Middenschool (Vlaanderen)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De middenschool (eerste graad is een meer gebruikte term) is de algemene term voor het onderwijs dat volgt op het basisonderwijs in Vlaanderen. Hiermee wordt bedoeld de eerste twee jaren van het secundair onderwijs.

Bij de start van het vernieuwd secundair onderwijs in de jaren 70 was het de ambitie van de overheid de studiekeuze na het lager onderwijs uit te stellen door leerlingen samen te brengen in een gemeenschappelijke start van het secundair onderwijs. Zo wilde men iedereen, verstandig of minder verstandig, uit hogere of lagere sociale klasse, uit sterke of minder sterke lagere scholen, eenzelfde startkans geven in het secundair onderwijs. In de middenschool is er immers nog geen onderscheid tussen de onderwijsvormen aso, tso en kso(de eerste graad a), maar wel een licht verschil voor bso(eerste graad b). In de praktijk zou er dus geen verschil moeten zijn van niveau voor algemene vakken(wiskunde, talen,...) tussen aso en tso (en kso). Wel is er een verschil in de extra aanvulling, zo zal een aso-latijn richting een aantal uren per week latijn krijgen, aso-moderne zal zich meer toesplitsen op de algemene vakken, en tso zal meer op de technische vakken toespitsen. Een van de principes was dat de leerlingen moesten geobserveerd worden, om hun sterke kanten te ontdekken, waarop dan een latere studiekeuze kon worden geënt. De eerste graad van het secundair onderwijs (dat wil zeggen de tweejarige middenschool) werd dan ook "observatiegraad" genoemd. De bedoeling was deze middenschool qua directie, infrastructuur, ligging enz. volledig onafhankelijk te laten functioneren. De onderwijsgeschiedenis heeft echter uitgewezen dat dit nogal utopisch was. De eerste jaren van de secundaire school zaten meestal namelijk vast aan een bovenbouw of aso, of tso/bso, zodat er de facto al vanaf het eerste jaar werd gesorteerd op ambitie van de ouders. En zelfs als er meerdere bovenbouwen op een middenschool aansluiten, kiezen leerlingen toch al een "optie". De meeste scholen zetten de leerlingen samen per optie in plaats van ze heterogeen te groeperen en alleen voor de optievakken afzonderlijk te zetten. Ook die onafhankelijkheid kwam niet uit de verf, want meestal waren er toch bruggen met een of meer bovenbouwscholen via gemeenschappelijke inrichtende macht, of leerkrachten die in beide scholen lesgeven. Het aantal echt autonome middenscholen is nog steeds op de vingers van één hand te tellen. Wel is het zo dat een middenschool een eigen directie kan hebben als er voldoende leerlingen in de secundaire school ingeschreven zijn. In het begin van de 21ste eeuw opperde onderwijsminister Marleen Vanderpoorten het idee om van een 2x6-structuur te evolueren naar een 3x4-structuur. Hierbij zouden de laatste twee jaren van de lagere scholen samen met de eerste graad van het secundair ondergebracht worden in middenscholen. Het idee ging ter ziele, terwijl opvolger Pascal Smet ook (controversiële) voorstellen klaar heeft voor de hervorming van het secundair onderwijs vanaf 2015.

Zie ook[bewerken]