Luiks-Bourgondische Oorlogen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Luikse Oorlogen)
Ga naar: navigatie, zoeken
De Bourgondische Nederlanden (oranje en geel), Luik (gearceerd) rechtsonder
Monument ter nagedachtenis van de Slag bij Othée (1408)

De Luiks-Bourgondische Oorlogen (1406–08 en 1465–68) waren vijf veldtochten waarmee de Bourgondische Nederlanden de opstanden tegen de Bourgondisch gezinde Luikse prins-bisschoppen Jan van Beieren en Lodewijk van Bourbon neersloegen. Vanuit Luik werden tezelfdertijd aanvallen ondernomen op o.a. het graafschap Namen en Rheydt.

De bevolking verdrijft de autoritaire Jan van Beieren (1406-08)[bewerken]

In de jaren 1380 krijgt het Huis Valois-Bourgondië vaste voet aan de grond in de Nederlanden. Ten eerste volgt Filips de Stoute de graaf van Vlaanderen-Artesië op (1384). Ten tweede verbindt het Dubbelhuwelijk van Kamerijk (1385) zijn geslacht met het Huis Wittelsbach, dat onder meer Holland, Henegouwen en Zeeland in leen houdt. Door de verkiezing van Jan van Beieren (1389) valt hieronder ook Luik. De nieuwe prins-bisschop heerst echter met harde hand en lokt zo een opstand uit (september 1406).[1] Hij moet vluchten naar het tweeherige Maastricht. Het volk roept Hendrik van Horne uit tot momber (mambour).

De opstandelingen slaan het beleg om Maastricht (november 1407), maar breken het af omwille van de winter. In het voorjaar (mei 1408) hervat het beleg. Beieren is genoodzaakt een beroep te doen op militaire hulp van zijn familieleden: zijn zwager Jan zonder Vrees, zijn broer Willem van Holland en zijn neef Willem van Namen. Vanaf augustus moeten invallen de rebellen dwingen het beleg op te heffen. Dit blijft zonder resultaat, en in september wordt een coalitieleger samengetrokken dat langs de hoofdweg LeuvenLuik (via Tienen, Brustem, Vrijheers, Vechmaal, Xendermaal en Lantin) optrekt.

Vanuit Luik trekt een volksleger de vijand tegemoet. Het treffen vindt plaats tussen Elch (of Othée) en Herstappe; in deze Slag bij Othée (23 september) wordt het volksleger verpletterd. Prins-bisschop Beieren doet inkomst te Luik op 6 oktober en laat op 24 oktober de "Sanctie van Rijsel" (Sentence de Lille) afkondigen: in het prinsbisdom worden alle stadsrechten afgeschaft, stedelijke versterkingen ontmanteld, gilden ontbonden, een boete van 220.000 Franse kronen opgelegd. Pas door tussenkomst van keizer Sigismund zal de Sanctie opgeheven worden (26 maart 1417).

Aanhalingsteken openen

Et adonc les ambassadeurs du roi d'Angleterre, qui étoient venus à Paris [...] ouirent derechef nouvelles de la victoire qu'avoit eue ledit duc de Bourgogne en Liége [...] dont ils se donnèrent grands merveilles, et le nommèrent Jean-sans-Peur.
Aldus vernamen de Engelse ambassadeurs die van Parijs kwamen de verhalen over de overwinning die de hertog van Bourgondië in het Luikse behaald had. Zij waren hierover verrukt en noemden hem "Jan zonder Vrees".

Aanhalingsteken sluiten
— Enguerrand de Monstrelet (±1440). Chroniques, boek 1, hoofdstuk 51.

Het snelle succes in Luik bezorgt de hertog ontzag in heel West-Europa, en bovenal in Frankrijk waar hij onlangs terechtstond voor de moord op Lodewijk van Orléans en in Engeland dat hem tot een anti-Franse coalitie wil verleiden. Het is trouwens naar aanleiding van deze interventie dat hij de bijnaam "zonder Vrees" krijgt. Belangrijker is dat Luik in de invloedssfeer van Bourgondië komt. Tien jaar later treedt prins-bisschop Beieren af (1418) en wordt Jan zonder Vrees vermoord (1419). Hun opvolgers, resp. Jan van Heinsberg en Filips de Goede, hernieuwen het bondgenootschap (3 juni 1421).[2] Een later Luiks-Naams conflict (1430) wordt door arbitrage (1431) beëindigd.

