Manicheïsme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Dit artikel is in bewerking voor de Schrijfwedstrijd. Crystal wp.png
Wil je een grotere wijziging in dit artikel doorvoeren, dan is het misschien beter deze eerst op de overlegpagina voor te stellen. Voor uitleg hierover zie hier.
Categorie Gnosis
Abraxas gem scan.svg
Gnosis
Begrippen
Portaal  Portaalicoon  Religie
Manichese priesters aan schrijftafels, voorzien van tekst in het Sogdisch. Manuscript uit Khocho, in het Tarimbekken.

Het manicheïsme was een gnostische religie, waarbij de verwerving van gnosis het kernthema was. De grondlegger was Mani (216-276). Het ontstond korte tijd na andere religieuze bewegingen waarin gnosis ook het kernthema was, zoals de gnostiek, hermetisme en min of meer gelijktijdig met het mandeïsme. Mani heeft meerdere invloeden in zijn leer verwerkt, maar in de eenentwintigste eeuw is er consensus op het vakgebied dat de belangrijkste wortels van het manicheïsme in de christelijke gnosis liggen.

1rightarrow blue.svg Zie Gnosis voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Gnosis (γνῶσις) is het Griekse woord voor 'kennis'. De essentie daarvan is het verwerven van het inzicht in de oorsprong, huidige situatie en de bestemming van de mens. Het centrale thema is, dat de mens afkomstig is uit een goddelijke wereld en in zijn aardse situatie een goddelijke kern in zich heeft die afkomstig is uit die wereld. Die kern is verstrikt geraakt in de materie of in het kwaad in de stoffelijke wereld. Demonische krachten, soms ook geïnterpreteerd als hartstochten of het noodlot, trachten die kern gevangen te houden in zijn lichamelijk omhulsel. Wie de werkelijke situatie kent en dus ook weet heeft van zijn goddelijke kern en van de mogelijkheid tot terugkeer naar de goddelijke wereld heeft gnosis.

Mani[bewerken]

Mani werd geboren nabij Ctesiphon in het zuiden van Mesopotamië. Het gebied maakte in die tijd deel uit van het Parthische rijk. Zijn vader had de naam Pattìg of Pattèg. Berichten over zijn moeder Miryam dat deze nauwe banden had of gerelateerd was aan de toen heersende dynastie van de Arsaciden zijn later verzonnen verhalen. Mani groeide op in een milieu van joods-christelijke baptistische groeperingen. In de Keulse Mani-Codex, een geschrift uit eind vierde of begin vijfde eeuw, wordt vermeld dat hij zijn jeugd doorbracht bij een van die groeperingen, de Elkesaieten. [1] Dit soort groeperingen voerde dagelijks wassingen uit van hun lichaam en voedsel, hield zich streng aan de voorschriften van de sjabbat, maar beschouwde Jezus ook als hun verlosser. Zij waren vegetariërs en aten alleen voedsel dat zij zelf verbouwden.

Deze groeperingen geloofden ook in herhaalde reïncarnaties van Christus. Het latere idee in het manicheïsme van verschillende en herhaalde manifestaties van de Apostel van het Licht zou Mani aan deze notie ontleend hebben. Al tijdens zijn jeugd ontving hij openbaringen. Een bijzondere openbaring ontving Mani op de leeftijd van vijfentwintig jaar van wat zijn Gezel of Hemelse Tweeling wordt genoemd. Het is bekend in eerdere gnostische literatuur als syzygos, een hemelse paargenoot. In de Keulse Mani-codex wordt die openbaring verwoord als onder meer

Mijn Gezel onthulde mij vanwaar ik kom
en wie ik ben en wat mijn lichaam is
en hoe ik gekomen ben en hoe mijn komst in de wereld zich voltrok
en wat mijn plaats is onder hen die bij uitstek het stempel der uitnemendheid dragen
[….]
Zo hoorde ik de onuitsprekelijke geheimenissen en gedachten
en overvloedige ontfermingen van mijn Vader
en ook over mij zelf, wie ik ben
en wie toch wel de Gezel is, die onafscheidelijk van mij is
[...]
Hij toonde mij alles

Vanaf dat moment beschouwde Mani zich als de parakleet uit het Evangelie van Johannes. In het manicheïsme is Mani naast de parakleet ook de nieuwe Jezus Christus. In zijn eigen Levende (of: Grote) Evangelie wordt dat verwoord als

