, ontkomen aan onze vijanden,
hem zonder angst zouden dienen, toegewijd en oprecht,
altijd levend in zijn nabijheid.
En jij, kind, jij zult genoemd worden: profeet van de Allerhoogste,
want voor de Heer zul je uit gaan om de weg voor hem gereed te maken,
en om zijn volk bekend te maken met hun redding
door de vergeving van hun zonden.
Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God
zal het stralende licht uit de hemel over ons opgaan
en verschijnen aan allen die leven in duisternis
en verkeren in de schaduw van de dood,
zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede.’

Nederlands (Naardense Bijbel)[bewerken]

‘gezegend de Heer, Israëls God:
hij heeft zijn volk bezocht
en het verlossing bereid;
hij heeft een hoorn van heil
voor ons doen verrijzen
in het huis van David, zijn dienaar,-
zoals hij heeft gesproken
door de mond van zijn heiligen,
de profeten van eeuwigheid af:
bevrijding van onze vijanden
van de hand van al wie ons haten,
om de ontferming
over onze vaderen te betonen,
te gedenken zijn heilig verbond,-
de eed die hij heeft gezworen
aan Abraham, onze vader:
het ons te geven om zonder vrees,
aan de hand van vijanden ontrukt,
hem dienstbaar te zijn,
in heiligheid en gerechtigheid
voor zijn aanschijn
in al onze dagen!-
en jij, kleine jongen, zult profeet van de
Allerhoogste worden genoemd,
want je zult uitgaan
voor het aanschijn van de Heer
om te bereiden wegen voor hem
door kennis van heil te
schenken aan zijn volk
in de vergeving van hun zonden;
het is door het innige ontfermen
van onze God
dat uit den hoge naar ons komt omzien
de opgaande zon,
en gaat schijnen voor wie neerzitten
in duisternis en schaduw des doods,-
om onze voeten te richten
op de weg van de vrede!