Oppositie tegen Bourbon; Raes ter Rivieren grijpt de macht (1457-64)[bewerken]

De gehate prins-bisschop Bourbon

De controle over Luik wordt des te belangrijker wanneer Filips het hertogdom Luxemburg inneemt (1443). Hij belooft een nieuwe Kruistocht en slaagt er zo in paus Calixtus III ertoe over te halen Filips' neefje Lodewijk van Bourbon tot prins-bisschop te benoemen (1455). Volk en machtshebbers voeren oppositie tegen de jonge (18 jaar) en onbekende vorst, die overigens zelden in de hoofdstad verblijft. Een overeenkomst (juli 1457) en een uitspraak van het Cour échevinale (januari 1458)[3] bedaren de gemoederen slechts tijdelijk. De oppositie roept Bourgondisch gezinde machtshebbers uit tot aubains of "buitenstaanders". Uiteindelijk spreekt Bourbon het interdict uit over zijn hoofdstad (29 oktober 1461). De oppositie schaart zich achter Raes "ter Rivieren", landsheer van o.a. Vrijheers.

De prins keert terug naar Luik (4 juli 1462), maar vlucht naar Maastricht wanneer opnieuw aubains afgeroepen worden (13 september). Bemiddelingspogingen door Franse ambassadeurs zijn vruchteloos. Een pauselijke afvaardiging (nl. de gezant Pedro Ferriz en de bisschop Onofrio de Santa Croce) zorgt voor een verzoening en Bourbon kan Luik weer binnen (12 juni 1463). 's Anderendaags provoceert hij echter door met Bourgondische interventies te dreigen. Algehele verontwaardiging leidt nu tot zijn afzetting. Raes en de zijnen grijpen de macht.

Raes beseft dat hij zich moet indekken tegen een Bourgondische inval. In januari 1464 sluit hij een bondgenootschap met de Rijnlandse staten GulikBergRavensberg, Keur-Keulen en Palts. Om aan Keur-Keulen voldoening te geven grijpt Raes een geschil aan om het Schloss van de grensstad Rheydt te verwoesten (juli). De militie uit Dinant begeert meer buit en plundert op haar terugweg ook de burcht van Lavaux-Sainte-Anne (augustus).

Hertog Karel dringt gewapenderhand de Vrede van St.-Truiden op (1465)[bewerken]

De alleenheerschappij van Raes veroorzaakt ook ontevredenheid. Sommigen uit de adel en de clerus verzoeken Bourbon zelfs om terug te keren, maar Bourbon gaat hier niet op in. Fastré Baré Surlet, de landsheer van Chokier, dwingt Raes om verkiezingen van een momber te organiseren. Het Paleis benoemt Mark van Baden (25 maart 1465). Die aanvaardt de functie en wordt geestdriftig ontvangen in de Goede Steden (april en mei). Vanuit de Bourgondische Nederlanden kan niet gereageerd worden, want kroonprins en opperbevelhebber Karel de Stoute is verwikkeld in zijn veldtocht op Parijs.

Koning Lodewijk XI van Frankrijk wil de Luikenaren inlijven in zijn anti-Bourgondische alliantie en sluit een associatieverdrag (17 juni). Hij belooft de opstand militair te ondersteunen en bij de paus aan te dringen op de aanstelling van Mark van Baden als prins-bisschop. In ruil moeten de Luikenaren de Bourgondische landen aanvallen. Dit doen ze ook; doelwitten zijn o.a. Bouvignes-sur-Meuse, Fallais en de Landen van Overmaas. Ook vallen ze Hoei aan, de enige Luikse stad waar de bevolking trouw blijft aan Bourbon. Deze verblijft hier sinds 10 april en ontvlucht de stad op 15 juli.

