Maria van Artesië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Maria van Artesië
ca. 1291-22 januari 1366
Zegel van Maria van Artesië (23 oktober 1331) met heraldisch rechts het wapen van Namen (Arms of Namur.svg) en heraldisch links het wapen van Artesië (Arms of Robert dArtois.svg) en het omschrift: "S’ : MARIE : DE : ATTREBAT/O : COITISSE : NAMCEN".
Vader Filips van Artesië (1269-1298)
Moeder Blanche van Bretagne
Dynastie Huis Capet
Partner Jan I van Namen
Kinderen Jan
Gwijde
Hendrik
Blanca
Filips
Maria
Marguerite
Willem
Robert
Lodewijk
Elisabeth

Maria van Artesië (1291[1] - Wijnendale, 22 januari 1366[2]) was de dochter van Filips van Artesië (1269-1298) en Blanche van Bretagne.[3]

Leven[bewerken | brontekst bewerken]

Zij trouwde in 1310 met markgraaf Jan I van Namen, die zijn toekomstige echtgenote als weduwengoed het kasteel van Wijnendale, alsook gronden in Wijnendale, Torhout, Langemark, Roeselare en enkele andere plaatsen in Vlaanderen schonk.[4] Dit kwam neer op een jaarlijkse opbrengst van 8000 livres rente.[5]

Toen Jan in 1311 met de Rooms-Duitse keizer Hendrik VII, een neef van Jan langs moederszijde, naar Italië was vertrokken, brak er in 1313 onder Maria een opstand in Namen uit, dat door sommige geschiedschrijvers werd toegeschreven aan haar harde belastingpolitiek in het graafschap.[6] Zij en haar drie kinderen zaten opgesloten in het kasteel van Namen en vreesden voor hun leven. Na wat zoeken voor militaire hulp, kon Jan tenslotte Arnold V van Loon, een neef van Jan langs vaderszijde, ertoe bewegen de opstand in Namen neer te slaan.[6]

Jan stierf op 31 januari 1330 en liet Maria als weduwe met kinderen achter. Filips VI van Frankrijk zou in een oorkonde van 17 februari 1330 verklaren dat Maria vrijwillig afstand had gedaan van al haar aanspraken op haar erfenis ten voordele van haar zoon Jan II van Namen, de nieuwe markgraaf van Namen, en ook aan hem de voogdij over haar nog minderjarige kinderen aan hem overdroeg, maar dat deze had gezegd dat zijn moeder zolang ze wou kon genieten van haar weduwegoed.[7] Toen zijn moeder zich echter, blijkbaar op vraag van Filips IV, ging inmengen in zaken in Sluis (14 november 1330), zou de verhouding tussen moeder en zoon steeds meer verslechteren.[8]

Nadat haar zonen Jan (1330-1335), Gwijde (1335-1336) en Filips (1336-1337) kort achtereen waren opgevolgd en gestorven, kwam in 1337 het markgraafschap nu toen aan haar vijftienjarige zoon Willem. Daarom nam Maria het regentschap op zich.[9] Ze had in 1336, in haar hoedanigheid van vrouwe van Sluis, de Zeven Triniteitspolder in Vlissingen laten bedijken.[10] Op 19 september van dat jaar vroeg ze ook aan de bisschop van Utrecht, Jan van Diest, toestemming om op het eiland Lescoer de la Nuese bij Axel, dat nog maar pas door haar was ingedijkt, een kerk te mogen stichten, hetgeen pas op 8 november 1339 werd ingewilligd.[11] Op 23 december 1339 verleende Maria aan de stad Terneuzen (Nose) de bevestiging van de privileges, die het onder Robrecht van Béthune had bezeten.[12] Uit een oorkonde van 10 maart 1340 blijkt dat Maria het patronaatsrecht van de Triniteitskerk bij Nose in haar bezit had.[11]

Maria kocht in 1342 het kasteel Poilvache en de bijbehorende heerlijkheid van Jan de Blinde, graaf van Luxemburg[13] en schonk het in 1353 aan haar op een na jongste zoon Willem. Ze kocht op 2 oktober 1344 van deze tevens voor 25000 royaux de dorpen Lomprez, Villance, Vireux, Graide, Maissin, Havenne, Focant, Martouzin-Neuville, Nassogne, Seny en Terwagne.[14]

Zij was de moeder van:[15]

Voorouders[bewerken | brontekst bewerken]

Voorouders van Maria van Artesië (1291-1366)
Overgrootouders Robert I van Artesië (1216-1250)
∞ 1200
Machteld van Brabant (1224-1288)
Peter of Courtenay (1218-1250)

