Longobardisch

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Longobardisch
Gesproken in Burgenland, Oost-Stiermarken, Weense bekken, Syrmië, deel van Hongarije, delen van Kroatië en Slovenië
Uitgestorven in ± 1000
Taalfamilie
Alfabet Runen
Taalcodes
ISO 639-2 gem
ISO 639-3 lng
Portaal  Portaalicoon   Taal

Het Longobardisch (niet te verwarren met het Lombardisch) is een uitgestorven West-Germaanse taal die waarschijnlijk vanaf de Oudheid tot ongeveer tot het jaar 1000 werd gesproken door de Longobarden, een Germaans volk dat aanvankelijk in de toenmalige Romeinse provincie Pannonië leefde en in de 6e eeuw gemigreerd is naar het huidige Noord-Italië. Het Longobardisch was verwant aan het Beiers en Alemannisch en wordt tegenwoordig samen met deze dialecten als een vorm van Opperduits beschouwd, aangezien het schaarse overgeleverde materiaal er op wijst dat het Longobardisch net als de andere Opperduitse dialecten de tweede Germaanse klankverschuiving volledig heeft doorgemaakt, en niet slechts gedeeltelijk zoals bij de Middelduitse dialecten het geval is.

Bronnen[bewerken]

Er is zeer waarschijnlijk nooit iets in het Longobardisch opgeschreven, doordat de sprekers na hun verhuizing al heel snel overschakelden op de Romaanse taal en het bijbehorende Latijnse schrift. De enige overgeleverde bronnen zijn een paar eigennamen en toponiemen, eerst in de vorm van runeninscripties in met name Oud Futhark en later beschreven in Latijnse geschriften zoals de Historia gentis Langobardorum van Paulus Diaconus, het Edictum Rothari en de Origo gentis Langobardorum. Volgens Paulus Diaconus waren de Longobarden uiteindelijk van Scandinavische herkomst.

Kenmerken[bewerken]

Over de Longobardische grammatica is vrijwel niets bekend. Het Longobardische schriftsysteem ziet er in het Latijn getranscribeerd zo uit:

a, b, c, d, e, f, g, h, i, j, k, l, m, n, o, p, q(u), r, s, [ʒ]?, t, þ, u, w, z

De qu geeft een [kw]?-klank weer. De ʒ is een gewone [s]?, bijvoorbeeld skauʒ [[skaus]]?, "schoot". De z is een [ts]?. De h geeft aan het begin van woorden een [h]?-klank weer en elders een [x]?-klank.

Invloed[bewerken]

Het Nieuwitaliaans kent enkele woorden die vrijwel zeker van Longobardische herkomst zijn:

  • bica ‘garf, schoof’ (uit *bīge ‘stapel, hoop’; vgl. Zwitserduits Biig, Byge)
  • bussare ‘slaan, kloppen’ (etymologisch verwant met Zuid-Duits boßen ‘dorsen, klutsen’, Zuidnederlands boten)
  • guancia ‘wang, kaak’ (vgl. Duits Wange, Nederlands wang)
  • guercio ‘scheel, loens’ (vgl. Oudhoogduits dwerh, twerh ‘dwars’, Opperduits zwerch)
  • muffa ‘schimmel’ (vgl. Noord-Duits Muff ‘muffe lucht’, miefen ‘stinken’)
  • nocca ‘knokkel’ (vgl. Duits Knochen, Nederlands knook)
  • panca ‘(zit-)bank’ (hierin valt de typisch Beierse klankverschuivng b- > p- te herkennen)
  • pazzo ‘gek’ (vgl. Zwitserduits Bärz, Pärz ‘zucht van schrik, gekreun van een uitgeputte man’, Zuidbeiers parz’n, perz’n ‘raaskallen’)
  • pizzo ‘beet’ (vgl. Duits Biss ‘beet, wond’, Bissen ‘hap, afgebeten stuk’, Nederlands beet)
  • staffa ‘stijgbeugel’ (vgl. Duits Stapfe ‘stap, voetspoor’, Nederlands stap)
  • taccola ‘kauw’ (vgl. Middelhoogduits tāchele, Opperduits (gewestelijk) Tach)
  • tecchio ‘dik’ (vgl. Zwitserduits tick)
  • zazzera ‘golvende haarlokken’ (vgl. Duits Zotte ‘gematteerd bosje haar’, Beiers Zotzen ‘lang, ongekamd haar’, Oudhoogduits zaturra ‘maan’, Nederlands tod(de))
  • zolla ‘aardkluit’ (vgl. Middelhoogduits zolle ‘klomp mest of ijs’)

Externe link[bewerken]