Louis Charles Vincent Le Blond de Saint-Hilaire

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Buste van Saint-Hilaire

Louis Charles Vincent Le Blond de Saint-Hilaire (4 september 17665 juni 1809) was een Franse generaal tijdens de Franse Revolutie en de Napoleontische oorlogen.

Biografie[bewerken]

Saint-Hilaire werd geboren in Ribemont, Aisne. Zijn vader was kapitein in een cavalerie regiment en hijzelf toonde al snel interesse voor het militaire leven. Saint-Hilaire ging als cadet in dienst bij het Conti Dragonder Regiment in 1777. In 1781 nam hij, als vrijwilliger bij het Infanterie-regiment van Aquitanië, deel aan een Franse expeditie naar de Antillen en keerde terug in 1785.

Frankrijk en Italië[bewerken]

Na 15 jaar dienst was Saint-Hilaire kapitein. In 1793 was hij als officier getuige van de Slag om Toulon. De militaire eenheid van Saint-Hilaire werd opgenomen in het Franse Armée d’Italie en hijzelf zou voortaan sneller promoveren, ondanks zijn aristocratische afkomst, onder generaal Laharpe. Als brigade-generaal in 1795 raakte hij gewond tijdens de Eerste Slag van Loano, waarbij hij twee vingers verloor aan de linkerhand.

Doorheen het jaar 1796 maakt hij met zijn brigade deel uit van de divisies van generaals Cervoni, Masséna, Augereau en Sauret. In augustus 1796 nam Saint-Hilaire deel aan de Slag van Castiglione. Een maand later raakte de generaal nabij San Giorgio een tweede maal gewond aan de benen door een kanonskogel. Zijn rang als brigade-generaal werd bevestigd in september 1796.

In januari 1797 vochten zijn troepen in de Slag bij Lodi. Vervolgens nam Saint-Hilaire het bevel op van de garnizoenen en legerdepots van Toulon en het departement van de Var, alsook van de achtste militaire divisie van Marseille. In december van het jaar 1799 werd Saint-Hilaire gepromoveerd tot divisie-generaal. In mei 1800 ging de generaal, aangevoerd door generaal Suchet, de strijd aan met de Chouannerie opstandelingen in de regio van Rouen. Saint-Hilaire kreeg van Eerste Consul Bonaparte in november 1802 positieve opmerkingen op de manier waarop de militaire administratie door de generaal in de regio van Rouen werd behandeld.

Op het einde van augustus 1803 werd Saint-Hilaire bevelhebber van de eerste militaire divisie in Saint-Omer, ter voorbereiding van Napoleon’s immanente invasie van Engeland. Napoleon benoemde Saint-Hilaire in juni 1804 tot Groot Officier van het Légion d'Honneur voor zijn verdiensten.

Oostenrijk en Rusland (1805-1808)[bewerken]

De grote militaire voorbereidingen van het vorige jaar wierpen in het najaar van 1805 hun vruchten af wanneer Saint-Hilaire en zijn divisie, onder leiding van maarschalk Jean-de-Dieu Soult (IVde legerkorps), de strijd aangingen met de keizerlijke legers van Oostenrijk en Rusland in de loop van de Derde Coalitieoorlog. De generaal observeerde in oktober 1805 onder andere de Oostenrijkse troepenbewegingen rond de vestiging van Ulm en Augsburg.

Saint-Hilaire, samen met generaal Vandamme, bestormde de Plateau van Pratzen tijdens de Slag bij Austerlitz (de Driekeizersslag) en bewerkstelligden op deze wijze een beslissende doorbraak in het centrum van de geallieerde gevechtslinie. Tijdens de aanvang van de slag liep de generaal verwondingen op aan het hoofd maar bleef gedurende de veldslag zijn troepen bijstaan. Het dorp en kasteel van Sokolnitz werden door Saint-Hilaire en zijn troepen ontzet van verdedigende Russische troepen. Saint-Hilaire breekt rond de moerasgebieden van Sokolnitz uiteindelijk de Russische weerstand met de hulp van generaal Friant. Voor deze acties benoemde Napoleon rond eind december 1805 Saint-Hilaire tot Grand-Aigle van het Légion d’Honneur en commandant van de Orde van de IJzeren Kroon.

In 1806 en 1807 bleef Saint-Hilaire deelnemen aan de opeenvolgende campagnes (Vierde Coalitieoorlog) van Napoleon en diens Grande Armée tegen de krijgsmachten van Pruisen en Rusland, met als hoogtepunten onder andere de veldslagen van Jena, Eylau en Heilsberg. Saint-Hilaire werd in 1808 tot graaf verheven.

Campagne van 1809[bewerken]

De legerdivisie van Saint-Hilaire werd vervolgens eerst opgenomen in het legerkorps van maarschalk Louis Nicolas Davout, om daarna te strijden onder maarschalk Jean Lannes wanneer het Oostenrijkse keizerrijk in 1809 de oorlog verklaarde (de Vijfde Coalitieoorlog). De campagne verloopt aanvankelijk succesvol, waarbij Lannes en Saint-Hilaire bijdragen aan de Franse overwinningen op de Oostenrijkse troepen van aartshertog Karel bij de Slag om Eckmühl en Regensburg rond eind april.

In de loop van de opbouw van de Franse verdedigingswerken en bezetting van de eilanden in de Donau rivier, benoemde Napoleon één van deze stukken land tot l’Ile Saint-Hilaire.

De dubbelslag bij Aspern-Essling op 21 en 22 mei 1809 stopt het Franse offensief ten midden van hun oversteek van de Donau. Saint-Hilaire’s divisie maakt twee dagen lang deel uit van de hardnekkige verdediging (aan de Franse rechterflank) van het dorp Essling met haar versterkte graanpakhuis. De Oostenrijkers, in deze sector van het slagveld onder bevel van generaal Rosenberg, verkrijgen op 22 mei in de loop van de namiddag de overhand op de Franse strijdkrachten. Maarschalk Lannes verkrijgt van Napoleon versterkingen in de vorm van de Jonge Garde onder generaal Mouton, graaf van Lobau. De Oostenrijkse artillerie bombardeert echter hevig de Franse verdedigingslinie en dwingt hierbij Lannes tot de terugtocht.

Tijdens deze fase verliest Saint-Hilaire zijn linkervoet door een kanonskogel. Hij sterft begin juni 1809 in Wenen ten gevolge van zijn zware verwonding. Napoleon’s intentie om Saint-Hilaire te benoemen tot maarschalk kwam hierbij dus te laat. In 1810 ordoneert Napoleon om het lichaam van Saint-Hilaire te bergen naast de resten van maarschalk Lannes in het Pantheon van Parijs. Saint-Hilaire’s naam staat vermeld op de Arc de Triomphe.