Naar inhoud springen

Mutslangoer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Mutslangoer
IUCN-status: Kwetsbaar[1] (2015)
Mutslangoer
Taxonomische indeling
Rijk:Animalia (Dieren)
Stam:Chordata (Chordadieren)
Klasse:Mammalia (Zoogdieren)
Orde:Primates (Primaten)
Familie:Cercopithecidae (Apen van de Oude Wereld)
Geslacht:Trachypithecus
Soort
Trachypithecus cristatus
(Raffles, 1821)
Originele combinatie
Simia cristata
Verspreidingsgebied van de mutslangoer in het groen
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Mutslangoer op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie
Zoogdieren

De mutslangoer (Trachypithecus cristatus) is een soort uit het geslacht pruiklangoeren, behorend tot de familie Apen van de Oude Wereld die voorkomt op het Maleisisch schiereiland, Sumatra, Borneo en tussenliggende eilanden. De dieren zijn 42 tot 58 cm lang, met een staart van 56 tot 75 cm, en wegen rond 6 kg. Op de kop staat een puntige kam van haren en een naar voren buigende krans van haren om het gezicht. De huid is grijs en de vacht bestaat uit grijsachtig witte haren die aan de uiteinden lichter zijn, waardoor het dier een zilverachtige uitstraling heeft. De aap is overdag actief en leeft in bomen. Hij rent en springt op vier poten en slingert zelden aan zijn armen. Zijn grote maag en de fermentatie in zijn voordarm stellen hem in staat bladeren goed te verteren. Hij leeft in groepen bestaande uit een enkel mannetje, meerdere vrouwtjes en hun jongen, of groepen van uitsluitend mannetjes. Net als andere primaten wordt de mutslangoer in zijn hele verspreidingsgebied bedreigd door houtkap, jacht voor vlees en medicinale doeleinden, en vangst voor de handel in huisdieren.[2]

Net als de meeste andere slankapen (en wat hen onderscheidt van meerkatten), heeft de mutslangoer geen wangzakken en is de grote maag gecompartimenteerd. De neusbeenderen zijn kort en breed. Een van de openingen in de onderkaakbeenderen ontbreekt en de kiezen hebben hoge, puntige knobbels gescheiden door diepe inkepingen. De mutslangoer mist het ziteelt dat kenmerkend is voor meerkatten. Pruiklangoer-soorten zijn kleiner en mannetjes zijn weinig groter dan de vrouwtjes vergeleken met de meeste andere slankapen, maar meer seksueel dimorf dan hoelmans. De mutslangoer is overdag actief en leeft in bomen. Hij kan rechtop staan, maar beweegt zich over het algemeen op vier poten voort, springend, klimmend en huppelend, met aanzienlijke behendigheid en snelheid, en beperkt zwaaiend aan zijn armen door de bomen. De haarloze, zwarte handen en voeten hebben opponeerbare duimen en grote tenen, maar kan zich niet met de staart vastgrijpen. Wanneer hij zich langs boomtakken voortbeweegt, grijpt hij met zijn handen en kan hij zich ook met zijn voeten vastgrijpen of ze gebruiken om op de voetzool te lopen. Vrouwtjes kunnen van mannetjes worden onderscheiden doordat ze ongeveer 10% lichter zijn, door de onregelmatige witte vlekken aan de binnenkant van de flanken en door aanzienlijk kleinere hoektanden. De kop-romplengte bij volwassen vrouwtjes uit Sumatra en Borneo varieert van 46 tot 51 cm en de staart meet 67-75 cm. Volwassen mannetjes uit deze gebieden hebben een kop-romplengte van 50 tot 58 cm en een staart van vergelijkbare lengte als de vrouwtjes. Dieren afkomstig van de Riau-archipel zijn kleiner, en zo is de kop-romplengte van de vrouwtjes aldaar 42 tot 46 cm en meet de staart 56 tot 70 cm. Vrouwtjes wegen gemiddeld 5,7 kg en mannetjes 6,6 kg. Er zijn 21 paar homologe chromosomen en een paar geslachtschromosomen (2n = 44).[2]

