Lucretia Wilhelmina van Merken

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Lucretia van Merken
Lucretia van Merken door Hendrik Pothoven
Lucretia van Merken door Hendrik Pothoven
Algemene informatie
Volledige naam Lucretia Wilhelmina van Winter - van Merken
Geboren Amsterdam, 21 augustus 1721
Overleden Leiden, 19 oktober 1789
Land Vlag van Nederland Nederland
Beroep schrijfster
Werk
Jaren actief 1745 – 1789
Genre Poëzie, Tragedie
Stroming Verlichting
Bekende werken Artemines (1745)
Het nut der tegenspoeden (1762)
David (1768)
Beleg der stad Leyden (1774)
Jacob Simonszoon de Ryk (1774)
Toneelpoezij (1774-1786)
Germanicus (1779)
De ware geluksbedeeling (1792)
Dbnl-profiel
Website
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Lucretia Wilhelmina van Merken (Amsterdam, 21 augustus 1721 - Leiden, 19 oktober 1789) was een Nederlandse dichteres en toneelschrijfster.

Biografie[bewerken]

Lucretia was de dochter van de bonthandelaar Jacob van Merken (1691-1754) en Susanna Wilhelmina Brandt (1687-1759), een kleindochter van de historicus en dichter Geeraert Brandt (1626-1685).[1] Zij groeide op in Amsterdam aan de Keizersgracht op de hoek met de Herenstraat, in een remonstrants gezin. Lucretia had al jong belangstelling voor poëzie en werd daarin gestimuleerd door haar moeder en de dichter Frans de Haes, een oudere neef van haar. Haar grote voorbeelden waren Sybrand Feitama[1] en vooral Vondel. In haar jonge jaren schreef Van Merken veel gelegenheidsgedichten voor vrienden van haar ouders.

In de jaren vijftig verloor Lucretia al haar naaste familie: haar vader in 1754, haar moeder in 1759 en haar twee jaar jongere zus Wilhelmina in 1760.[2] Ook haar eigen gezondheid liet te wensen over.

Lucretia Wilhelmina van Merken trouwde op 26 september 1768, op 47-jarige leeftijd, in Amsterdam met Nicolaas Simon van Winter (1718-1795), dichter en makelaar in verfstoffen. Van Winter was weduwnaar van Johanna Mühl (1718-1768))[3], een vriendin van Lucretia. Lucretias huwelijk bleef kinderloos.[4] Van Winter had zijn aanstaande geheel in stijl met een gedicht ten huwelijk gevraagd. Van Merken antwoordde eveneens met een gedicht.

Kort na het huwelijk deed Van Winter zijn handel in verfstoffen in Amsterdam over aan zijn enige zoon, Pieter. Het echtpaar Van Winter-Van Merken verhuisde naar Rapenburg 41 in Leiden. Intensieve briefwisselingen werden gevoerd met de Amsterdamse familieleden en vrienden, met hun uitgevers Pieter Meijer, Gerrit Warnars en Pieter Uylenbroek, en vooral met (stief)zoon Pieter. In de zomer trokken zij zich terug op hun buitenplaats bij Bijdorp, in de buurt van Zoeterwoude. Hier ontvingen zij hun vele (dicht)vrienden.

In 1774 werden Lucretia en haar man tot ereburgers van Leiden benoemd. Haar treurspel Het beleg der stad Leyden (1774)[5] heeft hierbij zeker een rol gespeeld. Haar naam als dichteres was toen al gevestigd. Betje Wolff noemde haar "de grootste dichteresse onzes lands".[6]

Lucretia overleed in Leiden maar werd begraven in de Oude Kerk in Amsterdam. Enkele jaren later is ook haar echtgenoot daar bijgezet.

