Nacht van Schmelzer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Nacht van Schmelzer betreft de nacht van donderdag 13 op vrijdag 14 oktober 1966 en staat in de Nederlandse politieke geschiedenis bekend als de nacht waardoor na het indienen van de motie-Schmelzer (tegen de eigen regering gericht) het kabinet-Cals ten val kwam.

Tijdens de behandeling van de algemene beschouwingen over de rijksbegroting 1967 in de Tweede Kamer, onder leiding van voorzitter Frans-Joseph van Thiel, diende fractievoorzitter van de KVP Norbert Schmelzer de naar hem genoemde motie-Schmelzer in, waarna het kabinet een dag later zijn ontslag aanbood.

Aanleiding[bewerken]

De directe aanleiding was de dekking van de rijksbegroting. Gaten in de begroting wilde het kabinet onder meer opvangen door de inkomstenbelasting sneller te innen. Minister van financiën Vondeling en lid van de Partij van de Arbeid (PvdA), gaf tijdens de beraadslagingen aan dat er in de begroting na alle te nemen maatregelen slechts een tekort resteerde van 26 miljoen gulden, iets dat volgens hem binnen de foutenmarge van begroten lag en dat verder ingrijpen daarom niet nodig was. De KVP-fractie meende dat het tekort veel groter was.

Maar al langer leefde bij de KVP onvrede over het meeregeren van de PvdA. De KVP wilde graag de verkiezingen van 1967 in als de partij die de coalitie met de PvdA niet gewild zou hebben. Bovendien had de PvdA-fractie de eigen ministers Den Uyl en Vondeling beperkt in hun ruimte om in het kabinet te kunnen discussiëren over het dekken van de rijksuitgaven in de komende begroting, hetgeen tot felle discussies in de ministerraad leidde. De PvdA-ministers mochten alleen een verhoging van de omzetbelasting accepteren, als een inkomstenbelastingverlaging zou worden uitgesteld. De KVP met fractievoorzitter Norbert Schmelzer, wilde deze verlaging juist wel.

Begin beraadslagingen[bewerken]

Twee dagen eerder waren de financieel-economische algemene beschouwingen van start gegaan. VVD-fractievoorzitter Toxopeus deelde toen al mee dat het kabinet heen moest gaan. Beernink, de fractievoorzitter van de CHU, had aangegeven dat er geen vertrouwen was in het financiële kabinetsbeleid. Hij beklaagde zich erover dat de inflatie voort sloop, de staatsfinanciën niet gezond waren en de belastingdruk steeg. Schmelzer gaf aan dat het vertrouwen van de KVP door het kabinetsbeleid op de proef was gesteld. Hij vroeg het kabinet: "[...] wat kan en wil de regering doen om tot een gezond beleid te komen op korte termijn en op langere termijn? Dan - ik moet het het kabinet in alle ernst zeggen - kan niet worden ontkomen aan een opnieuw bezien van het totale uitgavenpeil en - voor zover dat op korte termijn onvoldoende soelaas mocht bieden van de belastinginkomsten - de dekking." Het kabinet had de vrijdag voor de algemene beschouwingen echter unaniem afgesproken geen enkele financiële concessie te doen.

Als reactie stuurde premier Cals, Schmelzer een persoonlijk briefje met daarin de tekst: "Op het eerste gehoor vind ik het niet rechtvaardig dit (1½ jaar bestaand) kabinet te verwijten, dat het lange termijn-problemen [sic] nog niet heeft opgelost, die vorige kabinetten zelfs niet onderkend hebben. Hierop kan geen waarlijk bevredigend antwoord gegeven worden."

Het verloop van de Nacht van Schmelzer[bewerken]

De beschouwingen werden eerst op 12 oktober en later op 13 oktober, vanaf elf uur 's morgens, voortgezet. De beraadslagingen werden op 13 oktober om kwart over vier 's middags afgebroken en die avond om acht uur hervat.

Motie-Toxopeus[bewerken]

Toxopeus diende 's avonds met enkele partijgenoten een motie in, waarna Cals aangaf die te zien als een motie van wantrouwen.

