Luxemburgse kwestie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Luxemburgse kwestie was een diplomatiek conflict dat speelde in 1867. Door de kwestie dreigde er oorlog tussen Frankrijk en Pruisen en viel voor het eerst in de Nederlandse politieke geschiedenis een kabinet als gevolg van een conflict met het parlement.

De Nederlandse koning-groothertog Willem III
Napoleon III, keizer van Frankrijk

Achtergrond[bewerken]

Luxemburg werd sinds het Congres van Wenen in 1815 een groothertogdom dat verbonden werd in een personele unie met het koninkrijk der Nederlanden, waarbij de koning de titel van groothertog droeg. Maar het maakte ook deel uit van de Duitse Bond. Hoewel het groothertogdom in de Belgische onafhankelijkheidsstrijd grotendeels onder het bestuur stond van de Belgen (met uitzondering van Luxemburg-Stad) werd in 1839 het oostelijke deel van het staatje gehandhaafd in de personele unie onder gezag van het Huis van Oranje-Nassau en in de Duitse Bond. Het westelijke deel werd aan België geschonken. Ter compensatie kreeg Nederland van België het oostelijk deel van Limburg. Ter verdere genoegdoening werd ook Nederlands Limburg lid van de Duitse Bond.

Verloop van het conflict[bewerken]

Door de overwinning in de Pruisisch-Oostenrijkse Oorlog van 1866 en de Pruisische hegemonie in de in dat jaar opgerichte Noord-Duitse Bond raakten verschillende landen ongerust over het Europese machtsevenwicht. Om dit te herstellen wenste de Franse keizer Napoleon III delen van het grondgebied van de Duitse bond over te nemen, onder meer het groothertogdom Luxemburg. Na overleg gaf de Pruisische bondskanselier Otto von Bismarck aan dat hij geen bezwaar had tegen een overdracht van Luxemburg. Als voorwaarde vroeg hij om de overdracht buiten de publiciteit te houden, zodat het Pruisische parlement – dat hij anders niet zou kunnen overtuigen – voor een voldongen feit kwam te staan.

Nederland, onkundig van die besprekingen, deed vervolgens een poging bij Bismarck om te bewerkstelligen dat Limburg niet zou hoeven toetreden tot de nieuwe Noord-Duitse Bond. Bismarck gaf aan dat Nederlands Limburg lid diende te worden van de Noord-Duitse Bond en dreigde als dat niet gebeurde met het annexeren van het Nederlandse deel van Limburg ten oosten van de Maas. Bang geworden vroeg Nederland aan Frankrijk of die bij een Pruisische inval militaire steun aan Nederland wilde verlenen. Frankrijk gaf een positief signaal af, maar gaf aan ter compensatie Luxemburg te willen hebben. Koning Willem III en de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Jules van Zuylen van Nijevelt stemden daarin toe. Voor de overdracht werd tussen Willem III en Frankrijk een bedrag overeengekomen van vijf miljoen gulden.

Op voorspraak van de Nederlandse koning werd echter toch Pruisen geconsulteerd, waardoor de kwestie in de kranten terechtkwam. Willem III stuurde vervolgens zijn oudste zoon Willem als speciaal gezant naar Frankrijk. Op 28 maart 1867 overhandigde de kroonprins namens zijn vader in Parijs een schriftelijke verklaring van afstand aan Napoleon III en op 31 maart 1867 keerde de Franse gezant Baudin met het contract te Den Haag terug. Om alles officieel te houden, moest een vertegenwoordiger van de Luxemburgse Statenvergadering meetekenen. Daarop was het nog wachten en de overdracht leidde tot enige vertraging en daarmee tot ongeduld bij Frankrijk. Dit land gaf vervolgens aan dat als de overdracht alsnog zou afketsen, dit zou leiden tot een oorlog met Frankrijk.

Ondertussen was het Pruisische parlement zich gaan roeren, waardoor Bismarck een draai maakte van honderdtachtig graden. Hij deelde mee dat een verkoop van Luxemburg zou leiden tot een oorlog tussen Pruisen en Frankrijk, evenals tussen Pruisen en Nederland, waarop Nederland de overdracht annuleerde.

Frankrijk zette zijn dreigement niet door. Er waren echter nog steeds problemen. Zo bevond zich sinds 1839 een Pruisisch garnizoen in Luxemburg, zeer tegen de zin van Frankrijk. Om een en ander, alsook andere kwesties, uit de wereld te helpen werd op initiatief van de Russische minister van Buitenlandse Zaken Alexander Michailovitsj Gortsjakov een congres in Londen belegd. Deze vond plaats van 7 tot 11 mei 1867. Er werd een verdrag gesloten waarin de neutraliteit van Luxemburg werd gegarandeerd, de ontmanteling van de Vesting Luxemburg werd gelast en er werd afgesproken Luxemburg en Limburg buiten de Noord-Duitse Bond te houden.

Parlementaire gevolgen in Nederland[bewerken]

Met het sluiten van het verdrag was in Nederland de kous nog niet af. De liberalen in het parlement vonden dat minister Van Zuylen met zijn eigenmachtige optreden in deze zaak de Nederlandse neutraliteit in gevaar had gebracht. Er ontstond een constitutioneel conflict: het kabinet wilde, gesteund door de koning, gewoon blijven zitten, terwijl de Tweede Kamer wenste dat het vertrok. De Kamer keurde de begroting voor Buitenlandse Zaken af en dit had tot gevolg dat een vertoornde Willem III het parlement ontbond.

Het nieuw gekozen parlement echter verwierp bij motie de ontbinding van het vorige parlement en stemde opnieuw tegen de begroting. Dit had uiteindelijk als gevolg dat het kabinet opstapte. Vanaf dat moment zou geen enkel kabinet meer tegen de wens van een Tweede Kamermeerderheid blijven zitten. Hieruit ontstond de vertrouwensregel, in casu een ongeschreven regel van het Nederlandse staatsrecht.