Muntbiljet

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Muntbiljet van 10 gulden uit 1900.

Muntbiljetten zijn papieren biljetten die in plaats van munten door de staat worden uitgegeven als wettig betaalmiddel.

Nederland[bewerken]

In Nederland werden in 1846 muntbiljetten geïntroduceerd. Later werden muntbiljetten gebruikt om staatsleningen af te lossen. Daardoor lukte het niet de muntbiljetten uit de circulatie te halen. In 1904 werd deze schuld door De Nederlandsche Bank overgenomen, waarna de muntbiljetten werden ingetrokken.

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd het zilveren muntgeld op grote schaal gehamsterd, en de regering werd gedwongen muntbiljetten uit te geven. Om niet te herinneren aan de muntbiljetten die juist tien jaar daarvoor eindelijk waren ingetrokken, werden zij zilverbons genoemd. Ze werden uitgegeven in coupures van 1, 2½ en 5 gulden. Op de zilverbon stond ook de clausule dat de bon na aankondiging, dat wil zeggen op een niet nader te noemen tijdstip in de toekomst weer terug inwisselbaar zouden zijn tegen zilver. De coupure van 5 gulden werd vrij snel weer uit roulatie genomen: een zilveren munt van 5 gulden had nooit bestaan, en het publiek bleek daarom niet veel vertrouwen te hebben in deze coupure.

Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werden in Nederlands-Indië, dat toen van het moederland was afgesneden, muntbiljetten uitgebracht vanwege een tekort aan zilvergeld. Deze biljetten toonden, ten behoeve van de veelal ongeletterde bevolking, een afbeelding van de munt die door het biljet werd vervangen.

Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog werden opnieuw muntbiljetten geïntroduceerd, met een nominale waarde van 1 en 2½ gulden. Dit hield verband met de geldsanering, waardoor kleingeld, vooral het zilvergeld, werd opgepot.

Literatuur[bewerken]

Hans Jacobi en Bert van Beek, Geld van het Koninkrijk, Pampus Associates, Amsterdam, 1988, ISBN 90-9002124-8. Uitgave in opdracht van de Nederlandsche Middenstandsbank

Zie ook[bewerken]