Ik, Mani, apostel van Jezus Christus
door de wil van God de Vader der Waarheid
uit Wie ik geboren ben
[….]
Uit Hem ben ik ontstaan en ik ben uit Zijn wil
En uit Hem is al de Waarheid mij geopenbaard
En ik ben uit Zijn Waarheid
Wat Hij onthuld heeft, heb ik aanschouwd als de eeuwige Waarheid

Kort daarna brak Mani met de groepering waar hij opgroeide en begon hij met zijn missiereizen. Dat was eerst alleen in Iran. In 241 zond hij een aantal volgelingen van hem als missionaris naar de westelijke delen van het Romeinse Rijk. Mani reisde naar India en en preekte in vooral de westelijke delen van de Indusvallei. Na de troonsbestijging van Sjapoer I keerde hij naar Babylonië terug. Ook bij zijn opvolger Hormazd I kreeg Mani volop gelegenheid zijn overtuiging te verspreiden en de organisatie van de manichese kerk uit te bouwen. Deze welwillende houding van de dynastie van de Sassaniden verdween in het begin van de regeerperiode van Bahram I. Kardèr, de hogepriester van het zoroastrisme meende dat zijn positie aan het hof werd bedreigd. Hij overtuigde de koning dat het noodzakelijk was om actie tegen Mani te ondernemen. Mani werd gevangen genomen, gemarteld en overleed. In een aantal manichese bronnen werd hij gekruisigd.

Bronnen[bewerken]

Mani beschouwde het als een grote fout van religieuze leiders zoals Gautama Boeddha, Zarathustra en Jezus dat zij hun leer en overtuiging niet schriftelijk hadden vastgelegd. Mani heeft dan ook uitdrukkelijk getracht zijn onderricht in boeken vast te leggen. Zo zou kunnen worden voorkomen dat er meningsverschillen en twisten over de leer zouden ontstaan. Mani heeft zeven canoniek geachte werken geschreven in het Oost-Aramees, dat tot het Syrisch behoort.

  • Het Levende (of: Grote) Evangelie. Hierin identificeert Mani zich met de trooster, de parakleet, die Jezus aan zijn leerlingen had beloofd.
  • De Schat des Levens. In dit werk wordt door Mani het ontstaan van de wereld en en de mens beschreven. Het maakt duidelijk dat in beide zich de strijd tussen goed en kwaad voltrekt.
  • De Pragmateia. Letterlijk betekent dit verhandeling. Het zijn legenden, verhalen over de periode vanaf het ontstaan van de wereld tot aan de redding van Adam door Jezus Zonneglans.
  • Het Boek van de Mysteriën. Dit boek is alleen bekend uit een islamitische bron dat een overzicht geeft van de zeventien of achttien hoofdstukken. De inhoud is onbekend, maar duidelijk is dat een deel ervan handelt over leerstukken van Bardaisan, die ook invloed op de ontwikkeling van de leer van Mani heeft gehad.
  • Het Boek van de Reuzen. Dit boek steunt duidelijk op de joodse traditie, zoals verwoord in het Eerste boek van Henoch en Genesis 6:1-4. In die dagen, en ook daarna, waren er reuzen op de aarde, toen Gods zonen bij de dochters van de mensen waren gekomen en die kinderen voor hen baarden; dit zijn de geweldenaars van oude tijden af, mannen van naam. In dit boek handelt het over twee reuzenbroers, die ieder de strijd aangaan met twee monsters. Aan het gevecht komt een einde doordat de overwinning wordt behaald door de engelen Michaël en Gabriël.
  • De Brieven. Dit zijn zesenzeventig rondzendbrieven die verschillende thema's behandelen. De brieven werden van de ene naar de andere manichese gemeenschap gestuurd om daar voorgelezen te worden.
  • De Psalmen en Gebeden. Dit werk is geheel verloren gegaan. In latere literatuut wordt opgemerkt, dat zij vanwege hun schoonheid onvertaalbaar waren. Er zijn wel later geschreven Psalmen van volgelingen van Mani bewaard gebleven.