Het geluk keert zich nu tegen de opstandelingen. Mark van Baden beseft dat de paus het gewelddadige nieuwe bewind onmogelijk zal erkennen en treedt af. Kroonprins Karel krijgt door de Vrede van Conflans zijn handen vrij. Hertog Filips stelt alvast een leger samen en plundert de grensstreek. De Luikenaren worden ertoe verleid het versterkte Montenaken te verlaten en worden verslagen (Slag bij Montenaken). Filips biedt onderhandelingen met Luik (niet met Dinant) aan, maar de Luikenaren willen alleen tijd winnen. Wanneer de winter nadert, valt Karel via de hoofdweg Leuven–Luik binnen. Al snel worden dan de voorwaarden van de Vrede van Sint-Truiden overeengekomen. Desondanks zal Karel tot Vechmaal vorderen vooraleer de Staten de vredesbepalingen aanvaarden (22 januari 1466): ze zweren trouw aan Filips en erkennen Bourbon.

Dinant wordt verwoest, de Vrede van St.-Truiden hernieuwd (1466)[bewerken]

Dinant (midden) en Bouvignes (links) omstreeks 1735

Het vredesverdrag heeft weinig uitwerking. Bourbon weigert zich te verzoenen met het volk, ondanks aandringen van Filips. Hij zetelt in het Bourgondisch gezinde Hoei, waar de beweging Locum de rebellen weer heeft verdreven. In de andere steden is de oppositie nog steeds aan de macht. De status quo houdt ook aan doordat paus Paulus II de Vrede van St.-Truiden niet erkent: ze tast de onafhankelijkheid van het prinsbisdom aan. De oppositie organiseert zich door de oprichting van de Groene Tent. Tot slot verbinden alle Goede Steden, met uitzondering van Hoei, Maastricht en St.-Truiden, zich ertoe Bourgondisch gezinde machtshebbers te verdrijven (23 maart).

Dinant werd uitgesloten van het vredesverdrag omdat Filips wil afrekenen met de stad van waaruit vele aanvallen ondernomen werden. Ondanks zijn ouderdom gaat hij in hoogsteigen persoon mee op deze veldtocht. Op 16 augustus bereikt Karels leger de vijandige stad. Een uitval wordt afgeslagen en Dinant valt. De stad wordt verwoest en alle inwoners gedood.

Aanhalingsteken openen

Le huitiesme jour d'après furent pris d'assaut après avoir esté bien batus, et n'avoient leurs amis loisir de penser s'ils leurs ayderoient. Ladite ville fut prise et rasée, et les prisonniers, jusques à huit cens, noyés devant Bouvines, à la grande requeste de ceux dudit Bouvines. Je ne sçay si Dieu l'avoit ainsi permis, pour leur grande mauvaistié; mais la vengeance fut cruelle sur eux.
Acht dagen na zwaar verslagen te zijn werden [de inwoners van Dinant] aangevallen. Bondgenoten dachten er niet aan bijstand te bieden. De stad werd ingenomen en met de grond gelijkgemaakt. De bijna achthonderd gevangenen werden verdronken [aan de Maasoever] voor Bouvignes, op verzoek van hen uit Bouvignes. Ik weet niet of God het zo gewild heeft, gezien het grote kwaad, maar de vergelding op hen was verschrikkelijk.

Aanhalingsteken sluiten
— Philippe de Commynes (±1490). Mémoires, boek 2, hoofdstuk 1.

Na de zege op Dinant trekt Karel noordwaarts om de naleving van de Vrede van St.-Truiden af te dwingen. Via Montenaken (4 september) en Borgworm (7 september) trekt hij naar de hoofdweg Leuven–Luik. Om de brug over de Jeker af te schermen, graven de Luikse troepen zich in buiten Lauw. Tot een veldslag komt het net niet; men sluit de Vrede van Liek (10 september) die voortbouwt op de Vrede van St.-Truiden. Een gouverneur (indertijd "opperbevelhebber") moet nieuwe onlusten tegengaan: Gewijde van Humbercourt. Bovendien worden 300 gijzelaars aangeduid, die onder Bourgondische controle moeten blijven en in geval van nieuwe vijandigheden terechtgesteld worden.

Karel bezet Luik en beperkt de macht van het prinsbisdom (1467)[bewerken]

Intern blijft grote onvrede bestaan. Bovendien worden de opstandelingen opgeruid door koning Lodewijk. In juni 1467 overlijdt Filips. De Luikenaren zien hun kans schoon Bourgondië opnieuw aan te vallen, ondanks de gijzelaars die aangeduid werden. Eerst voeren ze plunderingen uit in Brabant en Limburg.[4] Vervolgens verenigen zich de milities van de Loonse steden, geleid door Raes "ter Rivieren" en diens echtgenote Pentecosta van Grevenbroek, en de milities van de Luikse steden, geleid door Jan "de Wilde", met als doel de prins-bisschop in Hoei te vatten. In de nacht van 16 op 17 september maken ze zich meester van de stad, maar Bourbon weet te ontsnappen en vindt zijn toevlucht aan het Paleis op de Koudenberg.

