Louis Maximiliaan Hermans

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Louis Hermans
Hermans-l.m. 1900.jpg
Volledige naam Louis Maximiliaan Hermans
Geboren Amsterdam, 21 juli 1861
Overleden Arnhem, 17 september 1943
Partij Sociaal-Democratische Bond (vanaf 1888)
Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (vanaf 1898)
Religie Nederlands Hervormd
Functies
1909 - 1939 lid gemeenteraad van Arnhem
1918 - 1921 lid Tweede Kamer der Staten-Generaal
1919 - 1925 lid Provinciale Staten van Gelderland
1921 - 1923 wethouder van Arnhem
1925 - 1937 lid Eerste Kamer der Staten-Generaal
Website
Portaal  Portaalicoon   Politiek

Louis Maximiliaan Hermans (Amsterdam, 21 juli 1861 - Arnhem, 17 september 1943) was een Nederlands politicus en uitgever.

Familie[bewerken]

Hermans was een zoon van de toneelspeler Jacob Hermans (°1825) en Anna Jacoba Cruys (°1834). Hij trouwde in 1887 met Augusta Carolina Kleine, uit welk huwelijk een dochter werd geboren. Zijn roepnaam was Louis. Zijn dochter Louisa Augusta Hermans (°1901) schreef onder de namen Loes Hermans en Nina Roland kinderboeken. Zij trouwde in 1922 met de musicus Pieter Kalf, zoon van de Arnhemse gemeentesecretaris.

Leven en werk[bewerken]

Hermans werkte na de lagere school als koffiehuisbediende en loopjongen. Later was hij boekbinder en boekverkoper en werkte ook als kelner in Parijs en Amsterdam. Vanaf 1888 was hij medewerker van het tijdschrift Recht voor Allen, onder het pseudoniem Max. Van 1 augustus 1892 tot 13 december 1897 was hij uitgever, redacteur en colporteur van het spotblad De Roode Duivel, dat wekelijks uitkwam en een oplage had van enkele duizenden exemplaren.

Majesteitsschennis[bewerken]

In de uitgave van 30 augustus 1895 van De Roode Duivel werden in verband met een bezoek aan de stad Meppel de koninginnen Emma en Wilhelmina afgebeeld als gymnastische toeren uithalende balletdanseressen op een wagen. Namen werden niet genoemd, maar de beide figuren droegen een kroontje met de letters W en E.[1] Het begeleidende artikel had als kop: "Gaat dat zien!! Gaat dat zien!!" Dit leidde tot een aanklacht wegens majesteitsschennis en een eis door de officier van justitie van een jaar gevangenisstraf, waarop hij op 18 december 1895 tot zes maanden onvoorwaardelijk werd veroordeeld.[1][2][3] Toen hij vrijkwam, werd hij in het Paleis voor Volksvlijt feestelijk onthaald. Hij publiceerde zijn pleidooi en een van de colporteurs werd daarvoor veroordeeld tot een celstraf van drie maanden onvoorwaardelijk. Hermans schreef over zijn gevangeniservaringen: Zes maanden celbewoner. Ideeën van een gevangene (Amsterdam, 1896).

Politiek[bewerken]

In 1897 deed Hermans onderzoek naar de woningtoestand in de Amsterdamse jodenbuurt. Dit onderzoek deed hem besluiten zich kandidaat te stellen voor de gemeenteraadsverkiezingen. In 1898 meldde hij zich aan bij de SDAP, een partij die hij eerder had bestreden. Hij was in die tijd ook voorzitter van het landelijk comité inzake de invrijheidsstelling van de drie broers Hogerhuis, inbrekers die bekend waren geworden in de Hogerhuis-zaak; in die functie had hij kennis gemaakt met de socialistische voorman Pieter Jelles Troelstra.

Vanaf 1902 was Hermans actief voor de SDAP. Van 1909 tot 1939 zat hij voor die partij in de gemeenteraad van Arnhem en tussen 1921 en 1923 was hij daar wethouder; van 1923 tot 1939 was hij fractievoorzitter voor de SDAP in de gemeenteraad. In 1918 werd hij gekozen in de Tweede Kamer waar hij tot 1921 zou zetelen. Van 1919 tot 1925 was hij lid van provinciale staten van Gelderland. Ten slotte was hij in de periode 1925 tot 1937 lid van de Eerste Kamer. Hermans stond bekend als een Kamerlid met gevoel voor humor.

In de Tweede Kamer was hij woordvoerder volksgezondheid, arbeid, justitie en binnenlandse zaken van de SDAP-fractie. In de Eerste Kamer hield hij zich bezig met justitie en sociale zaken.

In 1946 werd een gedenksteen geplaatst op de begraafplaats Moscowa in Arnhem.

Bibliografie[bewerken]

  • De eerwaarde vaders sociaal-democraten van de orde van Z. M. Pieter Jelles de eerste. In dicht en ondicht bezongen [Z.p., 1894].
  • Zes maanden celbewoner. Ideeën van een gevangene. Amsterdam, 1896.
  • Politieke gedichten in den trant van den schoolmeester. Amsterdam, [ca. 1896]
  • De gouden kwartjeswagen. Een beroep op het Amsterdamsche volk. Amsterdam, [1897].
  • Schoolvoeding, een aansporing voor onze wetgevers. Amsterdam, 1900 [Met H. van Kol].
  • Onze rijksopvoedingsgestichten : resultaten eener partikuliere enquête. Amsterdam, 1900.
  • Krotten en sloppen. Een onderzoek naar den woningtoestand te Amsterdam ingesteld in opdracht van den Amsterdamschen Bestuurdersbond. Amsterdam, 1901.
  • Boterbloempjes of Liederen op het gebied van Kolonisatie naar Bussum, Blarikum, Lunteren en wat dies meer zij, onder het pseudoniem Jantje Paradijs, Corneliszoon. Groningen, 1902.
  • Van de dorpspastorie naar het torentje. Leven en lotgevallen van Doctor Abraham Kuyper. Antirevolutionair heldendicht. Rotterdam, 1903.
  • De schuldige zijt gij! Open brief aan Dr. Abraham Kuyper, minister van Binnenlandsche Zaken. [Rotterdam, 1903].
  • De spiegel der waarheid. Moderne moralisatiën over liefde, prostitutie en huwelijk. Deventer, [1903].
  • Gemeente-armen. Wat zij krijgen. Wat zij noodig hebben. Resultaten van een onderzoek naar den toestand en de bedeeling van de huiszittende gemeente-armen te Rotterdam. Rotterdam, 1907.
  • Duisternis en licht. Van den oorlog en van den vrede. Arnhem, [ca. 1916].