Stadsbuitengracht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Maliesingel)
Ga naar: navigatie, zoeken
Stadsbuitengracht (Catharijnesingel) ter hoogte van Sterrenburg. De groenzone wordt gevormd door het singelplantsoen/Zocherpark.

De Stadsbuitengracht is de singel rond de oude binnenstad van de Nederlandse stad Utrecht. De Stadsbuitengracht is aangelegd in de twaalfde eeuw als verdedigingswerk van de stad. Op het noordwestelijke deel na, is de Stadsbuitengracht nog steeds intact. Qua waterwegen monden de Kromme Rijn en Vaartsche Rijn uit in het zuidelijke deel van de Stadsbuitengracht, de Utrechtse Vecht begint in het noordelijk deel. Langs de enkele kilometers lange gracht is (grotendeels) het Zocherpark gelegen.

De straten die aan de buitenzijde rond de Stadsbuitengracht lopen heten (vanaf het noorden met de klok mee) de Weerdsingel, Wittevrouwensingel, Maliesingel, Tolsteegsingel en Catharijnesingel.

Geschiedenis[bewerken]

De ligging van de Stadsbuitengracht rondom de stad Utrecht is duidelijk te zien op deze kaart uit 1649
Restant van de stadsmuur ter hoogte van het Lucasbolwerk.[1]
Zuidoostelijk deel van de Stadsbuitengracht met bolwerk Sonnenborgh.

Met de aanleg van de Stadsbuitengracht werd begonnen binnen enkele jaren nadat Utrecht in 1122 van keizer Hendrik V de stadsrechten bevestigd kreeg, waardoor Utrecht het recht kreeg een stadsmuur met een gracht om de stad aan te leggen. De bijna zes kilometer lange Stadsbuitengracht volgde aanvankelijk in het zuidelijk en zuidoostelijk deel van de stad de toenmalige loop van de Rijn.[2] Het deel van de Rijnbocht dat niet werd gebruikt voor de Stadsbuitengracht werd afgedamd. Het doel van de Stadsbuitengracht in de eerste eeuwen was enerzijds om het stadsgebied af te bakenen en anderzijds om in het geval van strijd als onderdeel in de verdediging te fungeren.

Muur en verdediging[bewerken]

De toegang over land tot de stad zou na de aanleg eeuwenlang via één van de vier met een brug uitgevoerde toegangen via stadspoorten gaan gebeuren; met de klok mee vanaf het noorden de Weerdpoort, Wittevrouwenpoort, Tolsteegpoorten en Catharijnepoort. In vijandelijke tijd vormde de gracht een verdedigingsgracht tijdens een aanval van buiten. Het verhinderde een vijand dan onder de stadsmuur te komen waardoor deze gedwongen werd een brug te bouwen of de gracht te dempen.

De stadsmuur was voorzien van meer dan 20 verdedingstorens, die door de Utrechtse gilden werden bemand. Het ging onder meer om de Torens de Beer (1537, tussen Weerdpoort en Plompetoren langs de Weerdsingel, gesloopt in 1828), de Bok (bijnaam van de Lauwerstoren bij de Weerdpoort aan de Weerdsingel/Oudegracht), de Hond (tussen Plompetoren en Wittevrouwenpoort, gesloopt voor Willemskazerne), de Leeuw (1537, bij de Noorderbrug langs de Weerdsingel, tussen Weerdpoort en Begijnebolwerk, gesloopt in 1828), de Vos (1537, tussen Plompetoren en Wolvenplein, gesloopt in 1843), de Wolf (hoek Wittevrouwensingel), het Paard (op de plaats van de vroegere Brouwerstoren bij de Koningstraat in Wijk C noord) [3], en de oudere torens de Smeetoren, Plompetoren en Bijlhouwerstoren.

