Martinus Nijhoff

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Martinus Nijhoff
Nijhoff in 1913
Nijhoff in 1913
Algemene informatie
Geboren 20 april 1894, Den Haag
Overleden 26 januari 1953, Den Haag
Land Nederland
Beroep schrijver, dichter, vertaler, criticus, essayist
Werk
Jaren actief 1916-1953
Genre poëzie, toneel, kritieken
Stroming expressionisme
Bekende werken Awater, Het Uur U
Onderscheidingen Constantijn Huygens Prijs 1953
Dbnl-profiel
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Martinus Nijhoff (Den Haag, 20 april 1894 – aldaar, 26 januari 1953) was een Nederlandse dichter, toneelschrijver, vertaler en essayist.

Biografie[bewerken]

Nijhoff werd in 1894 in Den Haag geboren als zoon van de uitgever Wouter Nijhoff en Johanna Alida Seijn. Zijn grootvader Martinus Nijhoff was de stichter van de Haagse uitgeverij Nijhoff en een van de oprichters van het liberale dagblad Het Vaderland. Hij bezocht vanaf zijn twaalfde het Gymnasium Haganum aan de Laan van Meerdervoort, waar hij bevriend raakte met Victor van Vriesland, met wie hij Franse en Engelse literatuur las.[1]

Nijhoff studeerde rechten in Amsterdam, later ook letteren aan de Universiteit Utrecht. In 1914 en 1915 was hij redacteur van het studentenblad Propria Cures. Van 1926 tot na de Tweede Wereldoorlog maakte hij enkele malen deel uit van de redactie van De Gids. Ook werkte hij lange tijd als criticus bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant en korte tijd bij de familie-uitgeverij.

Hij is twee keer getrouwd geweest, formeel tot 1950 met de schrijfster Netty Wind, die publiceerde onder de naam A.H. Nijhoff, en daarna slechts kort, door zijn vroege overlijden, met de actrice Georgette Hagedoorn. Daartussen had hij van ca. 1933 tot 1947 een lange relatie met de Utrechtse classica Josine van Dam van Isselt, die van groot belang was voor zijn vertaalactiviteiten.

Zijn debuut als dichter vond plaats in 1916, toen de bundel De wandelaar verscheen. In 1924 publiceerde hij Vormen. In romantische verzen uitte hij zijn gevoelens van angst, eenzaamheid en het verlangen naar ongerept kind zijn. Hij deed dat gewoonlijk in toegankelijk Nederlands. Nijhoff publiceerde ook in het tijdschrift Het Getij.

In de verhalende gedichten Awater (uit Nieuwe Gedichten, 1934) en Het uur U (1936/37) weet hij op bijzondere wijze het mysterie achter alledaagse dingen en gebeurtenissen te beschrijven, in een stijl die steeds meer neigt naar spreektaal.

Succes had Nijhoff ook met drie Bijbelse spelen, verzameld in Het heilige hout (1950). Daarnaast was hij een vermaard vertaler van gedichten en toneelstukken. In 1953 werd de Martinus Nijhoff Prijs ingesteld, die jaarlijks wordt toegekend voor vertaalwerk in en uit het Nederlands. In datzelfde jaar ontving hij postuum de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.

Met de magisch-realistische schilder Pyke Koch was Nijhoff tot ca. 1947 bevriend. Koch ontwierp voor Nijhoff enkele theaterdecors, terwijl Nijhoff gedichten schreef bij enkele schilderijen van Koch, zoals De Schiettent, ter gelegenheid van het huwelijk van de schilder.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Tijdens het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was Nijhoff reserveofficier. Als commandant van het 5e eskadron Huzaren-wielrijders vertraagde hij de Duitse opmars tussen Oosterbeek en Wageningen. Hierbij liep hij een verwonding aan zijn voet op. Kort na de capitulatie van Nederland verhuisde Nijhoff naar Den Haag, waar hij ging wonen in de Kleine Kazernestraat, een zijstraat van het Lange Voorhout. Hij werd actief in het culturele verzet en werkte onder andere mee aan het illegale blad Vrij Nederland en de eveneens illegale uitgeverij De blauwe schuit, waarvoor hij gedichten aanleverde. Nadat hij weigerde om de anti-Duitse Nico Donkersloot op te volgen als hoogleraar in de algemene en vergelijkende literatuurwetenschap, zag hij zich genoodzaakt om onder te duiken. In 1943 was Nijhoff betrokken bij de organisatie van de Aanslag op het Amsterdams bevolkingsregister. Hij adviseerde daarbij over de plaatsing van explosieven, aan de hand van aan hem voorgelegde plattegronden van het gebouw. Met het daarbij te gebruiken explosief Trotyl had hij ervaring opgedaan tijdens de Eerste Wereldoorlog, als soldaat bij de Genie.[2][3][4] Tijdens de Hongerwinter van 1944 deelde Nijhoff vanuit zijn huis dagelijks eten uit aan kinderen, tot zijn eigen voorraden op waren.[1] Op 24 februari 1980 werd door Georgette Nijhoff-Hagedoorn in de Kleine Kazernestraat een plaquette onthuld ter nagedachtenis aan haar echtgenoot.[5][6][7]

