Nederlands volkslied (liedboek)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De liedbundel Nederlands volkslied, samengesteld door Jop Pollmann (1902-1972) en Piet Tiggers (1891-1968), verscheen in 1941. De eerste druk bevatte 186 volksliedjes en canons met muzieknotatie. De bundel verscheen bij uitgeverij De Toorts (Haarlem).

De bundel raakte na verschijning wijdverspreid. In 1977 verscheen de laatste, 19e druk (469e tot 555e duizendtal), waarmee ongeveer een half miljoen exemplaren van de liedbundel waren verkocht.

Achtergrond[bewerken]

Piet Tiggers was pianoleraar in Amersfoort en jeugdmuziekleider bij de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), een sociaaldemocratische jeugdorganisatie. Tiggers was een warm pleitbezorger voor het zingen van Nederlandse liederen. De liedjes uit de in die tijd veelgebruikte bundel Kun je nog zingen, zing dan mee kwamen niet in aanmerking, omdat ze de gevestigde burgercultuur vertegenwoordigden en omdat de negentiende-eeuwse melodieën niet zuiver vocaal gedacht waren; en de liedjes van de radio waren te commercieel.[1] Geïnspireerd door de Duitse Jeugdbeweging kwam hij terecht bij Nederlandse volksliedjes, die vanaf de negentiende eeuw, onder invloed van het ideaal van de Romantiek, waren verzameld en uitgegeven. Op basis van bundels als Het oude Nederlandsche lied, verzameld door Florimond van Duyse (1903-12) en Nederlandsche baker- en kinderrijmen, verzameld door Johannes van Vloten (1894), gaf Tiggers voor de AJC verschillende zangbundels uit, waaronder De lijster (1925), De merel (1927) en De wielewaal (1931).

Jop Pollmann had Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd in Nijmegen en was gepromoveerd op een proefschrift getiteld Ons eigen Volkslied (Nijmegen, 1935). Van 1931-1947 werkte hij als leraar Nederlands aan verschillende middelbare scholen. Daarnaast was hij actief in het katholieke jeugdwerk en droeg daar met enthousiasme zijn idealen over het zingen van oude Nederlandse volksliedjes uit, die naar zijn overtuiging teruggingen op de Middeleeuwen, "toen iedereen nog katholiek was".[1] Op basis van zeventiende- en achttiende-eeuwse liedbundeltjes en negentiende-eeuwse liedverzamelingen (zoals Chants populaires des Flamands, verzameld door Edmond de Coussemaker, 1856), gaf Pollmann een aantal zangbundels uit, waaronder Het blonde riet (1931), Het lachende water (1935) en De blijde bongerd (1938).

In de jaren 30 ontmoetten Piet Tiggers en Jop Pollmann elkaar. Hoewel hun levensbeschouwelijke achtergrond sterk verschilde (de een socialistisch, de ander rooms-katholiek), vonden zij beiden dat de oude volksliedjes voor iedereen waren en niet waren voorbehouden aan een bepaalde verzuilde groep. Beiden waren overtuigd van de waarde van volksliedjes als cultureel erfgoed en van de verbindende kracht van samenzang en ze vonden elkaar als actieve propagandisten van het Nederlandse volkslied.[1]

In 1940 verzorgden zij samen een volkszangcursus voor zowel kaderleden van de socialistische AJC als van de katholieke jeugdbeweging. Uit hun samenwerking kwam een jaar later de bundel Nederlands volkslied voort, die in 1941 voor het eerst verscheen.

De bundel werd een groot succes. Hij kende een brede verspreiding en werd onder meer gebruikt in het jeugdwerk, in het onderwijs aan de kweekschool en in het lager onderwijs (zowel bij de Gehrels-methode, als door de katholieke Ward-beweging). Hij verdrong daarmee de schoolliedbundel Kun je nog zingen, zing dan mee. In vier decennia verschenen 19 herdrukken, waarbij ongeveer een half miljoen exemplaren in omloop kwamen.

In de jaren na de verschijning bleven Piet Tiggers en Jop Pollmann actief bezig met de bevordering van het zingen. Met Dien Kes en Marie Veldhuyzen gaven ze een muziektijdschrift uit, Lusthof der lekenmuziek (1949-50). Pollmann gaf cursussen volkszang en volksdans aan leerlingen van de kweekschool (later Pabo) en aan scholen voor maatschappelijke werk. Muziekdocente Renske Nieweg, oud-pianoleerling van Tiggers, gebruikte de bundel bij haar muzieklessen aan de kweekschool; in 1940 had zij reeds als jongste loot van de uit 1904 daterende Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsche Lied in Amersfoort de zanggroep Het Nederlandsche Lied opgericht; voor die groep leverde de bundel van Pollmann en Tiggers jarenlang het basisrepertoire. Ook haar uitgangspunt was dat de kern van muziekcultuur de actieve muziekbeoefening is. Als consulente schoolmuziek publiceerde zij in 1970 de handleiding Liedrepertoire voor het basisonderwijs. Het lied als kern van de muzikale vorming. Jop Pollmann was in de jaren 50 onder meer betrokken bij de oprichting van het Nederlands Volksliedarchief, waarin volksliedjes vanaf van de middeleeuwen werden verzameld en beschreven en die de basis zou vormen voor de Nederlandse Liederenbank.