De jongen worden geboren met open ogen, een volle vacht en een sterke grip, waardoor ze zich aan de moeder kunnen vastklampen. Pasgeborenen zijn ongeveer 20 cm lang, wegen zo'n 400 g en bereiken hun volwassen grootte op ongeveer 5-jarige leeftijd. Net als bij andere soorten mutslangoer hebben de jongen eerst een oranje vacht en een witte huid op de handen, voeten en het gezicht. De huid verandert binnen enkele dagen na de geboorte in zwart, net als bij de volwassen dieren, terwijl de oranje vacht na 3-5 maanden de volwassen kleur aanneemt. De contrasterende vacht van de jongen kan een strategie zijn om kindermoord te voorkomen of het kan de zorg door andere groepsleden bevorderen. Het kan volwassenen bijvoorbeeld helpen om de jongen snel terug te vinden wanneer er gevaar dreigt of wanneer ze uit de bomen vallen, zoals soms gebeurt tijdens de opwinding van ontmoetingen tussen groepen. Hoewel jonge dieren ongeveer anderhalf jaar zogen, geven vrouwtjes slechts één jaar borstvoeding. Dit is mogelijk omdat zogende vrouwtjes ook jongen van andere moeders accepteren. Na het spenen hebben de jongen niet meer contact met hun moeder dan met andere dieren in de groep. Beide geslachten hebben interactie met hun jongen, spelen met ze en beschermen ze tegen gevaar. Als volwassen mannetjes echter jongen dragen en sociaal met ze omgaan, is dit meestal op initiatief van de jongen zelf. Vrouwtjes baren meestal hun eerste jong tussen de leeftijd van één jaar en negen maanden en drie jaar en negen maanden. Een mutslangoer in een dierentuin stierf een leeftijd van 31 jaar.[2]

schedel schuin van voren
boven- en ondergebit

De tandformule van de volwassen mutslangoer is 2.1.2.32.1.2.3 × 2 = 32, dat wil zeggen twee snijtanden, een hoektand, twee valse kiezen en drie ware kiezen in elke helft van de bovenkaak, en diezelfde elementen in de onderkaak. Dit is identiek aan de elementen van het gebit van de mens. De kiezen hebben elk 2 dwarsrichels waarop links en rechts een knobbel geplaatst is, een aanpassing om bladeren beter te kunnen vermalen. De wervelkolom is typisch voor smalneusapen en bestaat uit 7 nekwervels, 12 borstwervels, 7 lendenwervels, 3 heiligbeenwervels en een groot aantal staartwervels. Het bekken heeft een relatief lang zitbeen en een kort darmbeen. De gewrichten tussen de schaambeenderen zijn meestal vergroeid en de bekkenruimte is groter bij vrouwtjes dan bij mannetjwa. Dit sekseverschil is het meest uitgesproken bij de bekkeningang. Net als bij andere slankapen, onderscheiden pruiklangoeren zich van meerkatten door een grotere, gecompartimenteerde maag vergelijkbaar met die van runderen, een aanpassing aan het eten van veel bladeren. Net als hoelmans en echte langoeren hebben ook pruiklangoeren een maag die uit drie compartimenten bestaat (saccus, tubus gastricus en pars pylorica), in tegenstelling tot doeks, sommige franjeapen, stompneusapen en de neusaap, die ook een vierde compartiment hebben, de presaccus. De saccus is groot en bevat bacteriën voor de fermentatie van de planten. Hij heeft ook een ruime achterdarm. De tubus gastricus is lang en de pars pylorica kort. Het zakvormige deel van de maag en de voorste twee derde van de maag zijn bekleed met slijmproducerende klieren. Deze structuur maakt de scheiding van voedsel tussen een voorste en een achterste deel mogelijk, en dus tussen alkalische en zure omgevingen. De voordarm bevat Methanobacterium ruminantium en cellulose afbrekende Bacteroides soorten, maar geen protozoa. De gassen die in de maag ontstaan, zijn onder andere methaan, koolstofdioxide en een kleine hoeveelheid waterstof.[2]

Verschillen met verwante soorten

[bewerken | brontekst bewerken]

