Migratie (dieren)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Migrerende kraanvogels

Migratie is het biologisch verschijnsel dat ontstaat wanneer levende wezens van een leefgebied naar een ander verhuizen. Een gerichte migratie wordt trek (bijvoorbeeld vogeltrek) genoemd en de min of meer willekeurige verspreiding over het leefgebied van een groep individuen dispersie. In veel gevallen migreren organismen om te ontsnappen aan plaatselijke voedseltekorten, meestal in de winter of het droge seizoen. Andere dieren migreren om een goede broedplaats te vinden, zoals het geval is bij bepaalde vissoorten, bijvoorbeeld de trekvissen zalm en paling. Niet-migrerende diersoorten ontsnappen aan de winter of de droogte door een winterslaap of zomerslaap.

De jaarlijkse migratie van veel vogelsoorten wordt vogeltrek genoemd. De Noordse Stern is een extreem voorbeeld van een trekvogel, hij vliegt elk jaar van het noordpoolgebied naar Antarctica, en weer terug. Een ander extreem voorbeeld is de rosse grutto die in één ruk van Nieuw-Zeeland naar Alaska kan vliegen. Eén exemplaar legde in 8 dagen ruim 11 000 km af.[1]

Walvissen, bepaalde soorten vlinders en motten, palingen, rendieren en gnoes staan ook bekend als migrerende soorten. De plotselinge massale migraties van sprinkhanen zijn legendarisch, en zijn ook beschreven in de Bijbel.

Amfibieën trekken jaarlijks tussen hun overwinterings- en hun voorplantingsbiotoop, wat bekendstaat als de amfibieëntrek of de paddentrek.

Migratie onder zeedieren[bewerken]

Zeezoogdieren kennen zeer lange migratie-routes. Grijze walvissen trekken van de zeedieren wellicht het verst: Tijdens zijn leven legt een grijze walvis wel 0,8 miljoen kilometer af , de afstand van de aarde naar de maan en terug. Grijze walvissen reizen op en neer tussen de Mexicaanse kust, waar ze zich 's winters voortplanten en de Beringstraat, waar ze 's zomers eten. Een kleiner aantal pendelt tussen Korea en de zee van Okhotsk in Oost-Siberië.

Zeeschildpadden hebben nauwkeurig vastgelegde trekroutes; ze keren elk jaar naar hetzelfde stukje strand terug om eieren te leggen. Dat is des te opmerkelijker omdat deze dieren er soms wel 30 jaar over doen om geslachtsrijp te worden; en al die tijd onthouden ze dus precies waar ze uit het ei gekropen zijn, zodat ze daarheen kunnen teruggaan als ze zelf aan voortplanting toe zijn. Op wat kleinere schaal maken ook veel vissen tochten naar ondiep water om te paaien, en zelf andere, meer trage dieren gaan geregeld over de bodem op pad.

Caribische langoesten reizen heen en weer tussen ondiep water boven riffen, waar ze zich voortplanten, en dieper water waar ze overwinteren; ze gaan altijd op weg in een enkele rij, waarin elk dier de staart van zijn voorgangeer volgt. Zulke tochten zijn een jaarlijks terugkerend verschijnsel; sommige dieren migreren zelfs dagelijks naar plaatsen waar ze voedsel vinden. Zo komen veel planktondieren 's nachts naar het oppervlak, om overdag weer naar de diepte af te dalen.

Ook tonijnen staan om hun lange reizen bekend: sommige scholen trekken de hele Middellandse Zee door. Uit merkstudies is gebleken dat de tonijnen in de Grote Oceaan uit één populatie bestaan die zich ten zuiden van Japan voortplant en waarvan de nakomelingen tot aan de kusten van Mexico en Californië worden teruggevonden.[2]

Zie ook[bewerken]

Referenties[bewerken]

  1. Onderzoek rosse grutto Theunis Piersma
  2. Merkstudies van pelagische vissen