Bij een poging van een vijand om de stadsverdediging te doorbreken kon deze vanaf de muur en torens worden bestookt. De vier locaties met de stadspoorten waren daarbij of voorzien van een voor- en hoofdpoort of voorzien van een groot poortcomplex. Alle vier waren tevens uitgevoerd met zware en zeer weerbare poortdeuren en de bruggedeeltes waren ophaalbaar of op andere wijze zodanig beweegbaar dat er geen directe toegang meer was. De gracht werd onderhouden, onder meer werd deze op diepte en breedte gehouden. In de wintertijd werd bij ijsvorming op de Stadsbuitengracht het ijs kapot geslagen om een eventuele vijand te verhinderen de stad zonder veel moeite te naderen.[4][5]

In de eerste eeuwen na de aanleg werd de Stadsbuitengracht ook voor andere doeleinden gebruikt. Ambachtslieden als bijvoorbeeld vollers en leerlooiers legden hun wol en huiden in de gracht. Daarbij werd de gracht gebruikt voor transporten over water, als loospunt voor de riolen en voor viskwekerijen.[6]

Keizer Karel V liet de verdedigingsgracht op een aantal plaatsen verleggen en versterken. Het belangrijkste bouwwerk bestond uit de bouw van de dwangburcht Vredenburg, die in 1532 werd voltooid. In eerste instantie liet hij vanaf 1536 een aantal rondelen bouwen. Enkele jaren later werden de rondelen naar Italiaans voorbeeld vervangen door bastions. Onder leiding van bouwmeester Willem van Noort werden van 1544 tot 1558 de bastions Morgenster (noordzijde) en Sterrenburg, Manenborgh en Sonnenborgh (zuidzijde) gebouwd. Kort na de aanleg van de bastions brak de Tachtigjarige Oorlog uit, die een verdere versterking van de stad noodzaakte. Daar kwam bij het het Vredenburg in 1576 door de Utrechtse bevolking was gesloopt. In 1577 werden vijf grote aarden bolwerken bijgebouwd, het Lepelenburg, Wolvenburg, Lucasbolwerk, Mariabolwerk en het Begijnebolwerk. De bouw van de vijf bolwerken was de laatste modernisering van de Utrechtse verdediging tot in de negentiende eeuw de Nieuwe Hollandse Waterlinie met een aantal forten bij de stad werd aangelegd.

Vanaf 1830 werden bolwerken, stadspoorten en stadswal grotendeels afgebroken en legde Jan David Zocher op een groot deel van de voormalige verdedigingswerken het Zocherpark aan, een park dat tot op de dag van vandaag bestaat. Van de oude bastions bestaan het Sonnenborgh nog en delen van Manenborgh en Sterrenburg.

Gedeeltelijke demping[bewerken]

Gedempt deel van de Stadsbuitengracht met de Catharijnebaan ter hoogte van het Paardenveld. (Foto uit 2008.)

In 1958 gaf de Utrechtse gemeenteraad de Duitse verkeerskundige Max Erich Feuchtinger de opdracht te onderzoeken hoe de binnenstad voor autoverkeer bereikbaar kon blijven. Feuchtinger kwam met een plan[7] waarbij de gehele Stadsbuitengracht gedempt zou worden en worden vervangen voor een rondweg met een reeks parkeergarages. Door de historische binnenstad werd een oost-west en noord-zuid verbinding voorzien. Het plan stuitte op veel weerstand bij de Utrechtse bevolking. Nadat de staatssecretaris de bolwerken en wallen op de monumentenlijst plaatste, was het hele plan van de baan.

In 1962 kwam de stedenbouwkundige J.A. Kuiper[8] met een nieuw voorstel, dat was gebaseerd op het plan Feuchtinger. Hij stelde voor de demping van de singels te beperken tot de westelijke en noordwestelijke delen. In 1965 stelde Kuiper zijn definitieve basisplan voor de binnenstad op. De gedeeltelijke demping van de singels uit zijn eerdere plan nam hij over, evenals de doorbraken door de binnenstad van Feuchtinger. Het plan van Kuiper hing samen met het plan van Bredero voor de bouw van Hoog Catharijne. Uiteindelijk stond het Rijk de gedeeltelijke demping van de singels in het noordwesten toe. Het noorden van de Catharijnesingel werd veranderd in de Catharijnebaan, een verdiepte stadsautoweg. Het westelijke deel van de Weerdsingel werd gebruikt als parkeerterrein. Van de verdere plannen voor de binnenstad van Kuiper is nooit iets terechtgekomen.