De vacht van de mutslangoer bestaat gedeeltelijk uit grijsachtig witte haren die naar het uiteinde toe lichter worden, waardoor ze zilverachtig lijken. De huid en de haren in het gezicht zijn niet wit of bleek. De vacht is over het algemeen uniform zilvergrijs, met uitzondering van de witte pluk in de schaamstreek bij het vrouwtje. De haren op de middellijn van de kop vormen een puntige kam en de naar buiten stekende haren die het gezicht omzomen zijn zo lang dat ze van voren gezien de oren meestal verbergen. De tanden en kaken zijn klein in vergelijking met andere pruiklangoeren. De middelste snijtanden in het bovengebit zijn lang met een brede, rechte snijrand die aansluit op de snijrand van beide snijtanden in de onderkaak. De buitenste snijtanden in de bovenkaak zijn van de middelste snijtanden afgedraaid en hoektandvormig. Er is een inkeping tussen de binnenste en buitenste snijtanden in de bovenkaak, maar niet tussen de snijtanden in de onderkaak of tussen de middelste snijtanden in de bovenkaak. Het oppervlak van de kiezen neemt van voor naar achter toe. De mutslangoer kan van de Javaanse langoer worden onderscheiden door zijn kortere tandboog ten opzichte van de schedel en de kortere onderkaak. De staart is relatief kort vergeleken met veel andere pruiklangoren, zoals Trachypithecus germaini die een staart heeft van 72 tot 84 cm.[2] Bij de mutslangoer zijn de haren die het gezicht omzomen naar voren gekruld, terwijl deze haren bij Trachypithecus selangorensis recht uitstaan.[3]

In zijn standaardwerk Systema naturae uit 1758 onderscheidde Carl Linnaeus vier geslachten in de orde Primates: Homo, Simia, Lemur en Vespertilio. De soorten die aanvankelijk in het geslacht Simia waren geplaatst, werden later verdeeld over veel nieuwe geslachten. Uiteindelijk bleef de naam Simia over omdat onduidelijk was welke soort als het type van de geslachtsnaam moest worden beschouwd. Daarom is Simia door de International Commission on Zoological Nomenclature in 1929 onderdrukt. De mutslangoer werd voor het eerst wetenschappelijk beschreven in 1821 op basis van een populatie uit Sumatra door de Britse bestuurder en natuuronderzoeker Thomas Stamford Raffles die deze de naam Simia cristata gaf. In 1821 beschreef Edward Griffith exemplaren van "een van de Oost-Indische eilanden" en noemde die Simia villosa. In 1822 volgde de Franse zoöloog Anselme Gaëtan Desmarest met een beschrijving van dieren uit Sumatra en hij deelde de soort in bij de langoeren en creëerde zo de nieuwe naam Semnopithecus pruinosus. Salomon Müller, een Duitse zoöloog in dienst van het Rijksmuseum van Natuurlijke Historie van Leiden maakte in 1835 combinatie Semnopithecus cristatus. Heinrich Gottlieb Ludwig Reichenbach stelde in 1862 voor om de Javaanse langoer in een nieuw geslacht te plaatsen en creëerde de geslachtsnaam Trachypithecus. De Schotse anatoom en zoöloog John Anderson die in Calcutta werkte als curator van het Indian Museum beschreef in 1878 dieren van onbekende herkomst die hij Semnopithecus rutledgii noemde. In 1906 deelde de Amerikaanse wetenschapper Marcus Ward Lyon Jr. de soort in bij de echte langoeren en maakte daarmee de combinatie Presbytis cristata. Michael Rogers Oldfield Thomas en Robert Charles Wroughton onderscheidden in 1909 de populatie van het Indonesische eiland Batam en noemden deze dieren Presbytis cristata pullata. In 1910 beschreef de Amerikaanse zoöloog Daniel Giraud Elliot exemplaren die waren verzameld op Gunung Dulit, een berg in Sarawak, die hij indeelde bij de doeks en de naam Pygathrix ultima gaf. In 1911 deelde Lyon de soort van Raffles ook in bij de doeks en maakte zo de combinatie Pygathrix cristata. Gerrit Smith Miller Jr. beschreef in 1913 een populatie van een van de Natuna-eilanden en noemde die Presbytis vigilans. Reginald Innes Pocock meende in in 1928 dat het zou gaan om een ondersoort van de Javaanse langoer en maakte de nieuwe combinatie Pithecus pyrrhus cristatus. In 1934 deelde hij de Javaanse langoer in bij de pruiklangoeren en zo ontstond de combinatie Trachypithecus pyrrhus cristatus. Dirk Albert Hooijer maakte in 1962 voor het eerst de combinatie Trachypithecus cristatus, die ook nu nog in gebruik is.[2] In 2008 bleek uit vergelijking dat het mitochondriaal DNA van dieren op Sumatra, Borneo en de Natura-eilanden zodanig afwijkt van dat van dieren uit Malakka dat werd voorgesteld om twee ondersoorten te onderscheiden, Trachypithecus cristatus subsp. cristatus en Trachypithecus cristatus subsp. selangorensis.[4] In 2014 is de Malakse ondersoort verheven zijn tot de eigenstandige soort Trachypithecus selangorensis.[5] De soort wordt ingedeeld in de orde van de Primaten, de infraorde Apen, de familie Apen van de Oude Wereld en de onderfamilie Slankapen.[2]