Karel de Stoute, nu hertog, verzamelt al sinds juli een leger en dit komt in oktober in beweging. Op aandringen van Humbercourt laat Karel de gijzelaars vrij, in de hoop dat de Luikenaren door dit gebaar meer bereid zijn tot toegevingen. Toenadering vindt echter niet plaats. Het leger bereikt Hoei (22 oktober), maar de stad is onneembaar. Het trekt dan noordwaarts om St.-Truiden te belegeren. Het beleg duurt nog maar drie dagen wanneer een Luiks leger de stad komt ontzetten. De Slag bij Brustem (28 oktober) kan het beleg echter niet breken en ook drie uitvallen bieden geen redding. St.-Truiden geeft zich over, en later ook Tongeren (6 november).

Niets weerhoudt Karel ervan door te stoten naar de hoofdstad. De Luikenaren discussiëren of hun stad bestand is tegen de Bourgondische troepenmacht. Zij die vrede willen sturen gezanten naar de prins-bisschop en naar de hertog, en zelfs 300 prominenten die zich onderwerpen aan de hertog en hem smeken de stad te sparen van plundering en brand. Anderzijds zijn er de rebellen die tegen elke prijs willen standhouden en die de stadsmuren weigeren te ontruimen. Volgens een ooggetuige kon de stad wel degelijk weerstaan aan het offensief:

Aanhalingsteken openen

Or faut-il entendre qu'en ce temps là, Liége estoit une des plus puissantes villes de la contrée (après quatre ou cinq) et des plus peuplées [...] Ils n'avoient aucune nécessité de nuls biens: et si estoit en fin cœur d'hyver, et les plus grandes pluyes qu'il est possible de dire, et le païs de soy tant fangeux et mol qu'à merveilles; et si estions en grand' nécessité de vivres et d'argent; et l'armée comme toute rompue. Et si n'avoit ledit seigneur duc de Bourgongne, nulle volonté de les assiéger, et aussi n'eust-il sçu; et quand ils eussent attendu deux jours à eux rendre, par cette voye il s'en fust retourné.
Tegelijkertijd moet men beseffen dat Luik op dat moment de op vier of vijf na rijkste en grootste stad van de Nederlanden was. Haar inwoners behoefden niets, maar [voor ons] was het hartje winter, was er de zwaarst denkbare regenval, was de bodem ongelooflijk modderachtig, waren wij in grote nood aan proviand en geld, was het leger totaal gedemoraliseerd. Nu had [bovendien] de hertog geen bereidheid hen te belegeren, en overigens kon hij dit onmogelijk doen. Als de Luikenaren twee dagen gewacht hadden vooraleer zich over te geven, in zo'n geval was hij [dus] teruggekeerd.

Aanhalingsteken sluiten
— Philippe de Commynes (±1490). Mémoires, boek 2, hoofdstuk 3.
Luik in 1572

Ook Humbercourt beseft dat de overwinning spoedig moet komen. Hij komt met het idee de Luikenaren bezig te houden met vredesvoorstellen totdat ze zo uitgeput raken dat ze instemmen met een vredesproces. 's Anderendaags komen enkele van de gijzelaars melden dat deze methode gewerkt heeft. Nadat Humbercourt gezworen heeft dat de stad geplunderd noch platgebrand zal worden, ontruimt men vier stadspoorten. Bourgondische wachten nemen prompt de stadspoorten in en hijsen er de Bourgondische vaandels. Raes ter Rivieren, Jan de Wilde en hun gevolg zijn bij nacht gevlucht.

De volgende dag doet de hertog triomfantelijk intrede. Op 18 november legt hij zijn vredesbepalingen op. Het belangrijkste is dat de hertogen van Brabant voortaan avoués suprêmes et gardiens (procureur en beschermheer) zijn. Jaarlijks moeten de schepenen van de stad hem trouw zweren. Oude bestuurlijke en gerechtelijke organen worden afgeschaft en vervangen door één in Maastricht.[5] De kerkelijke macht over Brabant en Namen wordt verloren aan Leuven resp. Namen. Bourbon, de clerus en de paus verzetten zich tegen deze benadelingen van de Luikse Kerk. Opnieuw wordt bisschop Onofrio uitgezonden.