De tekst, die informeel de naam motie-Toxopeus meekreeg, was:

"De Kamer, gehoord de algemene politieke en financiële beschouwingen, constateert, dat de begroting niet voldoet aan de eis van evenwichtsherstel, verontrust over het feit, dat zware lasten naar 1968 worden verschoven, spreekt als haar oordeel uit, dat het uitgaven- en belastingbeleid zodanig moeten worden herzien, dat deze bezwaren worden weggenomen, en gaat over tot de orde van de dag."
— Toxopeus, Witteveen, Zegering Hadders, Van Someren-Downer, Corver

Zijn fractiegenoot Witteveen diende met enkele partijgenoten, onder wie opnieuw Toxopeus, een tweede motie in. Daarin werd gevraagd om "uiterste soepelheid" te betrachten bij het kabinetsplan voor de versnelde inning van de inkomstenbelasting, om zo rekening te houden met de zelfstandigen, die het volgens de VVD financieel al moeilijk genoeg hadden.

ARP-fractievoorzitter Roolvink diende een motie in, waarin hij vroeg om een nieuw dekkingsplan voor de begroting-1967, maar alleen als de loonstijging in "enigszins betekende mate boven de groei van de arbeidsproduktiviteit zou uitgaan."

Fractieberaad tijdens schorsing[bewerken]

De vergadering werd omstreeks kwart over twee 's nachts op verzoek van Schmelzer voor overleg binnen de fracties voor een uur geschorst. Cals ging een wandeling maken over het Binnenhof. Schmelzer kwam hem tegen, liep met hem mee en overhandigde de tekst van zijn motie. "Nou Norbert, dat was het dan", zou Cals volgens Schmelzer gezegd hebben. "Dat vrees ik ook", antwoordde Schmelzer.[1] Uiteindelijk liep de schorsing uit tot een uur en twintig minuten. Het overgrote deel van de KVP-fractie bleek tijdens het fractieberaad de motie-Toxopeus te steunen. Omdat Schmelzer het uiteenvallen van de KVP vreesde, deed dit hem besluiten om alsnog een motie in te dienen. De tekst daarvan was al sinds 11 oktober rondgegaan. Ook verschillende ministers wisten ervan, onder wie ARP-bewindslieden. KVP-Kamerlid Klompé was er echter over in het ongewisse gelaten. Ze toonde zich verrast en eiste overleg met Cals, een verzoek dat werd weggestemd. Minister Luns bezocht de KVP-fractie en verzocht om het niet tot een crisis te laten komen. De ARP-ministers deden hetzelfde bij hun fractie en maakten duidelijk dat de motie-Schmelzer voor het kabinet niet acceptabel was.

Motie-Schmelzer[bewerken]

Schmelzer diende zijn motie om vijf over half vier in de ochtend in.

De tekst luidde:

"De Kamer,[etc.], van mening, dat in het voorgenomen financieel-economische beleid meer waarborgen moeten worden gelegd voor een evenwichtige groei en tegen verdergaande geldontwaarding en werkloosheid, spreekt als haar overtuiging uit, dat mede met het oog op de mogelijkheden voor 1968 naast een verbetering van de dekking 1967 maatregelen ter voorkoming van extra-uitgavenstijging voor noodzakelijk zijn, nodigt de regering uit, daartoe voorstellen te doen...[etc.]"
— Schmelzer

Hij gaf daarbij mondeling te kennen dat het overgrote deel van zijn fractie de motie zou steunen, maar ook - met het accent op "in alle oprechtheid" - dat het niet gezien moest worden als een motie van wantrouwen tegen het gehele regeringsbeleid en ook niet tegen de politieke samenstelling van het kabinet.

De vergadering werd vervolgens op verzoek van Cals tot vier uur geschorst.

Stemming[bewerken]

Minister-president Jo Cals aan het woord bij de algemene beschouwingen in de Tweede Kamer op 13 oktober 1966.