De Shaburagan vervangt in sommige publicaties de Psalmen en Gebeden als canoniek schrift. Dit was geschreven in het Middelperzisch en opgedragen aan Sjapoer I, de koning van de Sassaniden. Mani schreef ook de Kephalaia (Hoofdzaken). Het is een tekst met een aantal hoofdstukken, waarin Mani zijn discipelen instrueert over de belangrijkste doctrines van het manicheïsme. Er is door Mani ook een boek met veel afbeeldingen geproduceerd, de Ardhang, die de manichese mythe over de schepping van de wereld illustreert. Dit laatste boek is geheel verloren gegaan.

Van de bewaard gebleven teksten is geen enkele volledig compleet. Tot begin twintigste eeuw was onderzoek van het manicheïsme vrijwel geheel gebaseerd op beschrijvingen die dit als een vorm van ketterij kenschetsten. De belangrijkste daarvan waren de Acta Archelai van Hegemonius en een aantal geschriften van Augustinus en zelf voor een deel van zijn leven manicheeër. Hiernaast hebben een aantal Arabische auteurs zoals Ibn al-Nadim en Al-Biruni over het manicheïsme gepubliceerd. In de twintigste eeuw werden echter een aantal vondsten gedaan die de visie op het manicheïsme fundamenteel hebben veranderd.

Chinese en Centraal-Aziatische vondsten[bewerken]

Tussen 1904 en 1914 onderzochten Duitse archeologen onder leiding van onder meer Albert Grünwedel de restanten van een aantal manichese kloosters nabij Turpan in de huidige Chinese provincie Xinjiang. Daarbij werden duizenden fragmenten gevonden van beschadigde manichese teksten. Aurel Stein en daarna Paul Pelliot ontdekten in 1908 en 1909 een aantal manichese teksten als onderdeel van de vondst van de manuscripten van Dunhuang. Die manichese teksten waren in diverse talen, zoals Chinees, Parthisch, Sogdisch, Oud-Turks en Tochaars.

In de provincie Fujian is nog een stele met een manichese inscriptie uit de periode 1316-1369 in het Chinees aanwezig. Een inscriptie met dezelfde tekst is ook aanwezig in een in 1950 ontdekt manichees tempelcomplex in Fuzhou in dezelfde provincie. Het complex heeft een beeld van Mani de Boeddha van het Licht. Het is het enige manichese tempelcomplex dat redelijk intact is gebleven. In de directe omgeving zijn een aantal manichese grafstenen. [2] Het geeft aan dat het manicheïsme tot in de veertiende eeuw in het uiterste zuidoosten van China nog aanwezig was.

Griekse en Latijnse teksten[bewerken]

Een deel van een codex die nu de naam heeft van de Tebessa codex werd in 1917 ontdekt in een grot bij Tebessa in Algerije. Het is een Latijnse tekst uit de vijfde eeuw die twee delen bevat. Het eerste deel handelt over de verhouding tussen de uitverkorenen en toehoorders in de manichese kerk. In het tweede deel wordt de ethiek van het niet werken door de uitverkorenen verdedigd.

In 1970 werd bekend gemaakt dat een aantal onderzoekers met succes de tekst van een codex die aangekocht was door de Universiteit van Keulen had weten te reconstrueren en vertalen. De Keulse Mani- Codex dateert van eind vierde of begin vijfde eeuw en bevat Griekse vertalingen van oorspronkelijk Syrische teksten. De tekst is een bloemlezing met citaten uit het werk van enkele vroege discipelen van Mani die door een eindredacteur in relatie worden gebracht met een aantal autobiografische verklaringen van Mani. De teksten geven inzicht in de jeugd van Mani, het milieu van joods-christelijke baptistische groeperingen waarin hij opgroeide en zijn eerste missiereizen

Koptische teksten[bewerken]

In 1928 werden zeven codices gevonden nabij Medinet Madi in de Egyptische regio El-Fajoem. In de jaren daarna werden die aangekocht door de Amerikaanse verzamelaar Chester Beatty. De verzameling viel daarna weer uiteen. Twee codices en een deel van twee andere bevinden zich in Dublin. De andere delen van de laatste twee codices bevinden zich met drie andere volledige codices in Berlijn. Delen van de overige codices bevinden zich in Wenen en Warschau. De teksten omvatten een boek van Psalmen, een boek met homiletisch materiaal dat een exegese geeft van het verloren Het Levende (of: Grote) Evangelie van Mani, een boek met homilieën, een boek over Handelingen en twee boeken over de Kephalaia (Principes ).