Heropening[bewerken]

In een referendum sprak de Utrechtse bevolking zich uit voor het weer opengraven van de gedempte Weerdsingel en Catharijnesingel. De Weerdsingel werd in 2001 weer opengegraven. In 2017 moet er ook weer water stromen door de Catharijnesingel, waar zich nu nog de Catherijnebaan bevindt.

Bruggen[bewerken]

Over de Stadsbuitengracht bevinden zich diverse bruggen. Een klein aantal brugverbindingen bestond al vanuit de middeleeuwen als onderdeel van een stadspoort. Met de afbraak van de oude stadsverdediging rond 1850 verrezen de eerste nieuwe brugverbindingen. Vooral tot omstreeks 1940 zijn er nog een aantal bijgebouwd. Met de gedeeltelijke demping rond 1970 van de Stadsbuitengracht verdwenen in het gedempte gebied de Catharijnebrug, Molenbrug, de Willemsbrug en de Westerbrug. Met het verder ongedaan maken van de demping zullen vanaf 2013 diverse nieuwe bruggen over de teruggebrachte gracht worden gelegd.

Vanuit het noordwesten bevinden zich anno 2012 met de klok mee de volgende bruggen over de Stadsbuitengracht:

Naam Afbeelding Opmerking
Monicabrug vroegste brugverbinding gebouwd omstreeks 1939 met de Westerbrug. De Monicabrug dateert uit omstreeks 2000.
Weerdbrug Utrecht-IMG 7508.JPG vanuit de middeleeuwen onderdeel van een stadspoort, huidige brug alleen toegankelijk voor voetgangers en fietsers
Van Asch van Wijckbrug Van Asch van Wijckbrug2.jpg gebouwd omstreeks 1939
Noorderbrug vroegste versie gebouwd in de 2e helft van de 19e eeuw
Wittevrouwenbrug Wittevrouwenbrug.jpg vanuit de middeleeuwen onderdeel van een stadspoort
Lucasbrug Lucasbrug.jpg vroegste versie gebouwd omstreeks 1859
Herenbrug Herenbrug Utrecht.jpg vroegste versie gebouwd omstreeks 1873
Maliebrug Rijksmonument-450456.jpg vroegste versie dateert uit 1637 als verbinding via een stadspoort naar de ontstane Maliebaan
Abstederbrug Hieronymus-514277.JPG gebouwd omstreeks 1901
Tolsteegbrug Tolsteegbrug.jpg vanuit de middeleeuwen onderdeel van een stadspoort
Sint Martinusbrug Martinusbrug.jpg geopend in 1997, alleen toegankelijk voor voetgangers
Bartholomeï- of Bartholomeusbrug Bartholomeusbrug.jpg vroegste versie gebouwd omstreeks 1902
Paardenveldbrug Toekomstige brug over heraangelegd stuk Catharijnesingel in stationsgebied.[9]
Marga Klompébrug Toekomstige brug over heraangelegd stuk Catharijnesingel in stationsgebied.[9]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen

Referenties

  1. Het betreft een "hersteld" deel van de stadsmuur bij de Nobeldwarsstraat, waarbij onjuist de zogeheten weergangsbogen aan de buitenzijde in plaats van de binnenzijde zijn aangebracht. Bron: T.J. Hoekstra, in: L.C. van der Vlerk, blz. 12.
  2. G.J.A. Bruynel
  3. Datavaria Utrecht stad, geraadpleegd 24-02-2011
  4. L.C. van der Vlerk et al, blz. 80-81
  5. H. Zijlstra, blz. 91
  6. L.C. van der Vlerk et al, blz. 49-50
  7. Verkeersplan Utrecht, M.E. Feuchtinger, Ulm 1958
  8. Van reconstructie en sanering naar renovatie en nieuwbouw
  9. a b Bouwput Utrecht