De vergadering werd om tien over vier hervat. PvdA-fractievoorzitter Nederhorst gaf in zijn stemverklaring aan: "[...] het is duidelijk dat van de kant van de KVP-fractie het vertrouwen in dit kabinet is opgezegd, want de heer Schmelzer kan nu wel zeggen: dat heb ik niet zo bedoeld en dat moet u niet zo opvatten, maar een kind in de politiek weet dat zo'n motie voor een kabinet, dat zichzelf respecteert, volstrekt onaanvaardbaar is." Hij voegde daar - op dringend verzoek van zijn partijgenoot Roemers - aan toe dat het kabinet "geen knip voor de neus waard zou zijn" als het de motie niet als een 'motie van wantrouwen' zou interpreteren. Voor Nederhorst betekende het aannemen van de motie-Schmelzer een verhoging van de directe belastingen om begrotingstekorten te dekken, waartegen hij "onoverkomelijke bezwaren" had. Hij gaf aan dat een belastingverhoging zou leiden tot prijsstijgingen en loonsverhogingen, terwijl de PvdA juist rust wilde op het prijs- en loonfront om de inflatie zo laag mogelijk te houden.

Cals gaf aan dat het door de Tweede Kamer aanvaarden van de motie zou leiden tot een kabinetscrisis. Hij kon zich evenmin vinden in Schmelzers toelichting, die hij in strijd achtte met de inhoud van de motie en gaf aan haar te beschouwen als een gebrek aan vertrouwen in het financieel-economische beleid van de regering. "Dat is nogal wat", zo zei hij. Een belastingverhoging achtte zijn kabinet onnodig en daar wenste Cals dan ook niet aan mee te werken. Omstreeks half vijf werd de motie in stemming gebracht. De motie-Schmelzer werd aangenomen met 75 tegen 62 stemmen:

Voor de motie stemden VVD, CHU, SGP, BP en GPV. Tegen stemden PvdA, ARP, CPN en PSP. 39 van 43 aanwezige KVP-Kamerleden stemden voor de motie en maar vier tegen. De tegenstemmers bij de KVP waren Kessel, Verdijk, Van Doorn en Laan. Zij gaven in hun stemverklaring aan dat ze tegen stemden omdat het kabinet aangegeven had zijn ontslag aan te bieden als de motie zou worden aangenomen en spraken expliciet hun steun uit voor het regeringsbeleid. Drie Kamerleden hadden eerder om persoonlijke redenen voortijdig de vergadering verlaten en stemden niet mee. Dat waren de voormalige KVP-voorzitter Andriessen, de ARP'er Versteeg en de KVP'er Albering. De voormalige KVP-fractievoorzitter De Kort had eerder aangekondigd de Tweede Kamer per 14 oktober te zullen verlaten. Hij mocht van de voorzitter na middernacht aan de beraadslagingen mee blijven doen en meestemmen.

Cals sprak na de stemming een onaanvaardbaar uit over de motie-Schmelzer en verzocht de voorzitter om een schorsing van de beraadslagingen, het formele antwoord dat het kabinet zijn ontslag zou aanbieden. Het verzoek tot sluiting van de vergadering werd ingewilligd en de andere moties werden niet meer in stemming gebracht. De "Nacht" duurde tot twintig voor vijf 's morgens.

Schmelzer gaf na afloop van de vergadering aan dat het kabinet sowieso "ten dode was opgeschreven", ook als hij niet zijn motie had ingediend. Schmelzer verklaarde dat veel van zijn KVP'ers namelijk ook mee zouden hebben gestemd bij andere moties die tegen het kabinetsbeleid waren ingediend.

Het kabinet-Cals bood op zaterdag 15 oktober zijn ontslag aan bij het staatshoofd koningin Juliana.

Gevolgen[bewerken]

Naast de val van het kabinet-Cals, had de Nacht van Schmelzer nog een aantal gevolgen:

  • PvdA en KVP dreven uit elkaar waardoor een lichte crisis ontstond
  • Begin van het Radicalenconflict, dat tot het einde van de eenheid in de KVP leidde

Externe links[bewerken]