Maria van Champagne

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Maria van Champagne (ca. 1174 - Akko, 29 augustus 1204[1]) was de eerste Latijnse keizerin-gemalin van Constantinopel door haar huwelijk met keizer Boudewijn I. Zij trad tijdens de afwezigheid van haar echtgenoot van 1202 tot 1204 op als regent van Vlaanderen.

Leven[bewerken]

Maria was een dochter van graaf Hendrik I van Champagne, en Maria,[2] dochter van koning Lodewijk VII van Frankrijk.[3]

Volgens de kroniek van Giselbert van Bergen werd Maria op 13 mei 1179 officieel verloofd met Boudewijn, zoon van de graaf van Vlaanderen en Henegouwen, aan wie ze al in 1171 was beloofd om mee te zullen trouwen.[4] Haar verloofde was Boudewijn VI, zoon van graaf Boudewijn V van Henegouwen en gravin Margaretha I van Vlaanderen.

Gravin-gemalin van Vlaanderen[bewerken]

Op 6 januari 1186 traden Maria en Boudewijn te Valenciennes in het huwelijk.[5]

De jonge gravin-gemalin reikte in haar eigen naam oorkondes uit en leek een zwakke plek te hebben gehad voor de steden in Vlaanderen.[6] In 1200 stelden zij en haar echtgenoot ook de abdijen van Ninove en Bohéries vrij van elke tol op hun grondgebied.

In 1200 namen zij en haar echtgenoot in Brugge het kruis op.[7] Op 14 april 1202 verliet haar echtgenoot Vlaanderen om aan de Vierde Kruistocht deel te nemen.[8] Tijdens de afwezigheid van haar man trad Maria op als regent voor Vlaanderen.[6]

Maria zelf verliet Vlaanderen om zich bij haar man in Outremer te voegen. Volgens Godfried van Villehardouin en andere auteurs kon ze hem niet eerder op kruistocht vervoegen omdat ze op het moment van zijn vertrek zwanger was. Na de geboorte van het kind, Margaretha, en voldoende te zijn hersteld, trok ze erop uit om zich bij hem te voegen.[9]

Ze zeilde uit vanuit de haven van Marseille en landde in Akko.[10] Daar ontving ze de hommage van Bohemund IV van Antiochië.[11]

Latijnse keizerin-gemalin van Constantinopel[bewerken]

De Kruistocht van haar man was afgeweken richting Constantinopel, hoofdstad van het Byzantijnse Rijk, waar de kruisvaarders de stad veroverden en plunderden. Daarop besloten ze om een Latijns Keizerrijk op te richten om de plaats in te nemen van het gevallen Grieks-Byzantijnse Rijk. Op 9 mei 1204 werd Boudewijn tot eerste Latijnse keizer van Constantinopel verkozen, waardoor Maria keizerin-gemalin werd. Het was pas toen ze in Akko aankwam dat haar het nieuws bereikte van de val van Constantinopel en de uitroeping van Boudewijn tot nieuwe keizer. Ze wilde naar Constantinopel afvaren, maar werd ziek en overleed in het Heilige Land.

Het nieuws van haar overlijden bereikte Constantinopel via versterkingen van Kruisvaarders uit Syrië. Boudewijn werd gezegd erg aangedaan te zijn door de dood van zijn vrouw. Villehardouin vermeldt dat Maria "een gracieuze en deugdzame dame was en in hoge eer werd gehouden".

Kinderen[bewerken]

Het koppel had twee ons bekende kinderen:

Noten[bewerken]