Pétronille of Joigny (-1289)
Jan I van Bretagne (1217-1286)

Blanche van Navarra (1226-1283)
Hendrik III van Engeland (1207-1272)
∞ 1236
Eleonora van Provence (1223-1291)
Grootouders Robert II van Artesië (1250-1302)
∞ 1200
Amicie van Courtenay (1250-1275)
Jan II van Bretagne (1239-1305)

Beatrix van Engeland (1242–1275)
Ouders Filips van Artesië (1269-1298)

Blanche van Bretagne (1250-1275)

Noten[bewerken | brontekst bewerken]

  1. Voor 1292. Zie: E. Bernays, Marie d’Artois, comtesse de Namur, dame de l’Écluse et de Poilvache, in Annales de la Société archéologique de Namur 37 (1925), p. 2.
  2. E. Bernays, Marie d’Artois, comtesse de Namur, dame de l’Écluse et de Poilvache, in Annales de la Société archéologique de Namur 37 (1925), p. 82.
  3. E. Bernays, Marie d’Artois, comtesse de Namur, dame de l’Écluse et de Poilvache, in Annales de la Société archéologique de Namur 37 (1925), p. 2.
  4. E. Bernays, Marie d’Artois, comtesse de Namur, dame de l’Écluse et de Poilvache, in Annales de la Société archéologique de Namur 37 (1925), pp. 20-21.
  5. H.Q. Janssen - J.H. van Dale, De stichting der Triniteitskerk bij Neuzen, in H.Q. Janssen - J.H. van Dale (edd.), Bijdragen tot de oudheidkunde en geschiedenis, inzonderheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, II, Middelburg, 1857, p. 89.
  6. a b J. Borgnet, Histoire du Comté de Namur, Brussel, 1847, pp. 119-120.
  7. C. Piot, art. Jean II, comte de Namur, in Biographie Nationale 10 (1889), coll. 307-308. Vgl. E. Bernays, Marie d’Artois, comtesse de Namur, dame de l’Écluse et de Poilvache, in Annales de la Société archéologique de Namur 37 (1925), pp. 27-28.
  8. E. Bernays, Marie d’Artois, comtesse de Namur, dame de l’Écluse et de Poilvache, in Annales de la Société archéologique de Namur 37 (1925), pp. 28-29.
  9. E. Bernays, Marie d’Artois, comtesse de Namur, dame de l’Écluse et de Poilvache, in Annales de la Société archéologique de Namur 37 (1925), p. 56.
  10. M.H. Wilderom, Tussen Afsluitdammen en Deltadijken, IV: Zeeuwsch Vlaanderen, Vlissingen, 1973, p. 172.
  11. a b H.J. Kok, Het onderzoek van de patrocinia in Nederland en de plaatsnaamkunde, in Naamkunde (1973), p. 361.
  12. H.Q. Janssen - J.H. van Dale, De stichting der Triniteitskerk bij Neuzen, in H.Q. Janssen - J.H. van Dale (edd.), Bijdragen tot de oudheidkunde en geschiedenis, inzonderheid van Zeeuwsch-Vlaanderen, II, Middelburg, 1857, p. 90.
  13. E. Bernays, Marie d’Artois, comtesse de Namur, dame de l’Écluse et de Poilvache, in Annales de la Société archéologique de Namur 37 (1925), p. 62.
  14. E. Bernays, Marie d’Artois, comtesse de Namur, dame de l’Écluse et de Poilvache, in Annales de la Société archéologique de Namur 37 (1925), p. 65.
  15. E. Bernays, Marie d’Artois, comtesse de Namur, dame de l’Écluse et de Poilvache, in Annales de la Société archéologique de Namur 37 (1925), pp. 22-23.

Referenties[bewerken | brontekst bewerken]

  • Dit artikel of een eerdere versie ervan is een (gedeeltelijke) vertaling van het artikel Marie d'Artois op de Franstalige Wikipedia, dat onder de licentie Creative Commons Naamsvermelding/Gelijk delen valt. Zie de bewerkingsgeschiedenis aldaar.
  • E. Bernays, Marie d’Artois, comtesse de Namur, dame de l’Écluse et de Poilvache, in Annales de la Société archéologique de Namur 37 (1925), pp. 1-82.
  • C. Piot, art. Jean I, comte de Namur, in Biographie Nationale 10 (1889), coll. 304-307.
  • C. Piot, art. Jean II, comte de Namur, in Biographie Nationale 10 (1889), coll. 307-309.