Madelon Verstijnen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Madelon Leonore (Lon) Verstijnen ('s-Gravenhage, 15 september 1916Voorburg, 15 november 2017)[1][2] is een Nederlandse vrouw die aan het einde van de Tweede Wereldoorlog tijdens een dodenmars ontsnapte.

Voor de oorlog[bewerken]

Verstijnen bracht haar jeugd door in Den Haag. Haar vader was notaris in Scheveningen. Verstijnen studeerde Arabisch in Leiden, met als keuzetaal Assyrisch. Ze was tijdens de oorlogsjaren de enige student van professor Franz Böhl (1882-1976).[3] De broer van Madelon, Eric Frans Verstijnen (1910-1945), studeerde rechten in Leiden. Hij zat in het verzet en vertrok naar Parijs.

Oorlogsjaren[bewerken]

Toen de Atlantikwall gebouwd werd, moest het gezin verhuizen.

Arrestatie[bewerken]

In 1944 reisde ze Eric achterna om zich bij het verzet in Parijs te voegen. Kort na haar aankomst werden zij en andere studenten en verzetsleden uit de groep rond Vic Swane in Hotel Montholon verraden, vermoedelijk door Christiaan Lindemans.[4] Midden in de nacht stormden Duitsers haar kamer binnen. In de klerenkast vonden ze Duitse wapens en uniformen. Ze werd meegenomen en met de anderen op transport gesteld.

Ontsnapping[bewerken]

Verstijnen kwam terecht in Buchenwald, Eric verdween als Nacht und Nebel-gevangene naar Compiègne, Fresnes, Dachau, Natzweiler-Struthof en werkkamp Vaihingen, waar hij op 31 januari 1945 overleed.

In april 1945 werd besloten het kamp te evacueren. De 28.000 gevangenen moesten naar Dresden lopen, de mannen voorop, gevolgd door de zigeuners, Russen, Polen en tot slot de vrouwen. Verstijnen behoorde tot het 'Franse' groepje dat hoofdzakelijk uit Franse vrouwen bestond. Zij vertrokken op 14 april. Slechts enkele vrouwen en kinderen en te zwakke mannen bleven in het kamp achter met enkele bewakers.

Op 16 april mocht er rond het middaguur een pauze ingelast worden. Veel gevangenen waren onderweg reeds bezweken. Toen de tocht vervolgd werd, bleek Verstijnen met haar Franse groepje achteraan de rij te lopen. Opeens zag Verstijnen dat er geen bewakers meer achter hen liepen. Ze waarschuwde haar groepje en ze doken de bosjes in. Het werd niet opgemerkt.

De vrouwen hadden niet meer hun gestreepte winterkleding aan maar een lichtblauwe zomerjurk. Voor de aanvang van de mars had iedereen een jasje gekregen. Op de rug was een wit kruis gekalkt. Ze waren dus duidelijk herkenbaar en moesten tijdens hun tocht naar de vrijheid steden en dorpen vermijden. De eerste nacht sliepen ze op een grote hooizolder. Ze werden geholpen door twee mannen die ook wat eten, drinken en kleding regelden. De volgende nacht mochten ze van een lokale graaf in een van bijgebouwen van zijn kasteel slapen. Halverwege de nacht kwam hij ze waarschuwen dat er Duitsers in aantocht waren, en dat ze moesten vertrekken. Uiteindelijk kwamen ze bij de Mulde. Aan de overkant daarvan was niemandsland en daar achter zaten de Amerikanen. De veerman weigerde echter de vrouwen over te zetten. Er zat niets anders op dan de rotsen af te klauteren, het water over te gaan en aan de andere kant weer de steile rotsen op te klauteren.

Na de oorlog[bewerken]

Verstijnen werkte als tolk bij de Turkse ambassade voordat ze als vertaalster ging werken bij het Europees Parlement en voor de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal. In 1958 was Verstijnen medeoprichter van de Voorlichtingsdienst van de Europese Gemeenschappen.
In 1962 vroeg Kluwer haar als auteur van het Handboek Europese gemeenschappen (Europees Recht).
In 1963 kwam zij aan het hoofd te staan van het secretariaat bij de Stichting Wereldtentoonstelling Montreal en daarna van de Expo 70 in Osaka.
In 1972 aanvaardde zij haar benoeming tot hoofd secretariaat buitenland van de ANWB.
Zij was ridder in de Orde van Oranje-Nassau.[bron?]