Martinus Nijhoff ligt samen met Georgette Hagedoorn begraven in het familiegraf op de begraafplaats Westduin in Den Haag-Zuid. In april 2010 is het voorzien van een nieuwe grafsteen, aangezien het oude grafmonument - een engeltje op een zuiltje - al kort na de begrafenis was beschadigd.

Typering van Nijhoffs werk[bewerken]

Door de voorkeur van Nijhoff voor de sonnetvorm lijkt hij een traditionele dichter, maar toch is hij eerder modern. Hij staat voor een modern taalgevoel, een moderne poëtica en een modern levensgevoel. Hij streefde immers naar herwaardering van het 'gewone woord' in de poëzie. De moeder de vrouw (zie onder) is daarvan een goed voorbeeld: spreektaal in strakke sonnetvorm. Hiermee verzette hij zich radicaal tegen de "woordkunst" van de Tachtigers. Daarenboven plaatst hij de autonomie van het gedicht voorop. Voor Nijhoff staat het gedicht los van de dichter. Hiermee koos hij partij in de "vorm of vent"-discussies en kwam hij in botsing met de opvattingen van Forum-dichters als Menno ter Braak en E. du Perron. Daarnaast zag hij de taak van poëzie als het brengen van iets menselijks in een ontmenselijkte, nieuwe, technologische wereld. Naast motieven als de moeder, het kind, de soldaat, komen ook vaak christelijke motieven in zijn werk naar voren.

Prijzen[bewerken]

Bibliografie[bewerken]

Gedicht Het kind en ik op een muur in Leiden
  • 1916 · De wandelaar
  • 1919 · Pierrot aan de lantaarn
  • 1924 · Vormen
  • 1927 · De pen op papier
  • 1930 · Charles-Ferdinand Ramuz, De Geschiedenis van de Soldaat
  • 1930 · De vliegende Hollander
  • 1930 · Shakespeare, De Storm
  • 1931 · Gedachten op Dinsdag
  • 1934 · Nieuwe gedichten, waarin o.a. Awater
  • 1936 · In Holland staat een huis (samen met Anton van Duinkerken)
  • 1941 · De ster van Bethlehem
  • 1942 · Het uur U, gevolgd door Een idylle
  • 1950 · Het heilige hout
  • 1951 · De cocktailparty
  • 1951 · Euripides, Ifigeneia in Taurië

Over M. Nijhoff:

  • Niels Bokhove, Awaters spoor. Literaire omzwervingen in het Utrecht van Martinus Nijhoff. Amsterdam, 2010. ISBN 978-90-5937-213-9.
  • Huib van den Doel, Maar dat is tot daaraantoe. Benaderingen van gedichtenuitleg toegepast op Het Uur U van Martinus Nijhoff. Haarlem, St. Hoofd-Hart-Handen, 2002
  • Luc Wenseleers, Het wonderbaarlijk lichaam. Martinus Nijhoff en de moderne Westerse poëzie, Den Haag, 1966.
Martinus Nijhoffbrug over de Waal bij Zaltbommel

Vernoemingen[bewerken]

  • Martinus Nijhoffbrug: Het sonnet De moeder de vrouw, dat begint met de regel "Ik ging naar Bommel om de brug te zien", is wellicht zijn bekendste gedicht. Het roept het beeld op van een psalmzingende vrouw op een schip die bij de ik-figuur in het gedicht een verlangen oproept naar zijn moeder. De Waalbrug bij Zaltbommel uit 1933, die in het gedicht voorkomt, werd in 1996 vervangen door een nieuwe brug die Martinus Nijhoffbrug werd genoemd. Nijhoff bezocht regelmatig familie in Zaltbommel, maar dit gedicht schreef hij naar aanleiding van een anekdote van zijn huisgenoot Hans Philips.
  • Martinus Nijhoffweg: In de Haagse wijk Wateringse Veld is in een buurt, waar alle straten zijn vernoemd naar schrijvers uit de twintigste eeuw, sinds 2001 een weg vernoemd naar Matinus Nijhoff.[8]

Externe links[bewerken]