Mahatmabrieven

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Mahatmabrieven zijn brieven die door Mahatma's (Wijzen uit Tibet ) eind negentiende eeuw geschreven zouden zijn aan een aantal prominente leden van de Theosophical Society.

De Mahatma's in de theosofische literatuur[bewerken]

Helena Blavatsky (1831-1891) was de eerste die in de moderne tijd een van de Mahatma's (in de Engelstalige literatuur ook de Great White Brotherhood of Masters of the Ancient Wisdom ) ontmoette. De eerste ontmoeting vond plaats in 1851 in Londen, hoewel er ook theosofische bronnen zijn, die de ontmoeting in Ramsgate plaatsen. De Mahatma, genaamd Morya, drong erbij haar op aan de Theosophical Society op te richten en vertelde hoe die zou moeten functioneren. Morya vroeg haar naar Tibet te reizen voor een langdurig verblijf om zich op die taak voor te bereiden. Blavatsky reisde de volgende twee decennia zeer veel. Voor biografen is haar reisschema van die periode niet duidelijk weer te geven, ook omdat er in haar eigen geschriften chronologische onmogelijkheden en tegenstrijdigheden zijn. Zij heeft echter bij herhaling gesteld dat zij in dit tijdsbestek en over meerdere periodes verdeeld ruim zeven jaar in Tibet was.[1]

Daar ontmoette zij naast Morya andere Mahatma's, zoals onder meer Koot Hoomi, die een reïncarnatie van Pythagoras zou zijn. Volgens Blavatsky waren zij geen Tibetanen, maar Indiërs. Beiden hadden in Europa gereisd, spraken en schreven Engels en Koot Hoomi ook nog Frans. Blavatsky beschreef de Mahatma's als stervelingen, die echter een intellectueel en spiritueel niveau hadden dat veel hoger was dan van alle andere personen in de wereld. Zij waren leden van een broederschap die reeds dateerde van preboeddhistische tijden.

De Mahatma's hadden Blavatsky geselecteerd om als intermediair op te treden tussen de in Tibet aanwezige wijsheid en de westerse wereld. Voor Blavatsky hadden Mahatma's contact gehad met onder meer Graaf van Saint-Germain (1710- 1784), Robert Fludd (1574- 1637) en Giovanni Pico della Mirandola (1463-1494). De verblijfplaats van de Mahatma's was een vallei nabij het klooster Tashilhunpo in de omgeving van Shigatse, de residentie van de panchen lama, die als enige buiten de Mahatma's de exacte lokatie wist. De Mahatma's konden zich materialiseren in een tijdelijk lichaam op andere plaatsen in de wereld en daar weer in het niets opgaan. Op deze wijze werden ook ontmoetingen met andere theosofen georganiseerd. Nog tijdens het leven van Blavatsky waren er ruim 25 theosofen die claimden een ontmoeting met een van de Mahatma's te hebben gehad op plekken in bijvoorbeeld Rusland, Engeland, Verenigde Staten, India, Ceylon en een zeilboot op de Stille Oceaan.

Gedurende de perioden in TIbet bestudeerde zij onder leiding van de Mahatma's onder meer de Stanza's van Dzyan, geschreven in de geheime taal Senzar. Dit werk zou de basis vormen voor haar standaardwerk in de theosofie, De Geheime Leer .

De brieven[bewerken]

In 1880 ontmoette Blavatsky in Simla A.P. Sinnett. De interesse van Sinnett in de opvattingen van Blavatsky en het werk van de Theosophical Society deden Blavatsky besluiten een mogelijkheid te creëren waardoor Sinnett kon corresponderen met Morya en Koot Hoomi. De Mahatma's konden diverse methoden gebruiken om een brief bij de ontvanger te krijgen. Daarvoor werden verschillende manieren van teleportatie gebruikt. De brieven konden bij verzending ontleed worden tot minieme delen, die zich bij ontvangst weer samen voegden. In veel gevallen vielen de brieven ook uit het niets op het bureau van een ontvanger. Soms wel en soms niet voorafgegaan door een belgeluid. De eerste van deze brieven was al tien jaren daarvoor verzonden op een moment dat familie van Blavatsky zich ongerust maakte, omdat zij al enige tijd niets van haar hadden gehoord. Eind 1870 ontving haar tante Nadyezhda Andreyevna de Fadeyev een brief in het Frans van Koot Hoomi, dat het goed met haar ging en zij over enige tijd weer contact met de familie zou opnemen. Deze brief wordt beschouwd als de eerste Mahatmabrief. Alle overige brieven zijn in het Engels.

