Meisenier

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het meisenierschap was een erfelijk juridisch statuut, typisch voor het westen van Brabant, de huidige provincie Vlaams-Brabant. Aan het statuut van de meisenier waren een aantal privileges verbonden, vergelijkbaar met die van de Sinte-Pietermannen uit Leuven en die verleend aan de poorters van een stad.

Voorrechten[bewerken]

Deze voorrechten van een meisenier omvattenː[1]

  • vrijstelling van tol over het hele Hertogdom Brabant,
  • vrijstelling van de dode hand, oftewel vrijstelling van successierechten bij het overlijden van een familielid,
  • vrijstelling van karweien,
  • het recht om enkel in Brabant gevonnist te worden, waar de aangeklaagde misdaad ook gebeurd zou zijn.

Registratie[bewerken]

Een meisenier moest zich registreren, hij diende zich in het bijzijn van minstens twee (verwante) meiseniers als getuigen (de zogenaamde "stravers") door middel van een schepenakte te laten registreren. De stravers hadden als taak deze afstamming uit 'meiseniersbloed' te attesteren. Zowel een afstamming langs vaderszijde als langs moederszijde werd aanvaard. Bij deze registratie werd een attest of meiseniersbrief verleend, die in hoofdzaak uitgevaardigd werd door de schepenbank van Grimbergen of Buggenhout en die van het Kasteel van Gaasbeek.

Hoewel het statuut veel ouder is, stammen de bewaarde meiseniersbrieven voornamelijk uit de periode 1500-1795. De voorrechten van de meiseniers bleven in voege tot het einde van de 18de eeuw, dat wil zeggen tot bij het einde van het Ancien Régime, tot bij de annexatie van het hertogdom bij de Franse republiek.

Genealogisch onderzoek[bewerken]

De attesten zijn van uitzonderlijk belang voor genealogisch onderzoek in het westen van Vlaams-Brabant. Deze meiseniersbrieven werden in 1957 voor het eerst gebundeld door Jan Lindemans. In 1998 verscheen onder een redactie van Jan Caluwaerts een herziene publicatie met dezelfde titel "Van Meiseniersbloed".

Etymologie[bewerken]

Men veronderstelt dat meisenier afgeleid is van mansionarius, de houder van een mansus, oorspronkelijk een grondstuk met een oppervlakte van twaalf bunder. De gelijkenis met de naam van de gemeente Meise is toevallig en een etymologische link daarmee is fictief.

De meisenier werd aanvankelijk onderscheiden van de "kossaat" (mogelijk verband met Oudgermaans kot-zate, "hut-hoeve"), waarmee een kleinere boer bedoeld wordt, in sommige delen van Brabant tevens bezitter van een werkpaard.

Tegen het einde van het Ancien Régime had het statuut veel van zijn oorspronkelijke betekenis verloren. Toch bleven afstammelingen zich vanwege het prestigieus karakter ervan - tot bij de komst van de Franse bezetter - registreren als meisenier; ook bleef het begrip bij veel betrokken families tot op vandaag bekend.