Naturalisatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Naturalisatie is het verlenen van de nationaliteit van een land aan een vreemdeling die daarom vraagt.

Nederland[bewerken]

De Rijkswet op het Nederlanderschap, de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 en het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap regelen onder meer het verlenen van de Nederlandse nationaliteit - het Nederlanderschap - aan een vreemdeling.

Wanneer een vreemdeling de Nederlandse nationaliteit wil aannemen, dan dient hij of zij hiervoor een verzoek in te dienen. Dit dient te geschieden bij de gemeente of het land (in het Caribisch gebied) waar de aanvrager woont.

Voorwaarden om voor naturalisatie in aanmerking te komen:[1]

  • Men moet vijf jaar onafgebroken in het Koninkrijk der Nederlanden wonen of, indien men met een Nederlander is getrouwd (of een geregistreerd partner heeft, of op grond van de relatie een verblijfsvergunning heeft), drie jaar met die Nederlander hebben samengewoond. (Er ligt een wetsvoorstel om van 5 jaar te wijzigen in 7 jaar. De Tweede en Eerste Kamer moeten het wetsvoorstel nog goedkeuren.[2][3])
  • Men moet het inburgeringsexamen hebben behaald, of het Nederlands kunnen beheersen (aan te tonen met een NT2 diploma: Nederlands als tweede taal of een met positief resultaat afgelegde Verkorte Vrijstellingstoets).[4]
  • Er bestaan geen ernstige vermoedens dat de vreemdelingen gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid.
  • De identiteit van de vreemdelingen moet vaststaan aan de hand van gelegaliseerde documenten.
  • De vreemdelingen moeten in het bezit zijn van geldige officiële documenten, zoals onder andere een geldig verblijfsdocument.

Wie polygaam is zal eerst zo vaak moeten scheiden dat nog slechts één huwelijk overblijft.

Topsporters die voor belangrijke wedstrijden worden ingezet en wetenschappers die uitzonderlijk hebben gepresteerd kunnen voor een versnelde procedure in aanmerking komen. In bijzondere gevallen kan het kabinet besluiten de vreemdeling versneld een Nederlands paspoort te verstrekken. Ook tot het koningshuis toetredende vreemdelingen kunnen versneld worden genaturaliseerd.

De IND beslist op de aanvraag en draagt de te naturaliseren persoon voor bij de Koning, die bij Koninklijk Besluit het Nederlanderschap vaststelt.

Tenzij anders bepaald treedt het besluit tot verlening van het Nederlanderschap voor een daarin genoemde persoon in werking door de uitreiking aan hem van het hem betreffend uittreksel van het besluit (Bekendmaking van verlening van het Nederlanderschap) bij een naturalisatieceremonie. Dit gebeurt pas nadat een verklaring van verbondenheid is afgelegd. Het besluit werkt terug tot de dag van de dagtekening. Het besluit tot verlening van het Nederlanderschap vervalt ten aanzien van een erin genoemd persoon indien het hem betreffend uittreksel van dit besluit niet binnen een jaar na de dag waarop het besluit is gedagtekend aan hem kan worden uitgereikt doordat hij herhaaldelijk niet verschijnt na opgeroepen te zijn voor de ceremonie. Gemeenten zijn verplicht tenminste eenmaal per jaar een naturalisatieceremonie te organiseren, in ieder geval op de landelijke naturalisatiedag, die sinds 2008 op 15 december is, wanneer er dan naturalisatiebesluiten of optiebevestigingen zijn om uit te reiken. Rekening houdend met de maximale termijn waarbinnen de aanvragers het bewijs van Nederlanderschap moeten ontvangen organiseren veel gemeenten meerdere ceremonies per jaar. Kleinere gemeenten die slechts enkele naturalisandi en optanten per jaar hebben kunnen op de landelijke naturalisatiedag alle nieuwe Nederlanders van het afgelopen jaar uitnodigen.

België[bewerken]

Het verwerven van de Belgische nationaliteit of tot Belg genaturaliseerd worden, wordt geregeld in het Wetboek van de Belgische nationaliteit[5]. Dit wetboek wordt uitgebreid behandeld in de ministeriële omzendbrief van 25 april 2000[6] en van 20 juli 2000[7], uitgevaardigd door de Federale Overheidsdienst Justitie die voor deze materie bevoegd is.

Behalve de natuurlijke weg, zoals door geboorte of afstamming kan men de nationaliteit ook aanvragen mits men aan bepaalde voorwaarden voldoet zoals:

  • bepaalde tijd in België verblijven
  • in België werken
  • huwen met iemand van Belgische nationaliteit

Dergelijke aanvraag gebeurt via de ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats, die de aanvraag van de nodige stukken voorziet (leeftijd, bewijs van goed gedrag en zeden, eventuele verplichte adviezen, ....) en voorlegt aan de bevoegde commissie van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Indien de aanvraag goedgekeurd wordt door de Kamer, dan wordt dit bekrachtigd via een wet: de zogenaamde Wet die naturalisaties verleent.

In het jaar 2000 werden deze voorwaarden versoepeld in wat men de "snel-Belgwet"[8] is gaan noemen. Deze wetgeving vereenvoudigt de procedures voor naturalisatie aanzienlijk voor bepaalde categorieën van vreemdelingen. De term vreemdeling is in België een juridisch begrip voor burgers die wettelijk in het land verblijven maar die niet over de Belgische nationaliteit beschikken. Hun aantal wordt op 8,3 % van de totale bevolking geschat. De Snel-Belg-wet was voor een aantal Belgische politici een manier om het controversiële thema stemrecht voor migranten uit de weg te gaan, immers kan een tot Belg genaturaliseerde vreemdeling uiteraard over stemrecht beschikken.