De literaire productie van de Mahatma's was aanzienlijk. De meeste brieven zijn geschreven door Koot Hoomi en daarna Morya. Namen van andere Mahatma's die brieven verzonden zijn Djual Khool, Maha Chohan en Narayan. Er zijn ruim dertig theosofen die claimen een brief van een of meerdere Mahatma's te hebben ontvangen. De inhoud van de brieven varieerde van op zich triviale opmerkingen ten aanzien van het functioneren van de Theosophical Society, waarschuwingen tegen de rooms-katholieke kerk en de jezuïeten inzake hun oppositie tegen de theosofie, correcties op standpunten van sommige theosofen tot het leveren van canonieke teksten die de basis zijn van standaardwerken als De Geheime Leer en Esoteric Buddhism .

Na het overlijden van Blavatsky in 1891 hield de stroom brieven naar leden van de Theosophical Society op. Er is nog een brief uit 1899 van Koot Hoomi aan Annie Besant, de opvolger van Blavatsky als voorzitter van de Society. In deze brief wordt Besant gemaand vooral niet af te wijken van het beleid van Blavatsky ten aanzien van het functioneren van de Society. Een iets latere brief aan Charles Webster Leadbeater zou enige van zijn wat afwijkende meningen goedkeuren. Deze brieven worden door een deel van de theosofische gemeenschap als vervalsingen gezien. Ook in de twintigste eeuw werden contacten en ontvangen brieven van de Mahatma's geclaimd. Bekende voorbeelden zijn de schrijfster Alice Bailey waarvan de tekst van haar boeken op telepathische wijze gedicteerd werd door Mahatma Djual Khool. Tussen maart 1920 en april 1923 zou het echtpaar Nikolaj Rjorich en Jelena Rjorich frequent contact hebben gehad met Mahatma Morya. De van hem ontvangen brieven werden in 1924 en 1925 uitgegeven als Leaves of Morya's Garden . De eerste met als subtitel The Call , de tweede met de subtitel Illumination.

Beschuldigingen[bewerken]

Nog tijdens haar leven werd Blavatsky meerdere malen van fraude en bedrog beschuldigd. Een daarvan was dat zij zelf de auteur zou zijn van de Mahatmabrieven. De bekendste affaire startte in 1884.

Een echtpaar Coulomb was sinds 1882 belast met huishoudelijke taken in de woning van Blavatsky in Adyar, waar het het hoofdkantoor van de Society was gevestigd. Het echtpaar werd in 1884 wegens vermeend wangedrag ontslagen. Hierna beschuldigde het echtpaar Blavatsky van het manipuleren en in scene zetten van occulte fenomenen. Blavatsky had annex aan haar woning een ruimte gebouwd, die zij The Occult Room noemde. In die ruimte was een schrijn gewijd aan de Mahatma's, waar zich frequent de Mahatmabrieven materialiseerden. Vanuit de ruimte zou Blavatsky ook andere vormen van teleportatie gemanipuleerd hebben. Daarnaast verspreidde het echtpaar een aantal van de Mahatmabrieven naar de pers met de beschuldiging dat die door Blavatsky zelf geschreven zouden zijn.

Hierop werd de Society for Psychical Research gevraagd een onderzoek in te stellen. In december 1884 werd een ‘voorbereidend en voorlopig Rapport’ uitgebracht. Richard Hodgson kreeg een opdracht tot een vervolgonderzoek. Hogdson was een onderzoeker van paranormale verschijnselen. Het Hodgson Rapport kwam tot drie conclusies. De eerste was dat Blavatsky de occulte fenomenen inderdaad gemanipuleerd had. De tweede was, dat de Mahatma's feitelijk niet bestonden. De derde was dat Blavatsky de brieven ook zelf geschreven had.