In 1990 werd bij Kellis in de Dakhlaoase een aantal teksten gevonden. Daaronder zijn Syrisch-Griekse woordenlijsten, manichese liturgische teksten, psalmen en een groot aantal persoonlijke brieven die inzicht geven in de levensstijl van manicheeërs uit de vierde eeuw in dit gebied. [3] [4].

Onderzoek en invloeden[bewerken]

In Europa werd manicheïsme gedurende de middeleeuwen gezien als een vorm van christelijke ketterij. Personen die meningen uitten, die afweken van de leer van het Rooms-Katholicisme werden betiteld als manicheeër, ook als die opinies niets met manicheïsme te maken hadden. Nog in de zestiende eeuw kregen in de periode van de reformatie protestanten zoals Maarten Luther van onder meer Erasmus het etiket manicheeër.

Onderzoek[bewerken]

Het gevolg was dat juist in protestantse kringen het manicheïsme voor het eerst onderwerp werd van studies. Tot begin twintigste eeuw waren het vrijwel uitsluitend protestantse theologen die over het manicheïsme publiceerden. In 1578 publiceerde Cyriacus Spangenberg het Historia Manichaeorum . In 1700 verscheen het Unparteyische Kirchen- und Ketzer-Historie van Gottfried Arnold. Een deel van het boek bestond uit beschrijvingen van de 'martelingen en andere wreedheden' waarvan manicheeërs het slachtoffer waren geworden als gevolg van optreden van de katholieke kerk.

Voorblad van de eerste uitgave van Histoire critique de Manichée et du Manichéisme

De eerste wetenschappelijke studie was van Isaac de Beausobre en verscheen in 1734 in Amsterdam als Histoire critique de Manichée et du Manichéisme. De Beausobre was een hugenoot en ook hij had het motief de protestantse zaak te verdedigen. Hij vergeleek de reformatie en de breuk met de katholieke kerk met het verzet van de manichese beweging tegen een orthodox christendom. De Beausobre was echter ook de eerste auteur die de toen beschikbare bronnen op kritische en systematische wijze onderzocht. Hij wist aan te tonen, dat het grootste deel wat over manicheisme in de Acta Archelai gemeld werd, tot dan toe een van de belangrijkste bronnen, onmogelijk juist kon zijn. Hij was de eerste die joodse invloeden op het manicheïsme beschreef op basis van het door hem aangetoonde verband tussen Het Boek van de Reuzen en het Eerste boek van Henoch. Alle daarna volgende serieuze studies namen zijn werk als basis.

In 1831 publiceerde Ferdinand Christian Baur Das manichäische Religionssystem nach den Quellen neu untersucht und entwickelt. Baur was de eerste die expliciet stelling nam tegen het beschouwen van het manicheïsme als een christelijke ketterij en beschreef dit als een zelfstandige religie met een eigen ontstaansgeschiedenis. Hij was zich bewust van de meerdere invloeden die het manicheïsme ook verwerkt heeft. Hij kwam tot de conclusie dat de belangrijkste wortels van het manicheïsme in het Perzische zoroastrisme lagen. Baur was de eerste die op basis van onderzoek van bronnen over onder meer Simon Magus een relatie legde met de gnostiek.

Invloeden[bewerken]

De opinie van Baur over de relatie met het zoroastrisme bleef lang de overheersende opvatting. Men zag het manicheïsme vooral als deel van de religieuze geschiedenis van Perzië. Die opvatting leek voor een belangrijk deel ook te worden bevestigd door de vondsten in Centraal-Azië in begin twintigste eeuw.

De ontdekking van Koptische teksten in 1928 heeft tot een gewijzigd standpunt geleid. De wortels van het manicheïsme liggen in de eerste plaats in een gnostisch type christendom en de christelijke gnosis. Het manicheïsme was een van de meerdere gnostische stromingen binnen de grote veelvormigheid die het christendom in de eerste eeuwen na Christus kenmerkte. Dat standpunt werd overtuigend bevestigd door de ontdekking van de Keulse Mani-codex in 1969.