De geslachtsnaam Trachypithecus is een samentrekking van de Oudgriekse woorden τρᾱχῠ́ς (trākhŭ́s) dat "ruw" betekent en πίθηκος (píthēkos), het woord voor "aap". De soortnaam cristatus is afkomstig van het Latijnse woord crista dat "kam" of "pluk" betekent.[2]

De mutslangoer is het meest verwant aan de zilverlangoer van het schiereiland Malakka, Trachypithecus selangarensis. Net iets verdere verwanten zijn de Javaanse langoer en de West-Javaanse soort Trachypithecus mauritius. De daaropvolgende verwanten zijn de groep die bestaat uit de Indochinese soorten Trachypithecus germaini en Trachypithecus margarita. De inzichten in de verwantschappen zijn toegenomen dankzij het vergelijken van homoloog DNA. De onderstaande boom geeft de meest recente inzichten in deze verwantschappen weer.[6]

 geslacht Trachypithecus 

 mutslangoer (T. cristatus)

 T. selangorensis

 Javaanse langoer (T. auratus)

 T. mauritius

 T. germaini, T. margarita

 brillangoer (T. obscurus)

 Barbes langoer (T. barbei)

 Phayrelangoer (T. phayrei), T. melamera, Popalangoer (T. popa)

 T. crepusculus

 witromplangoer (T. delacouri)

 Tonkinlangoer (T. francoisi), witkoplangoer (T. leucocephalus)

 goudkoplangoer (T. poliocephalus)

 T. ebenus, Ha Tinhlangoer (T. hatinhensis), witbrauwlangoer (T. laotum)

 gouden langoer (T. geei), kuiflangoer (T. pileatus), T. shortridgei

De mutslangoer komt meestal voor in groepen van 10 tot 40 individuen, bestaande uit één mannetje en meerdere vrouwtjes, of in groepen met alleen mannetjes. Af en toe is er meer dan één mannetje aanwezig in een groep met meerdere vrouwtjes. Jonge mannetjes verlaten hun geboortegroep meestal zodra ze volwassen zijn. Hoewel er in het wild vrouwtjes gelijkwaardig lijken te zijn, in tegenstelling tot bij echte langoeren en hoelmans, vlooien vrouwtjes elkaar verzorgen en zitten vaak dicht bij elkaar.[2]

Slankapen die in Azië in de bomen leven lijken weinig last te hebben van roofdieren. Anders dan in Afrika komen er in Zuidoost-Azië weinig roofvogels voor die groot genoeg zijn om primaten van meer dan 2 kg te vangen. De aanwezigheid van arenden verontrust slankapen echter en er is waargenomen dat mannetjes arenden aanvallen en achtervolgen en een uil uit zijn slaapplaats verjagen. Grondroofdieren die volwassen slankapen kunnen vangen, zijn onder andere slangen, grote katachtigen en Aziatische wilde honden. Verschillende kleinere roofdieren, waaronder kleine katachtigen, genetkatten, civetten, mangoesten, honden en de beermarter kunnen jongen vangen. De mutslangoeren zijn waarschijnlijk minder kwetsbaar door grote groepen te vormen en in de bomen te leven. Hoewel grote slangen en kleine katachtigen overal in de bomen voorkomen, zijn ze waarschijnlijk minder wendbaar dan de mutslangoer.[2]

