Louis Henri Fourgeoud

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het regiment droeg de Europese wollen kleding, hier en daar enigszins aangepast aan de tropen en het optreden in het oerwoud en de moerassen. Wegens vocht en ongedierte was het niet gewenst op de grond te slapen. Men maakte gebruik van hangmatten die over de schouder werden gedragen. Een vuursteengeweer, een korte sabel en een klein vuursteengeweer in de gordel voltooiden de uitrusting.
Een marinier uit het korps van Fourgeoud

Louis Henri Fourgeoud (1708-1779) was een Zwitser, in dienst bij het Nederlandse leger. In 1763 ging hij als majoor in een troepenmacht naar de vroegere kolonie Berbice, in het huidige Guyana, om een slavenopstand neer te slaan. Na terugkeer in Nederland besloten de Staten van Holland om deze troepenmacht permanent in dienst te houden als het "Regiment mariniers tot het doen van expedities over zee en voorts op de schepen van oorlog”.

In 1773 werd door de plantage-eigenaren in Suriname gevraagd om troepen die de daar heersende slavenopstand moest onderdrukken. Fourgeoud vertrok als kolonel met 800 man naar Suriname. Hij stond in hoog aanzien bij stadhouder Willem V die hem, naast het bevel over deze troepen, ook de leiding gaf over de gehele krijgsmacht in de kolonie. Dat werd hem niet in dank werd afgenomen door de toenmalige gouverneur Jan Nepveu. De beide mannen botsten al snel en door het hooghartige karakter van Fourgeoud liepen de spanningen hoog op. In Suriname ontstonden al snel twee partijen: de ene partij zag Fourgeoud als de redder van Suriname, de andere partij als een nodeloze verhoging van de al hoge militaire uitgaven. In de troepen van Fourgeoud bevonden zich ook Jurriaan François de Friderici en John Gabriel Stedman (1744-1797). Stedman hield een dagboek bij. Dit dagboek werd later uitgegeven als Reize naar Surinamen en de binnenste gedeelten van Guiana en geeft een goed beeld van het leven in Suriname. Een groot deel van het boek van Stedham beschrijft de strijd van Fourgeoud tegen de weggelopen slaven die onder leiding stonden van Baron, Boni en Jolicoeur.

De strijd begon niet echt succesvol voor hem. Tijdens zijn eerste expeditie vond hij geen enkele slaaf en kon hij alleen wat kostgronden vernietigen. Ook de volgende tochten hadden weinig succes en deden de spanning tussen Nepveu en Fourgeoud alleen maar toenemen. Gedurende de tijd dat hij in Suriname was, werd zijn troepenmacht verschillende keren vergroot.
Tijdens deze tochten overleden vele soldaten door vermoeidheid of aanvallen van de slaven die veel beter ingesteld waren op het vechten onder dergelijke omstandigheden. Fourgeoud betoonde zich opvallend mild jegens de achterhaalde slaven en werd een lichtend voorbeeld van dapperheid en plichtsbetrachting voor zijn eigen manschappen. Uiteindelijk lukte het Fourgeoud om de belangrijkste schuilplaats van de opstandelingen te vinden en te vernietigen. De slaven vluchtten over de Marowijne. Uit vrees voor een conflict met Frankrijk durfde Fourgeoud hen niet te achtervolgen.

In 1778 berichtte hij dat hij in zijn opdracht geslaagd was en ging hij terug naar Nederland. Er waren toen nog maar 100 van de in totaal 1.200 soldaten over. Hij overleed kort na terugkeer in Nederland en werd met militaire eer in den Haag begraven. De herinnering aan Fourgeoud wordt bij de mariniers door de Tamboers en Pijpers, met een naar hem genoemde mars, nog steeds levend gehouden.

Bronvermelding[bewerken]

  • Hoogbergen, W. (1989), "Aluku", Nieuwe West-Indische Gids, jrg. 63, nr 3/4, pp 175-198
  • Legermuseum, Collectie Informatie Centrum
  • Ministerie van Defensie (2008), Beknopte korpsgeschiedenis, Den Haag
  • Stedman, J.G., (1796), Narrative of a five years' expedition against the revolted Negroes of Surinam, Londen, met gravures van William Blake naar tekeningen van Stedman.
  • vertaald door Johannes Allart als: Reize naar Surinamen en de binnenste gedeelten van Guiana (1799-1800)
  • Wolbers, J.,(1861), Geschiedenis van Suriname, Amsterdam: De Hoogh, 1861. Fotomechanische herdruk: Amsterdam: Emmering, 1970.