Veel elementen in de leer van Mani kunnen nu geïnterpreteerd worden vanuit het milieu van joods-christelijke baptistische groeperingen waarin hij opgroeide. Dat sluit niet uit, dat andere elementen, zoals zijn indeling van de wereldgeschiedenis in drie perioden ontleend kunnen zijn aan Iraanse religieuze noties, zoals het zoroastrisme. Een aantal auteurs op het vakgebied hanteert de aanname, dat de opvatting van Mani dat ook mensen kunnen reïncarneren ontleend zou kunnen zijn aan het boeddhisme. Er is consensus op het vakgebied over de invloed van Marcion en dat de kosmologie van Mani sterk beïnvloed moet zijn geweest door de leer van Bardaisan.

Kosmologie en gnosis in het manicheïsme[bewerken]

De manichese mythe is zeer gecompliceerd en geen enkele beknopte samenvatting kan volledig recht doen aan de complexiteit daarvan. Gedurende de verspreiding van het manicheïsme over de cultuurgebieden is de essentie echter steeds dezelfde gebleven. De mythe wordt onderverdeeld in drie kosmische perioden. De mensheid leeft nu in de tweede periode en daarin vindt de strijd tussen licht en duisternis plaats.

De eerste periode[bewerken]

De meeste gnostische systemen kennen een vorm van monisme. In die systemen ligt de oorsprong van het kwaad in de goddelijke wereld zelf. Het is het gevolg van een breuk in en een val van een goddelijke kracht uit die wereld. Het manicheïsme heeft net als het mandeïsme een dualistische opvatting daarover. Het kwaad was reeds voor de schepping van de kosmos aanwezig. In die eerste of oertijd bestaan in eeuwigheid twee van elkaar onafhankelijke en ongeschapen principes: het goede en het kwade.

Er is een rijk van het Licht en het Goede waar God de Vader heerst en een rijk van de Duisternis. Het agressieve rijk van de Duisternis wenst het Licht te verslinden en onderneemt een invasie op het rijk van het Goede. Het Lichtrijk is niet ingericht op deze aanval en God de Vader moet een aantal emanaties creëren die in staat zijn de strijd aan te gaan. Met hulp van de Moeder van het Leven creëert hij de Oermens (Adam Qadmaya), ook wel Eerste Mens. Een aantal auteurs op het vakgebied interpreteren de Oermens als een eerste verschijning in de mythe van een pre-existente Christus. De Oermens werd in de strijd verslagen door de machten van het rijk van de Duisternis en gevangen genomen. Hij wordt uiteindelijk gered door Lichtwezens en kan terugkeren naar het rijk van het Goede. Zijn ziel (parthenos, anima) en daarmee een deel van het Licht bleef echter achter en werd door de duisternis verslonden.

De tweede periode[bewerken]

Hierin is sprake van een voortdurende strijd tussen licht- en duisternis-emanaties. Een deel van het licht wordt uit de duisternis bevrijd door steeds reïncarnerende Jezus-gestaltes. De duisternis slaagt er echter in een deel van het licht gevangen te houden. De heerser van het Licht wist de heerser van de Duisternis te verleiden een kosmos te creëren, die samengesteld werd uit zowel licht als duisternis, de ziel van de Oermens en de donkere ongeordende materie. Op die wijze zouden dan de lichtdeeltjes van de gevangen ziel van de Oermens geleidelijk terug kunnen worden geleid naar hun plaats van oorsprong.

De heerser van het Licht brengt een aantal andere emanaties voort. Een daarvan is de Levende Geest. Deze creëert de kosmos uit een mengsel van licht en duisternis. De zon en de maan bestaan geheel uit zuivere lichtdeeltjes. De planeten en de sterren zijn echter gemaakt uit materiaal dat vervuild is met delen van de duisternis. Deze schepping is het resultaat van een goddelijke gestalte uit het rijk van het Licht en niet zoals in andere gnostische systemen van een kwaadaardige demiurg.

Om het proces van verlossing verder op gang te brengen wordt een nieuwe serie emanaties gecreëerd als de Derde Gezant (Tertius Legatus, ) met zijn Lichtjonkvrouw. Hij wil dat de boze machten het licht loslaten, dat ze verslonden hebben.