Voortplanting

[bewerken | brontekst bewerken]

De mutslangoer plant zich het hele jaar door voort en kent geen seizoensgebonden geboortepiek. De draagtijd is 180-200 dagen en de cyclus van de vrouwtjes duurt 24 dagen. De placenta heeft twee lobben. De navelstreng, die aan de grootste lob vastzit, is relatief lang. Vrouwtjes baren één jong per keer, tweelingen zijn niet waargenomen. Er zijn geen uitwendige tekenen van oestrus (vulva-zwellingen komen minimaal voor, niet tijdens de periode van ontvankelijkheid, en zijn niet aantrekkelijk voor mannetjes). Het geboorte-interval in het wild is 18-24 maanden, maar in gevangenschap is het geboorte-interval ongeveer 15 maanden, langer bij de eerste geboorte van een vrouwtje en korter wanneer het jong sterft.[2]

rechterhand

De mutslangoer komt voornamelijk voor in kust- en rivierbossen en plantages, met name mangrovebossen met onder andere Acanthus illicifolius, Bruguiera gymnorhiza en nipapalm en aangrenzend hoger gelegen bos. Deze soort komt niet voor in bossen in het binnenland, waar volwassen bladeren weliswaar in overvloed aanwezig zijn, maar deze van mindere kwaliteit zijn. Waar echte langoeren en mutslangoeren samen voorkomen, voeden de laatsten zich voornamelijk in de middelste en bovenste lagen van de boomkroon, maar niet zo hoog of zo ver naar buiten op de slanke takken als echte langoeren. Voor echte langoeren zijn hierdoor meer vruchten en jonge bladeren beschikbaar dan voor de pruiklangoeren. Het dieet van de mutslangoer omvat minstens 94 plantensoorten, waarvan onder andere bladeren, zaden, bloemen en vruchten gegeten worden, zoals epifytische vijgen. Bladeren vormen ongeveer 90% en vruchten slechts ongeveer 9%, respectievelijk het hoogste en laagste percentage van alle slankapensoorten waarvoor gegevens beschikbaar waren. Dit, samen met de hierboven genoemde skelet- en andere fysieke verschillen, zoals grotere magen dan echte langoeren, maakt het mogelijk dat de mutslangoer lokaal samenleeft met andere slankapen.[2]

De mutslangoer komt zelden samen voor met andere slankapensoorten. Hoewel het verspreidingsgebied overlapt met dat van de zuidelijke lampongaap op het Maleisisch schiereiland, Sumatra en Borneo, en met dat van bleekdijlangoer op het Maleisisch schiereiland, sluiten habitatverschillen nauw contact over het algemeen uit. Uitzonderingen hierop zijn het samen voorkomen met de brillangoer aan de westkust van het Maleisisch schiereiland, waar de soort ook samen voorkomt met Java-aap, en Borneo, waar de soort samen voorkomt met rode langoer en mogelijk andere Presbytis-soorten.[2]

De soort komt voor op Sumatra, Borneo (Indonesië, Maleisië en Brunei) en enkele kleinere eilanden daartussenin.[2]

Gebruik door de mens

[bewerken | brontekst bewerken]

De mutslangoer wordt nog steeds gebruikt in biomedisch onderzoek, voornamelijk omdat ze van nature vatbaar zijn voor bepaalde infectieziekten bij de mens, met name aids en virale hepatitis.[7] Dit heeft deze soort belangrijk gemaakt voor het bestuderen van ziekteverloop en mogelijke behandelingen voor aids.[8] Hun rol in moderne laboratoriumtests verschilt per regio en de strengheid van de lokale richtlijnen voor dierenwelzijn. Bij het Biomedical Primate Research Centre in Nederland vindt uitsluitend biomedisch onderzoek plaats op java- en resusapen, mutslangoeren worden daar niet gehouden.[9]

Pruiklangoeren met baby in Bronx Zoo