Een monument dat het Leidse genootschap ‘Kunst Wordt door Arbeid Verkreegen’ voor Van Merken had willen oprichten is nooit verder gekomen dan het ontwerp. In 1828 liet het Leidse ‘Genootschap voor Uiterlijke Welsprekendheid’ in de Amsterdamse Oude Kerk rechts van het grote orgel een plaquette voor het dichterpaar aanbrengen.

Lucretia vertegenwoordigde het achttiende-eeuwse Verlichtingsideaal van de ontwikkelde, beschaafde burger. Ook na haar dood werd ze nog als voorbeeld gesteld aan beginnende dichters. Met de komst van de Romantiek verdween de waardering voor haar werk. Pogingen van Tollens (1852) en Willem Kloos (1909) om een herwaardering van Lucretia van Merken te bewerkstelligen bleven zonder succes.

Werk[bewerken]

In haar jonge jaren schreef Lucretia veel gelegenheidsgedichten, bijvoorbeeld voor David van Mollem, bezitter van het landgoed Zijdebalen, en voor Gerard Aarnout Hasselaar, burgemeester van Amsterdam, eveneens woonachtig op de Keizersgracht.[7] Lucretia schref haar eerste grote stuk toen zij net in de twintig was: het treurspel Artemines uit 1745, dat onder de zinspreuk ‘La vertu pour guide’ bij Izaak Duim te Amsterdam verscheen.[1][8]

In de periode van verdriet en rouw, beschreef zij de troost die het geloof haar schonk in haar leerdicht Het nut der tegenspoeden (1762), dat lang geliefd zou blijven[2][3].

Een groep geestverwante dichters kwam rond 1760 - onder de naam ‘Laus Deo, Salus Populo’ ('Eer aan God, heil voor het volk') - bij de boekverkoper-uitgever Pieter Meijer bijeen om de verouderde psalmberijming van Petrus Datheen te bewerken. Lucretias toekomstige man was een van hen. Lucretia raakte rond 1760 bij deze groep betrokken. Toen in 1773 een officiële nieuwe berijming werd uitgegeven, waren daarvan 17 van Lucretia[9][10]. Zij schreef onder andere het bekende psalm 42 't Hijgend hert der jacht ontkomen, schreeuwt niet sterker naar 't genot, van de fisse waterstromen, dan mijn ziel verlangt naar God.[11]

Van Winter en Lucretia gaven na hun verhuizing naar Leiden hun toneelwerken gezamenlijk uit in twee delen Tooneelpoëzij (1774, 1786).[10]

Titelprent bij Lucretia van Merken, De Camisards.[12] Uit: Tooneelpoëzij van Nicolaas Simon van Winter en Lucretia Wilhelmina van Merken, Amsterdam, Pieter Meijer, 1774-1786.

Lucretias Frans-classicistische treurspelen stonden met grote regelmaat op het repertoire van In de schouwburgen van Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Leiden werden Lucretias Frans-classicistische treurspelen regelmatig opgevoerd. Op 14 september 1774 werd de nieuwe Stadsschouwburg van Amsterdam feestelijk geopend met de première van haar treurspel Jacob Simonszoon de Ryk.[13]

Lucretia liet zich buiten de gelegenheidsgedichten zelden in met de actualiteit. Opmerkelijk is daarom haar lofdicht (in het Frans) voor George Washington, dat ze hem in 1784 persoonlijk toestuurde.[14] Lucretias voorkeur voor ernstige onderwerpen en verheven genres spreekt behalve uit de treurspelen ook uit haar twee omvangrijke heldendichten: David (in twaalf boeken, 1767)[10][15] en Germanicus (in zestien boeken, 1779)[4][10]. Haar laatste werk De ware geluksbedeeling, dat samen met enkele nagelaten rijmbrieven en gelegenheidsgedichten in 1792 verscheen, is, net als Het nut der tegenspoeden, een beschouwing over het leven, het onontkoombare verdriet en de troost die een sterk Godsvertrouwen kan bieden.

Externe links[bewerken]

Bronnen[bewerken]

Referenties[bewerken]