Luik wordt verwoest en het prinsbisdom volledig ingelijfd (1468)[bewerken]

Bourbon wordt gevat en sluit vrede[bewerken]

Twee factoren hinderen Onofrio's bemiddelingen: Karel verbiedt Bourbon om toegevingen te doen, koning Lodewijk ruit de opstandelingen op en zegt hen opnieuw militaire steun toe. Het vredesproces wordt verstoord wanneer bannelingen zoals Jan de Wilde, Gozewijn van Streel en Vincent van Bueren weer in Luik komen (9 september 1468). Het Bourgondische garnizoen ontvlucht de stad, die zo opnieuw ten prooi valt aan de opstand. Karel wordt opgehouden in Péronne, maar stuurt alvast een leger onder leiding van Humbercourt. Op 8 oktober trekt deze Tongeren binnen, waar op dat moment Bourbon en Onofrio hun vredesbesprekingen houden.

De opstandelingen zien de gelegenheid om Humbercourt en Bourbon te onderscheppen en slagen erin Tongeren bij nacht in te nemen. 's Ochtends (9 oktober) vragen de rebellen een verscholen Bourbon nogmaals om een einde te maken aan zijn Bourgondische koers. Bourbon kan alleen maar instemmen met hun verzoeken. Humbercourt wordt uitgestuurd om Karel op de hoogte te brengen van deze verzoening. Bourbon arriveert op 11 oktober in Luik en ondertekent de vredesvoorwaarden. Jan de Wilde wordt plechtig aangesteld tot vicillus van het prinsbisdom.

Aanhalingsteken openen

[...] inquiunt [...] "Episcopum, nostrum dominum, habere cupimus ut noster dominus sit et non aliorum servus, et defendat nos ab inimicus nostris: pro quo bona, corpora et vitam exponere parati sumus." [...] Tunc legatus repente introgressus, episcopum secum ad brachia trahens, illum eis ex[h]ibuit tanto ardore visere han[h]elantibus; sequutus est illico ingens et jocundus omnium clamor: "Vivat, vivat princeps noster episcopus Leodiensis!"
De Luikenaren vroegen: "De prins-bisschop, onze meester, wij verlangen te bekomen dat hij onze meester is en niet de slaaf van vreemden. En dat hij ons tegen onze vijanden beschermt. Voor zulks zijn we bereid ons bezit, ons bloed en ons leven op het spel te zetten." [...] Vervolgens stapte de gezant naar binnen, trok de prins-bisschop aan de arm naar buiten, toonde hem aan zij [die] met veel enthousiasme verlangden hem te zien – uitzinnig en gelaten geroep van allen is dan gevolgd: "Leve onze prins, de prins-bisschop van Luik!"

Aanhalingsteken sluiten
— Onofrio (±1468). De rebus in [...] civitatis Leodiensis excidio com[m]entarium, Responsio legati ad capitaneos.

Karel weigert te onderhandelen en verwoest Luik[bewerken]

Monument voor de 600 Franchimontezen, in Theux

Wanneer het nieuws over Tongeren te Péronne aankomt (12 oktober), gaat de hertog ervan uit dat Humbercourt en Bourbon gedood zijn. Hij beschuldigt koning Lodewijk ervan dat deze hem daar opzettelijk ophield. Hij laat de poorten van de stad dagenlang sluiten totdat de koning, uit vrees voor eigen leven, het Verdrag van Péronne ondertekent. Hiermee zegt hij formeel de Luikse opstand niet te steunen en zelfs deel te nemen aan de veldtocht. De hertog gaat niet in op het verzoek om met Luik te onderhandelen, maar stuurt meteen zijn maarschalk Neufchâtel. Deze plundert Haspengouw vanaf 15 oktober.