In de jaren 40, 50 en begin 60 groeide een hele generatie op met de traditionele volksliedjes die in de liedbundel Nederlands volkslied waren opgenomen. In de loop van de jaren 60 en 70 nam de populariteit van het liedboekje af. De liedjes die symbool hadden gestaan voor de saamhorigheid tijdens de wederopbouw, werden nu ouderwets of braaf gevonden. Bovendien was de laatste, 19e druk geheel herzien; door de wetenschappelijk-historisch verantwoorde wijzigingen in teksten en melodieën, bleek de bundel onbruikbaar te zijn geworden voor de gangbare praktijk.

Opgenomen liedjes[bewerken]

De bundel Nederlands Volkslied opent met het 'Wilhelmus', dat het volkslied van Nederland was sinds 1932, en dat oorspronkelijk een geuzenlied uit de Tachtigjarige Oorlog was (van ca. 1572). Ook is een aantal geuzenliederen van Adriaen Valerius opgenomen, zoals 'O Nederland let op uw zaak, de tijd en stond is daar'; 'Merk toch hoe sterk nu in het werk zich al stelt'; en 'Waar dat men zich al keert of wendt'.

De liedbundel bevat een ruime keus aan middeleeuwse liedjes, veelal uit het Antwerps liedboek. Voorbeelden: 'Alle mijn gepeis doet mij zo wee'; 'Het daghet in den oosten'; 'Egidius waer bestu bleven' (Gruuthuse hs.); 'Ik stond op hoge bergen, ik zag ter zeewaart in'; 'Ik zeg adieu, wij twee, wij moeten scheiden'; en 'Die winter is vergangen'.

Een groot aantal liedjes gaat terug de grote liedverzamelingen van Willems (Oude Vlaemsche liederen, 1848) en Van Duyse (Het Oude Nederlandsche lied, 1903). Waaronder: 'Daar was een sneeuwwit vogeltje'; 'Heer Halewijn zong een liedekijn'; 'Komt hier al bij, aanhoort deez' klucht' (Pierlala); 'Plompaard en zijn wuvetje'; ' 't Ros Beyaard doet zijn ronde'; 'Schoon lief, hoe ligt gij hier en slaapt'; 'Het waren twee koningskinderen'; 'Wat zullen onze patriotjes eten, als zij in 't leger zijn'; 'Wel Anne Marieken, waar gaat gij naar toe'; 'Willen wij, willen wij 't haasken jagen door de hei'; 'Des winters als het regent'; 'Wij zijn al bijeen, al goe kadullekes, al goe kadullen'; en 'Zeg kwezelken, wilde gij dansen'.

Maar ook liedjes uit andere bronnen werden welbekend: 'Ain boer wol noar zien noaber tou, hai boer hai'; 'De boer had maar enen schoen, weinig genoeg, genoeg, genoeg'; 'Daar kwam enen boer van Zwitserland'; 'Daar was een wuf die spon'; 'Drie schuintamboers'; 'Er was een oorlogsschip'; 'Komt vrienden, in het ronden'; 'Molenaartjes wind is zuidenwind'; 'Mitte confitte kom t' avond thuis, 't is kermis in mijn streetje' en 'De vastenavond die komt an'.

Tevens is een twintigtal kerstliedjes in het liedboekje opgenomen, waaronder: 'Maria die zoude naar Bethlehem gaan, kerstavond voor de noene'; 'Herders hij is geboren in het midden van de nacht'; en 'Klein, klein Jezuken, heb je zulken kou'.

De bundel Nederlands volkslied sluit af met een ruime verzameling canons, zoals 'Hemel en aarde kunnen vergaan'; 'Zomer is 't in bos en velden'; 'Drie ganzen in het haverstro'; en 'Ontwaak ontwaak, de roep van de haan'.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Jozef Vos, "Gemeenschapszang als ideologisch bindmiddel". In: Louis Grijp (red.), Een muziekgeschiedenis der Nederlanden (Amsterdam, 2001)
  • Jozef Vos, De spiegel der volksziel: volksliedbegrip en cultuurpolitiek engagement (proefschrift, Nijmegen, 1993)
  • Louis Peter Grijp en Herman Roodenburg, Blues en balladen. Alan Lomax en Ate Doornbosch, twee muzikale veldwerkers (Amsterdam 2005). Hierin het hoofdstuk: "Volksliedherstel", p. 40-42