In het voorjaar van 1984 kreeg Vernon Harrison, een Amerikaanse onderzoeker, na het bijwonen van een lezing van de Theosophical Society, interesse in het Hodgson Rapport. Zijn onderzoek handelt uitsluitend over de vraag of Blavatsky de Mahatmabrieven wel of niet zelf geschreven heeft. De essentie van het eerste deel van het rapport van Vernon Harrison was, dat het Hodgson Rappor op dat onderdeel ernstige methodologische tekortkomingen had en dat die beschuldiging aan Blavatsky op basis van dat Hodgson Rapport onvoldoende inhoudelijk onderbouwd kon worden. Een beperking voor het onderzoek van Harrison was het feit, dat de door het echtpaar verspreidde brieven al geruime tijd spoorloos verdwenen waren en alle betrokkenen en getuigen uit de periode overleden.

Het tweede deel van zijn rapport betrof een onderzoek naar de nog wel aanwezige Mahatmabrieven. Het materiaal hiervoor waren 1.323 dia's van ruim 100 Mahatmabrieven. Harrison constateerde op basis van vooral handschriftvergelijking dat het handschrift van Blavatsky bij haar volle bewustzijn in bijvoorbeeld brieven aan vrienden, kennissen, etc. teveel afweek van het handschrift in de Mahatmabrieven. Harrison zag in zijn rapport af van een finaal oordeel wie de Mahatmabrieven geschreven heeft. In het rapport vermeldde hij echter meerdere malen de mogelijkheid, dat Blavatsky de brieven geschreven zou hebben tijdens haar vele perioden dat zij in een trance verkeerde. Die these en variaties daarop worden ook door meerdere auteurs genoemd.

Opvattingen in de tibetologie[bewerken]

In het vakgebied van de tibetologie zijn er een aantal wetenschappers die hebben gepubliceerd over de Mahatmabrieven en daaraan gerelateerde aspecten. De claim van Blavatsky dat zij ruim zeven jaar in Tibet was geweest wordt voor onmogelijk gehouden. Zelfs de mogelijkheid, dat zij ooit een stap op Tibetaanse bodem heeft gezet wordt voor buitengewoon onwaarschijnlijk tot geheel uitgesloten verklaard. Blavatsky heeft over Tibet zelf nauwelijks iets geschreven. Zij schreef wel veel over het Tibetaans boeddhisme, maar veel is daarvan gekopieerd uit literatuur van anderen en bevat ook zeer veel aantoonbare fouten. Er zijn ook Tibetanen die brieven aan Blavatsky hebben geschreven. In het vakgebied wordt vaak het volgende fragment gehanteerd om het wetenschappelijk standpunt te illustreren dat de brieven nooit in Tibet kunnen zijn ontstaan. Het is een brief van iemand die Blavatsky aanduidt als the Chohan-Lama of Rinch-cha-tze (Tibet) the Chief of the Archive-registrars of the secret Libraries of the Dalai and Ta-shü-hlumpo Lamas-Rimboche . Met de Ta-shü-hlumpo Lamas-Rimboche wordt de panchen lama bedoeld. Het fragment en de brief handelen over de toegankelijkheid van de tekst van de kangyur, het belangrijkste boek van de canon van het Tibetaans boeddhisme. Wetenschappers sluiten volstrekt uit, dat een geleerde in het Tibet van de negentiende eeuw ooit deze tekst had kunnen schrijven.

Could they even by chance have seen them, I can assure the Theosophists that the contents of these volumes could never be understood by anyone who had not been given the key to their peculiar character, and to their hidden meaning. Every description of localities is ‘figurative in our system; every name and word is purposely veiled; and a student, before he is given any further instruction, has to study the mode of deciphering, and then of comprehending and learning the equivalent secret term or synonym for nearly every word of our religious language. The Egyptian enchorial or hieratic system is child’s play to the deciphering of our sacred puzzles. Even in those volumes to which the masses have access, every sentence has a dual meaning, one intended for the unlearned, and the other for those who have received the key to the records .