De Luikenaren trachten zijn opmars te stuiten (Elch en Lantin, 22 oktober), maar worden afgeslagen. De hertog, zelf nog maar 25 km verwijderd, beveelt de maarschalk alvast de stad binnen te trekken, doorheen de sinds vorig jaar vernielde stadsmuren bij St.-Léonard (26 oktober). Zijn troepen zijn echter uit op plunderen en worden verrast door de nacht; Jan de Wilde kan zo een succesvolle uitval doen, hoewel hij hierbij zelf dodelijk verwond wordt. Twee nachten later (28-29 oktober) doen ook 600 Franchimontezen bij Ste.-Walburge een uitval, en ze slagen bijna in hun opzet tot bij de hertog en de koning te geraken. Hierbij laten echter allen het leven en de stad telt geen strijders noch leiders meer.

Op de 29e onderneemt niemand aanvallen. De 30e is een zondag dus rustdag, vanwaar de Luikenaren zich niet verwachten aan een actie. Toch beveelt Karel bij het ochtendgloren de inval. De Bourgondiërs trekken dan ook een onverdedigde stad binnen; al wie niet vluchtte, is nog aan het slapen of ontbijten. Tegen de middag is de stad geplunderd en het volk, verscholen in huizen en kerken, gevangengenomen. Begin november worden de gevangenen verdronken en wordt de stad met de grond gelijkgemaakt.

Aanhalingsteken openen

Avant qu'il partist de la dite cité furent noyés en grand nombre les pauvres gens prisonniers qui avoient esté trouvés cachés ès maisons [...] Outre fut délibéré de faire brusler ladite cité [...] à trois fois, et furent ordonnés trois ou quatre mille homme-de-pied, du païs de Luxembourg [...] pour faire cette désolation, et pour deffendre les églises.
Voordat de hertog uit de stad vertrok, werden de arme gevangenen die in de huizen waren aangetroffen in groten getale verdronken. Daarnaast werd besloten de stad tot driemaal toe plat te branden. Drie- tot vierduizend man voetvolk uit het hertogdom Luxemburg werd bevolen die vernieling aan te richten, en om de kerken te beschermen.

Aanhalingsteken sluiten
— Philippe de Commynes (±1490). Mémoires, boek 2, hoofdstuk 14.

Intussen onderneemt de hertog een strafexpeditie tegen Franchimont. Bij Polleur verblijft hij een week, terwijl zijn troepen de omgeving brandschatten. Daarna verplicht de winterse koude hem de campagne vroegtijdig af te breken. Het prinsbisdom verliest zijn zelfstandigheid volledig en staat onder de strenge controle van Humbercourt. Bourbon keert pas op 3 januari 1470 terug in zijn stad. De raadkamer van Luik, eerder al verplaatst naar Maastricht, wordt ondergeschikt aan het Parlement van Mechelen.[6] Dit alles ondanks de oorkonde waarmee keizer Frederik de rechten van het prinsbisdom bevestigt (28 oktober 1473).

Door de dood van Karel wordt Luik weer zelfstandig (1477-92)[bewerken]

Luik herwint haar zelfstandigheid en richt opnieuw haar perroen op (1478)

Koning Lodewijk slaagt, door de Slag bij Nancy (1477), erin de Bourgondische veroveringsdrang te stuiten. De Nederlanden eisen de rechten die de gesneuvelde Karel hen ontnam terug. Hertogin Maria van Bourgondië kan haar onderdanen slechts geruststellen door akkoord te gaan met het Groot Privilege. Een maand later kondigt ze een oorkonde af (19 maart 1477) waarmee alle Bourgondische rechten over het Luikse weer aan Bourbon toekomen.

Bourbon blijft prins-bisschop totdat Willem met de Baard, een aanhanger van Humbercourt die in ongenade van Bourbon viel, Luik gewapenderhand inneemt en Bourbon vermoordt (1482). Bij de verkiezing van de volgende prins-bisschop grijpt Maximiliaan van Oostenrijk, echtgenoot van hertogin Maria, naast de benoeming (1483). Tot slot zal Maximiliaans zoon, Filips de Schone, de neutraliteit van Luik bevestigen (1492).

Luik telt tegenwoordig nog enkele herinneringen aan de Luiks-Bourgondische Oorlogen. Bekend is de 70 m hoge trap, dicht bij de voormalige stadspoort richting Ste.-Walburge waar de 600 Franchimontezen strijd leverden, die naar Vincent van Bueren werd vernoemd: de montagne de Bueren. Verder naar het noorden werd een laan "boulevard Jean de Wilde" gedoopt.

Referenties[bewerken]