In oktober 2010 werd er een wetsvoorstel[9] ingediend om de voorwaarden terug aan te scherpen. In de zomer van 2011 werd er een meerderheid gevonden om het wetsvoorstel voor advies naar de Raad van State te sturen.[10] Uiteindelijk werd het wetsvoorstel met een ruime meerderheid goedgekeurd op donderdag 25 oktober 2012.[11]

Zie ook[bewerken]

  • Anne Frank, de Nederlandse nationaliteit kan niet postuum worden verleend
Bronnen, noten en/of referenties
  1. http://nederlanderworden.com/naturalisatie/ uitgebreid overzicht van de voorwaarden
  2. Naturalisatie na 7 jaar verblijf in Nederland Rijksoverheid, Nieuwsbericht, 20 december 2013
  3. Nederlander worden Rijksoverheid
  4. De hele lijst met vrijstellingen daarop is (Besluit naturalisatietoets, art. 3):
    • Van het afleggen van een naturalisatietoets is vrijgesteld de verzoeker die kan aantonen dat:
    • a. hij valt onder de Wet van 9 september 1976 (Stb. 1976, 468) betreffende de positie van Molukkers;
    • b. hij, na onderwijs te hebben gevolgd in de Nederlandse taal, dan wel – indien de verzoeker in een openbaar lichaam, Aruba, Curaçao of Sint Maarten hoofdverblijf heeft – in de taal die op het eiland van hoofdverblijf naast het Nederlands gangbaar is, in het bezit is gesteld van een op wettelijke basis uitgereikt diploma of getuigschrift van afronding van een opleiding van wetenschappelijk onderwijs, hoger onderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs of leerlingwezen;
    • c. hij in het bezit is van een diploma staatsexamen Nederlands als Tweede taal, programma I dan wel programma II als bedoeld in artikel 7.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
    • d. hij in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers, indien uit de vermelding daarop blijkt dat tenminste de volgende niveaus zijn behaald:
    • 1°. voor de onderdelen «Luisteren», «Spreken» en «Lezen» en «Schrijven» van de eindtermen Referentiekader Nederlands als Tweede Taal: niveau 2:
    • 2°. voor het onderdeel «Maatschappij Oriëntatie»: het niveau van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van die wet;
    • e. met toepassing van artikel 5, tweede lid, van de Wet inburgering nieuwkomers ten aanzien van hem is besloten het vaststellen van een inburgeringsprogramma achterwege te laten, omdat tijdens het inburgeringsonderzoek aannemelijk is geworden dat hij de kennis, het inzicht en de vaardigheden die hij door het deelnemen aan een inburgeringsprogramma zou kunnen verwerven, reeds in voldoende mate op een andere wijze heeft verworven;
    • f. hij een toets als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van de Wet inburgering nieuwkomers met goed gevolg heeft afgelegd, als gevolg waarvan hij beschikt over een besluit, inhoudende dat de vaststelling van een inburgeringsprogramma achterwege wordt gelaten;
    • g. hij met toepassing van artikel 3, derde lid, onder a, van de Wet inburgering nieuwkomers wegens psychische of lichamelijke redenen voor onbepaalde duur is ontheven van de verplichting een inburgeringsprogramma te volgen;
    • h. hij in het bezit is van het inburgeringsdiploma, bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Wet inburgering met daarop de vermelding dat de vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A2 van het Europees Raamwerk voor Moderne Vreemde Talen zijn verworven,
    • i. hij in het bezit is van het document, bedoeld in artikel 2.7, tweede lid, van het Besluit inburgering;
    • j. hij ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in het Europese deel van Nederland heeft verbleven als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de Wet inburgering;
    • k. hij in het bezit is van een met een van de in onderdeel b genoemde diploma’s of getuigschriften vergelijkbaar diploma of een ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in België, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal;
    • l. hij in het bezit is van een met een van de in onderdeel b genoemde diploma’s of getuigschriften vergelijkbaar diploma of een ander document, behaald in het Nederlandstalig onderwijs in Suriname, mits een voldoende is behaald voor het vak Nederlands;
    • m. hij in het bezit is van het diploma van het Europees baccalaureaat van de Europese school (Trb. 1957, 246), voor zover dat baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat en voor dat vak een voldoende is behaald; of
    • n. hij in het bezit is van het getuigschrift Internationaal Baccalaureate Middle Years Certificate, International General Certificate of Secondary Education of Internationaal Baccalaureaat, indien daartoe een cursus Engels-Nederlandstalig onderwijs of een cursus Internationaal Baccalaureaat met daarin het vak Nederlands is gevolgd en voor dat vak een voldoende is behaald.
    • 2. Bij een certificaat als bedoeld in het eerste lid, onder d, legt de verzoeker de verklaring over van het Regionaal Opleidingencentrum op grond waarvan het certificaat is afgegeven.
    • 3. Bij ministeriële regeling kan worden voorzien in gedeeltelijke vrijstelling van de naturalisatietoets op grond van andere diploma’s, certificaten of documenten dan genoemd in het eerste en het tweede lid.
  5. Wetboek van de Belgische nationaliteit van 28 juni 1984
  6. Omzendbrief van 25 april 2000 inzake de wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit.
  7. Omzendbrief van 20 juli 2000 tot aanvulling van de omzendbrief van 25 april 2000 inzake de wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit.
  8. Wet van 1 maart 2000 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de Belgische nationaliteit.
  9. Wetsvoorstel van 27 oktober 2010 tot wijziging van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit teneinde het verkrijgen van de Belgische nationaliteit migratieneutraal te maken
  10. 'Akkoord over einde snel-Belgwet' De Standaard, 22 juni 2011
  11. Zie website dekamer.be voor de evolutie van het wetsvoorstel