Het volgende deel van de schepping is het resultaat van seksuele begeerten van zowel mannelijke als vrouwelijke archonten. Het licht dat ook zij verslonden hebben is geconcentreerd in hun sperma en baarmoeders. Uit het sperma van de mannelijke archonten dat op aarde valt ontstaan de bomen en de planten. De vrouwelijke archonten, zwanger door hun eigen kwade natuur, laten hun foetussen op aarde vallen. Die verslinden de vruchten van de bomen die ontstaan zijn uit het sperma van de mannelijke archonten. Uit de paring van de foetussen komen de dieren voort. Al het Licht dat nog niet gered is wordt op die wijze samengebracht op aarde waar het geconcentreerd wordt in planten en voor een kleiner deel in dieren.

De Derde Gezant versnelt het proces van de bevrijding van de lichtdelen door middel van de schepen van het Licht (de maan en de zon) die deze overbrengen naar een Nieuw Paradijs. Dit proces heeft angst bij de archonten tot gevolg. Zij trachten een deel van de lichtdeeltjes op aarde te behouden door het creëren van de eerste mensen. Een mens is in de visie van Mani een microkosmos als afbeelding van de macrokosmos. Hij bestaat uit een ziel en een lichaam die weer een mengsel zijn van het goede en het kwade. De ziel bevat een goddelijke vonk, een lichtdeel van de Oermens.

Adam en Eva hadden echter geen besef van hun goddelijke oorsprong, omdat zij de gnosis daarvan nog niet verworven hadden. Die gnosis wordt hen geopenbaard door Jezus Zonneglans die daartoe naar de aarde afdaalt. Deze openbaring is in het manicheïsme het basismodel voor alle latere openbaringen. Om de verlossing van de lichtdeeltjes verder mogelijk te maken brengt Jezus Zonneglans Nous voort en deze zendt de Apostel van het Licht uit, die gereïncarneerd zal worden in de grote religieuze leiders zoals Gautama Boeddha, Zarathustra en Jezus de Messias. Mani sluit deze rij dan af.

De derde periode[bewerken]

In deze periode die in de toekomst ligt zal er een enorme strijd ontstaan tussen de krachten van het goed en het kwaad. Iedere ziel zal beoordeeld worden en degenen die daartoe gekozen worden zullen opstijgen naar de hemel en het Nieuwe Paradijs. Daarna zal de stoffelijke wereld vernietigd en gereinigd worden worden door een vuur dat 1468 jaar zal duren. Vrijwel alle lichtdeeltjes zullen bevrijd worden. De kwade materie en zijn verdoemde slachtoffers worden opgesloten in een bol in een put van enorme omvang die afgedekt wordt met een reusachtige steen. Op die wijze zal de definitieve scheiding tussen licht en duisternis tot in de eeuwigheid gerealiseerd zijn.

De manichese kerk[bewerken]

De manichese kerk was sterk hiërarchisch georganiseerd. Het hoofd van de kerk werd na het overlijden van Mani archègos genoemd. Tot begin tiende eeuw had deze zijn zetel in Babylon en daarna in Samarkand in het huidige Oezbekistan. De wereldwijde eenheid van de kerk komt tot uitdrukking in het feit dat in de achtste eeuw een Noord-Afrikaan nog het hoofd was.

Na de archègos waren er een aantal rangen. De eerste was die van de twaalf apostelen of leraren. De tweede was die van tweeënzeventig bisschoppen en de derde waren driehonderdzestig presbyters (in deze context heeft dit meer de betekenis van ouderling dan van priester). Daarna volgden de electi, de uitverkorenen. Dat waren de heiligen, uiterlijk herkenbaar aan hun witte kleding. Zij waren de schrijvers van de boeken en geschriften, de schilders van de miniaturen en de musici bij kerkdiensten. De grote massa van de gelovigen behoorden tot de laagste rang en werden de auditores, de toehoorders, genoemd. In het Aramese christendom meer in het algemeen werd de term toehoorder gebruikt voor de gelovigen die pas na uitvoerig onderricht als volwaardig lid van de kerkgemeenschap werden erkend.

Het aantal van twaalf apostelen is ongetwijfeld ontleend aan de twaalf apostelen van Jezus. Het getal tweeënzeventig houdt verband met geschriften als het diatessaron van Tatianus dat bij de manicheeërs bekend was en waarin gemeld wordt dat Jezus tweeënzeventig discipelen uitzond. Mani had het diatessaron als evangelietekst gebruikt. Het getal driehonderdzestig is afgeleid uit de astrologie.