  1. Alberik van Trois-Fontaines, Chronica s.a. 1204 (= L. Weiland (ed.), Monumenta Germaniae Historica, Scriptores XXIII, Hannover, 1874, p. 884), Radulph van Coggeshall, Chronicon Anglicanum s.a. 1204 (= Monumenta Germaniae Historica, Scriptores XXVII, Hannover, 1885, p. 354), Renier van St Laurent, Annales s.a. 1204 (= G.H. Pertz (ed.), Monumenta Germaniae Historica, Scriptores XVI, Hannover, 1858, p. 658), Sigebert van Gembloux, Continuatio Bergensis s.a. 1203 (= G.H. Pertz (ed.), Monumenta Germaniae Historica, Scriptores VI, Hannover, 1844, p. 438), Flandria generosa (Continuatio Claromariscensis) 12 (= L.C. Bethmann (ed.), Monumenta Germania Historica, Scriptores IX, Hannover, 1861, p. 330), Liber Obituum Ecclesie Beati Petri Insulensis (= É. Hautcœur (ed.), Documents liturgiques et nécrologiques de l'église collégiale de Saint-Pierre de Lille, Lille - Parijs, 1895, p. 177), Necrologium Ecclesiæ Collegiatæ Beati Petri Insulensis (= É. Hautcœur (ed.), Documents liturgiques et nécrologiques de l'église collégiale de Saint-Pierre de Lille, Lille - Parijs, 1895, p. 313). Philippe Mouskes, Chronique rimée vv. 20375-20380 (= F.A.F.T. de Reiffenberg (ed.), Chronique rimée de Philippe Mouskes, II, Brussel, 1838, p. 305).
  2. Alberik van Trois-Fontaines, Chronica s.a. 1198 (= L. Weiland (ed.), Monumenta Germaniae Historica, Scriptores XXIII, Hannover, 1874, p. 876).
  3. J.F. Benton, The Court of Champagne as a Literary Center, in Speculum 36 (1961), p. 551.
  4. Giselbert van Bergen, Chronicon Hanoniense 89 (= W. Arndt (ed.), Monumenta Germaniae Historica, Scriptores XXIX, Hannover, 1869, pp. 97, 117; L. Napran (introd. trad. annot.), Gilbert of Mons, Chronicle of Hainaut, Woodbridge, 2005, pp. 60, 72).
  5. Giselbert van Bergen, Chronicon Hanoniense (= W. Arndt (ed.), Monumenta Germaniae Historica, Scriptores XXIX, Hannover, 1869, pp. 171-172). K.S. Nicholas, Countesses as Rulers in Flanders, in T. Evergates (ed.), Aristocratic Women in Medieval France, Philadelphia, 1999, pp. 127-128.
  6. a b K.S. Nicholas, Countesses as Rulers in Flanders, in T. Evergates (ed.), Aristocratic Women in Medieval France, Philadelphia, 1999, p. 128.
  7. Flandria generosa (Continuatio Gislenensis) s.a. 1200 (= L.C. Bethmann (ed.), Monumenta Germania Historica, Scriptores IX, Hannover, 1861, p. 326).
  8. Godfried van Villehardouin, De la Conquête de Constantinople VI (= P. Paris (ed.), La Conquête de Constantinople, Parijs, 1838, pp. 3-4; F.T. Marzials (trad.), Memoirs or Chronicle of The Fourth Crusade and The Conquest of Constantinople, Londen, 1908).
  9. Godfried van Villehardouin, De la Conquête de Constantinople CXXX (= P. Paris (ed.), La Conquête de Constantinople, Parijs, 1838, pp. 104-105; F.T. Marzials (trad.), Memoirs or Chronicle of The Fourth Crusade and The Conquest of Constantinople, Londen, 1908)
  10. Godfried van Villehardouin, De la Conquête de Constantinople CXXX (= P. Paris (ed.), La Conquête de Constantinople, Parijs, 1838, pp. 104-105; F.T. Marzials (trad.), Memoirs or Chronicle of The Fourth Crusade and The Conquest of Constantinople, Londen, 1908). Vgl. Alberik van Trois-Fontaines, Chronica s.a. 1204 (= L. Weiland (ed.), Monumenta Germaniae Historica, Scriptores XXIII, Hannover, 1874, p. 884), Flandria generosa (Continuatio Claromariscensis) 12 (= L.C. Bethmann (ed.), Monumenta Germania Historica, Scriptores IX, Hannover, 1861, p. 330), Boudewijn van Avesnes, Chronicon Hanoniense quod dicitur Balduini Avennensis (= J. Heller (ed.), Monumenta Germaniae Historica, Scriptores XXV, Hannover, 1880, p. 448-449).
  11. Alberik van Trois-Fontaines, Chronica s.a. 1204 (= L. Weiland (ed.), Monumenta Germaniae Historica, Scriptores XXIII, Hannover, 1874, p. 884). S. Runciman, A History of the Crusades, III, Cambridge - New York - e.a., 1954, p. 115.

Historische bronnen[bewerken]

Referenties[bewerken]

Externe links[bewerken]