Ethiek[bewerken]

Bevrijding van het Licht betekent voor manicheïsten dat de gevangenschap ervan moet worden beëindigd. Een hoofdrol in die bevrijding spelen de Electi, de uitverkorenen. Zij vermijden alles wat schade kan toebrengen aan het gevangen Licht door een strenge ascese, het oefenen van seksuele onthouding en het vermijden van arbeid, zoals het snijden van groente en plukken van fruit. Voor de verzorging van de electi zijn de auditores, de toehoorders, verantwoordelijk. De electi hielden zich vooral bezig met verkondiging, pastorale zorg, astrologie, missionering en waarzeggerij. De verdeling in twee soorten gelovigen vormde de basis voor een strak hiërarchisch georganiseerde manicheïstische "kerk".

Het manicheïsme kent onder meer het begrip van reïncarnatie, hoewel deze reïncarnatie soms uitsluitend voorbehouden lijkt aan de persoon van Jezus. In de meeste onderzoeken naar het manicheïsme wordt reïncarnatie echter ook beschouwd als een noodzaak om van toehoorder op te klimmen naar uitverkorene.

Verspreiding[bewerken]

Aanvankelijk kende deze gemeenschap een grote bloei, tot ver buiten de grenzen van het Perzische rijk, mede door de inzet van de toenmalige Perzische heerser Sjapoer I. Na de dood van deze laatste gooide diens opvolger Bahram I het roer om. Op instigatie van de zoroastrische priesters, die zich als vertegenwoordigers van de inheemse religie beschouwden, nam Bahram I Mani gevangen. Mani stierf uiteindelijk rond 276 de marteldood in de kerker. De aanhangers van Mani werden sindsdien vervolgd en de oorspronkelijke inheemse godsdienst werd opnieuw ingevoerd als staatsgodsdienst.

Omdat de vervolging door de Perzen tot aan het begin van de Arabische overheersing zou aanhouden, was het gevolg dat de manicheïsten uitweken naar andere streken. Op deze manier kwamen hun aanhangers in de 3e en 4e eeuw terecht in Egypte, in Syrië en in het Romeinse Rijk: in Noord-Afrika, Spanje, zelfs tot in Rome. In het westen stierf het manicheïsme in de 6e eeuw uit, maar restanten van hun denkbeelden bleven bewaard onder de Bogomielen. Aan het begin van de 8e eeuw ontstond in China een manicheïstische kerk en tussen 762 en 840 was het staatsgodsdienst in het Oeigoerenrijk, waar het pas definitief in de 13e eeuw zou verdwijnen.

Concurrent van het christendom[bewerken]

Het manicheïsme is niet ontstaan uit het christendom, maar wel in een vergelijkbare historische en geografische context. Het werd pas een concurrent van het christendom nadat het christendom staatsgodsdienst was geworden. In de 4e eeuw bood het manicheïsme de gegoede burgerij van Rome de mogelijkheid om de keizerlijke anti-heidendomwetgeving te omzeilen en de godsdienst van Mani als "christendom van een hogere orde" te omhelzen. Het argument daarvoor waren de twee rangordes van gelovigen, de electi en auditores. Waar de eersten ascese moesten oefenen, mochten de laatsten hun wereldlijke levensstijl handhaven.

Bestrijding[bewerken]

Tot in de Middeleeuwen werden dualistische ideeën vaak ongenuanceerd als manicheïsme afgedaan. Zo had rond 1150 de kerk de indruk dat de Katharen, of Albigenzen, manicheïstische ideeën predikten, hoewel rechtstreekse invloed op het dualisme van de katharen alleen werd uitgeoefend door de opvattingen van de Bogomielen.

Invloed[bewerken]

Augustinus van Hippo was negen jaar toehoorder bij het manicheïsme, aan de ascese deed hij niet mee omdat hij geen van de electi was. Uiteindelijk werd hij een van de fanatiekste bestrijders van het manicheïsme. Zijn protologie is in uiteenzetting met het manicheïstische materialisme ontstaan.

Waarschijnlijk heeft het manicheïsme en de door deze religie gepropageerde vijandigheid jegens al het lichamelijke invloed uitgeoefend op het ontstaan van het oosters monachisme.